ALEIDE PLOEGERS

DOOR

12) LOUISE B. B.

Na tafel maakten wij, dat wil hier zeggen de jongeren, muziek, maar al heel spoedig reed mijn rijtuig voor, want ik had mama beloofd, met het oog op den langen rit, vroeg te vertrekken. Toen ik reeds van de andere gasten afscheid had genomen, zocht ik naar Van Stralen; ik had hem wat te zeggen. Ik vond hem zitten in een hoekje van de voorgalerij, in druk gesprek met zijn vriend Waldheim. Ik ging vlak voor hem staan en zeide: „Mag ik u even spreken, mijnheer Van Stralen?”

Verrast zag hij op en plotseling kwam op zijne heide wangen een vuurroode plek; die ontdekking maakte mij zeer verlegen, maar het was nu te laat terug te treden. De Duitsche geleerde boog en verwijderde zich. Wij stonden tegenover elkander, ik verscheurde uit zenuwachtigheid mijn japanschen waaier en zocht vergeefs naar eenige vrijmoedigheid. „Wat wilde u mij vragen, juffrouw Ploegers?”

„Ik wilde u maar even vragen,” zeide ik schuw, even naar hem opziende, „of u.. of u. uw oude gewoonte niet zoudt kunnen hervatten en mijne ouders weer eens wilt bezoeken?”

Vreeselijk, zoo te moeten praten tegen dezen man, die met zijn nu weer bleek gelaat en kouden blik als een pilaar tegenover mij stond, mijne verlegenheid moest zien, maar door woord noch blik mij hielp. Ik wachtte een oogenblik, maar hij zeide nog geen woord.

„Ik kwam u verzoeken, Woensdagavond weer te komen. O, als u wist hoe mijne ouders u gemist hebben… En wat ben ik, dat ik de aanleiding zou zijn, dat… dat u er een jarenlange beproefde vriendschap om vergat…”

Een oogenblik was het alsof er eensklaps beweging kwam in die koude massa. Hij zag mij toornig aan: „Wat je bent..?” klonk het hartstochtelijk. Toen, zijne bedaardheid dadelijk herwinnende, zeide hij bitter glimlachend: „U is, wat mijnheer Rashorn u zoo juist noemt, benijdenswaardig jong. Zeg aan uw vader, juflrouw Ploegers, dat ik, wanneer er geen belet is, gaarne morgen in den na-avond komen wil.”

O, mijnheer Van Stralen, ik ben u zóó dankbaar, het is zóó vriendelijlc van u…”

„Mag ik u naar het rijtuig brengen, dat wacht, niet waar?” zeide hij zoo barsch, dat ik niet meer kikte, aan zijn arm door de voorgalerij ging en de trap af.

„Adieu, juffrouw Ploegers, mijne groeten thuis en goeden nacht! Vooruit koetsier!”

Hij gaf mij niet eens de hand en ik reed weg.

„Juffrouw Ploegers!” dacht ik verontwaardigd. Ik boog mij uit het portier en keek nog eens om. In het flikkerend schijnsel van de lantaarn, onder de marquise, zag ik hem vlug de trap weer opgaan. In dat vage licht gaf zijne slankheid hem iets zeer jongs en de lenigheid, waarmede hij zich bewoog, maakte hem elegant. Ik keek naar hem totdat het rijtuig weer op den grooten weg was, toen wierp ik mij in de kussens. „Juffrouw Ploegers”, mompelde ik nog eens en vreemd, nu was ik even boos, als toen hij mij voor het eerst „juffrouw Aleide” noemde.

Mijne ouders waren zeer ingenomen met Van Stralen’s belofte. Alles kwam thuis weer eenigzins in de oude plooi. De Woensdagavonden vonden hun ouden gast terug, maar verloren bijna geregeld het jongste lid van den kring, want zooveel mogelijk bracht ik deze avonden buitenshuis door. Sprak ik mijn ouders besten vriend een enkele maal, dan waren wij beiden als welopgevoede, oppervlakkige kennissen, die van weerszijden alle beleefdheidsvormen stipt in acht namen. Een vreemdeling, die ons bij elkander zag, zou nooit vermoed hebben, dat een huwelijksaanzoek den schoonen, koelen vrede tusschen ons bedreigd had.

XV

Zoo ging de tijd haar rustigen stillen gang. Tien maanden was ik hu reeds in Indiё en, wat ik in het begin nooit geloofd zou hebben, de aantrekkelijkheid van het nieuwe ging van alles af en ik begon te wenschen naar iets wat ik vaag „een emotie” noemde.

Al die feestelijkheden, bals en partijen begon ik eentonig te vinden. Ik begon er tegen op te zien altijd dezelfde menschen en vooral dezelfde jongelui te ontmoeten, met hunne laffe, nietsbeduidende praatjes, altijd de flauwe gewilligheid van een de Koning, de sentimenteele blikken van een Barend Romond te moeten ontwijken. Waarink, dat dreigend monster, de eentonige verveling, begon mij te verslinden en drong zelfs binnen mijn intiemsten kring. Het werd in mijne oogen thuis saai; „altijd, altijd hetzelfde,” zuclite ik. Mijne vriendinnen kregen honderd gebreken en tot overmaat van ramp ontstond er een vervreemding tusschen Kitty en mij.

Sinds eenigen tijd namelijk fladderde in de feestelijk verlichte galerijen van de „Koningin van het Oosten” een vreemde zeldzame kapel rond, wier schitterende kleuren haar boven alle anderen deed uitblinken. Baron Van Vredenburg, een nog jong en rijk edelman, had tijdelijk zijne tenten te Batavia opgeslagen. Reeds sinds eenige maanden telde Insulinde hem onder de hier te lande zeldzaam voorkomende toeristen. De booze wereld — noem mij eene plaats, waar hare tong niet spreekt — fluistert dat deze jonge rijke edelman met geen ander doel in Indiё reist en vriendelijk en kameraadschappelijk met hoog en laag omgaat, dan om zich later in Holland te doen doorgaan voor een „door eigen ondervinding en aanschouwing in Indische toestanden doorkneed man.” Als „Indische specialiteit” zal zijne reis dan het vischhaakje geweest zijn, waarmede hij gemakkelijk naar eene plaats in de regeering hengelen kan.

Wat mij persoonlijk betreft, mijnheer Van Vredenburg viel niet in mijn smaak. Als ik echter mijne mindere ingenomenheid moest motiveeren, zou ik deerlijk met mijn mond vol tanden staan, want welke cavalier had een aangenamer, meer arristocratisch uiterlijk, volmaakter manieren?

Zijne beschaafde, met zorg gekozen woorden, zijn gemaakt spreken, zijn kalme bevallige bewegingen deden u, bijna vergeten in een land te zijn, waar dat alles zooveel te wenschen overlaat. In zijn gezelschap was het mij dikwijls, alsof ik weer in grootmama Van Andel’s salon vertoefde. Maar misschien daarom wist niemand beter dan ik, wat al die mooie praatjes, die fijne beleefdheden en onberispelijke manieren in een Van Vredenburg beduidden, wanneer hij al die fraaiigheden verkwistte aan lieden, die hij in Holland nooit in zijn woning zou ontvangen hebben. Op mij, die zoolang bij de oude trotsche barones Van Andel in huis was geweest, maakte al dat uiterlijk vertoon den indruk, alsof de edele baron juist daardoor den afstand wilde vergrooten, die er lag tusschen zijn eigen goede geboorte en opvoeding en die der nonchalante plebejers, waarmede hij thans zoo innig vriendschappelijk omging.

Ik ontmoette deze nieuwe ster bijna in alle gezelschapszalen. Mijne verwondering ging vrij spoedig in ongerustheid over, toen ik Kitty en Van Vredenburg meer bij elkander bemerkte, dan ik met een oppervlakkige kennismaking kon overeen brengen. Ik zag hoe Kitty al hare coquette streekjesin haar volle kracht tegenover hem het werken en hij gedroeg zich alsof hij werkelijk zich liet betooveren. Arme Hagen — tot nu toe had Kitty hem altijd eenige voorrechten boven anderen gegeven, nu zag ik hem met een misnoegd en verdrietig gezicht rondloopen, terwijl Kitty nooit meer eenige notitie van hem scheen te nemen. Kitty sprak mij nooit over deze hare laatste verovering en bracht hei gesprek dadelijk op iets anders, als ik er over begon. Dit verschijnsel, gevoegd bij iets vreemds in hare verschijning, dat ik moeielijk beschrijven kon, bracht mij er toe, haar met verdubbelde belangstelling gade te slaan.

Zou er dan van deze „flirtation” ooit ernst komen? Ik keek nog eens naar den zelf bewusten aristocratischen baron, zooals hij daar stond tegenover Kitty, met hare lichtbruine gelaatskleur en naar hare moeder, het type eener dikke Indische kleurlinge… en mijn hart kromp inéén als ik er aan dacht, hoe mijn arm vriendinnetje ééns bitter zoude ontwaken uit hare zalige droomen.

Kitty was in den laatsten tijdgeheel veranderd, nooit meer zoo luidruchtig als vroeger; bijna stil geworden, zocht zij mij bijna niet meer op. Hare arme moeder, die niets van deze verandering begreep, klaagde over het veranderlijke, prikkelbare humeur harer dochter.

Op een bal bij den legercommandant zag ik haar driemaal met Van Vredenburg dansen. Er was iets in het glimlachje, waarmede zij luisterde als hij tot haar sprak, dat mij het voornemen deed opvatten tot eiken prijs haar dien avond nog te spreken. Ik troonde haar mede naar de verlaten kleedkamer.

„Verbeeld-je Kitty, wat ik zooeven gehoord heb! Hagen gaat naar Atjeh; hij moet daar voor het gouvernement de beri-beri bestudeeren!”

Kitty stond voor den grooten spiegel en. het de poederkwast glijden over hare verhitte wangen. Met een gemaakt lachje zeide zij:

„Gunst, Lyda, je spreekt op een toon alsof je het je aantrekt!”

„Dat doe ik ook — omdat ik medelijden heb met hem, want ik geloof dat hij deze aanstelling uil gelokt heeft omdat… maar je begrijpt mij heel goed, Kitty!”

Zij haalde met een ongeduldige beweging de schouders op: „Ik kan toch niet met iedereen trouwen, die mij het hof maakt?”

„Neen,” zeide ik naar haar toegaande en mijn arm om hare schouders slaande, „maar ik hoop dat je altijd kaf van koren zult weten te onderscheiden, lieve Kitty.”

„Gunst, Lyda, wat zet je een preekgezicht.” Zij lachte luid en zenuwachtig.

„Spot niet, je weet heel goed wat ik bedoel en ik wilde dat je begreep hoe ernstig ik het met je meen. Daarom wil ik nu openhartig met je spreken. Geloof mij, als ik je zeg, dat die mijnheer Van Vredenburg — ik kan hem maar niet vertrouwen — nooit een ernstig pretendent kan zijn. Hij is niet waar met je. Ik raad je aan, hem op een afstand te houden.”

„Waarom?” vroeg Kitty met een leelijken glimlach om mond en in oogen: „Jij wilt hem ook graag hebben, hè!”

„O, Kitty!”

„Ja,” zoo voer zij heftig uit, „dacht je dat ik niet gemerkt heb, dat je altijd naar hem keek, je bent jaloersch… jaloersch!”

Ik begreep deze plotselinge heftigheid niet, gaf haar een trotschen, vernietigden blik en ging de kamer uit, met de houding eener diep beleedigde vorstin. Sinds dat oogenblik ontwijken wij elkander en zijn koel beleefd, als wij elkaar een enkelen maal ontmoeten.

Een week later vertrok Hagen, en ik mis den omgang met mijn vroeger vriendinnetje zeer. Daar is niets wat mij hare vroolijkheid vergoedt en ik liep in huis rond met een pruilende lip, plaagde mijne ouders met mijne wispelturigheid, zoodat deze arme brave menschen ten einde raad waren. Ik dreigde te verzinken in een zee van verveling, toen op eens een brief van mijn broeder Alfred mijn gezonken levenslust plotseling weer boven water bracht. Deze edelaardige jongen schreef ons, dat hij gepromoveerd was. „Eindelijk!” zuchtte vader, want hij dacht aan de jaarlijksche delegaties, die hem Alfred’s studie gekost had. Omstreeks den tijd dat wij den brief ontvingen, aanvaardde hij de reis naar zijn half vergeten vaderland.

Schreiend van blijde aandoening sloot moeder zich op in hare kleedkamer. Alfred was altijd haar lieveling geweest. Een veel vroolijker, opgewekter stemming begon in huis te heerschen. Met krachtige hand begon moeder aan de toebereidselen om den geliefden zoon waardig te kunnen ontvangen.

Als met tooverslag wierp ik den looden druk der verveling van mij af en met opgewonden drukte, misschien nog ijveriger dan mama, was ik in de weer, om het „paviljoentje” in den tuin comfortable in te richten.

Ik was het die naar de toko’s reed, om gordijnstoffen uit te zoeken voor de verschillende venster-, deur en divanovertrekken; ik was het, die er op stond alles zelf te knippen en te drapeer en en die de ringen aan het gordijn van Fred’s boekenkast naaide; ik was het die het zwart verlakte, met goudranden afgezette rotanmeubilair uitkoos en de zachte rozeroode tulle bedgordijnen, waar moeder nog zoo boos om is geworden.

„Waarom hebt je geen groen genomen; is dit nu een degelijke kleur voor een heerenkamer?” riep zij geёrgerd, toen de wolken uitgespreid gaas bijna de geheele slaapkamer bedekten.

Maar ik lachte vroolijk, zooals ik in lang niet gelachen had en stelde mij mijn vleezigen broeder voor, zooals hij met zijn opgezet dik hoofd, een brandende sigaar in de mond, zou liggen achter sluiers rooskleurige tulle.

Zoo was ik weer vroolijk en goedsmoeds, omdat ik begreep, hoe de hemel mij een uitkomst geschonken had in de komst van mijn eenigen, welgedanen broeder.

XVI

„Mama, het is jammer dat u vergeten heeft mij „broertjesmuisjes” bij mijn ontbijt te geven. Mij dunkt de feestelijkheden van dezen dag konden zeer toepassёlijk met dit onthaal geopend worden!”

Ik had goed schertsen: de vochtige oogen van mijne lieve moeder bleven even ongedurig om zich heen blikken. Zij kon zich niet in geduldig wachten schikken. Welk een zenuwachtigen ochtend brachten wij door dien dag, dat de mailboot, die den stamhouder van het geslacht Ploegers naar Insulinde overbracht, zijn voor ons zoo kostbare lading te Tandjong-Priok zoude ontschepen. Het was daarom een geluk, dat al onze berekeningen faalden; wij verwachtten Alfred niet vóór den middag en ziet om een uur of elf viel hij eensklaps als een onbeheerde luchtballon in ons midden.

Vader en moeder omhelsden met aandoening den zoon, die vijftien jaren afwezig was geweest. Zij toonden zich verrukt over den goeden invloed van het gezegend Hollandsch klimaat, uitgeoefend op hun spichtig tienjarig zoontje, nu zij hem bij het zalig wederzien niet zonder moeite in hunne gelukkige armen konden omknellen.

„Fred,” zeide ik, na de rijsttafel hem bij zijn klein, maar vleezig oor naar zijne kamers geleidende: „Wat ben-je toch dik en wat zal-je het daardoor warm hebben!”

„Ja, Lyda,” antwoordde Alfred met een bijzonderen klemtoon op sommige woorden, een dwaze gewoonte bij het spreken, „ik heb het warm, erg warm; is het altijd zoo warm. hier?”

„Ja, arme jongen, nooit veel koeler!”

Alfred slaakte een welgemeenden zucht.

„Maar waarom draag je het haar zoo artistiek lang; dat is veel te warm.”

„Zou het veel koeler zijn als ik al mijn haar het afknippen.”

„Zonder twijfel!”

„Zoo, maar kan ik hier wel dadelijk een barbier krijgen?”

„Ik zal je van middag om een uur of vier er wel een bezorgen, een Inlander, nu is het slapenstijd.”

„Slapen! op dit uur, dat heb ik nog nooit gedaan! Ik zal liever - een eindje de straat op loopien en eens zien of ik geen kapperswinkel voorbij kom. Ik geloof, zus, dat je raad heel goed is.”

Ik schaterde: wat een baar! Op den vollen middag te wandelen en dat nog wel om een kapper op te zoeken!

„Lieve broeder, blijf gerust op je kamer; ik zal je immers een barbier zenden. Laat dus alles met een gerust hart aan mij over. Adieu, tot aan de thee!”

„Ja maar, Lyda, nog één woordje. Wil-jij dien man precies zeggen wat hij doen moet, want ik versta dat koeterwaalsch volstrekt niet!”

„Geen nood, laat hem zijn gang maar gaan, ik zal hem wel behoorlijk onderrichten. Nog eens, adieu!”

Ik haastte mij weg; ware ik langer gebleven zoo zou mijn lachen mij verraden hebben. Er speelde mij een kostelijke grap door het hoofd. Amien, een der huisjongens, verrichtte onder zijne makkers het ambt van barbier. De hoofden, die onder zijne bekwame handen eene bewerking ondergingen, kwamen er spiegelglad af. Ik liet den artist door Alima in mijn kamer ontbieden en gaf hem, niet zonder moeite mijn ernst bewarende, zijne instructies Hij boog en verwijderde zich.

Met eenige spanning verwachtte ik het middag-theeuurtje. De uitslag overtrof verre de verwachting.

Een wandelende kolos in nachtbroek en kabaai, een rozeroode mutsenbol als hoofd, naderde de theetafel in de pendoppo. Mijn broeders gezicht had zulk eene verrassende verandering ondergaan, dat ik zelf hem bijna niet herkende. Vader en moeder keken hun eerstgeborene niet zonder ontzetting aan, deze metamorphose had hem werkelijk niet geflatteerd.

„Bewaart ons,” meende vader, „je gelijkt wel een hadji… zonder tulband!”

„Alfred,” zeide moeder op ongerust en toon, „die haarbos van dezen ochtend was toch geen… geen pruik. Ben je zoo… zoo kaal?”

Alfred grinnikte vergenoegd en streek zich met beide handen over zijn ijsbaan van een kruin: „Lyda heeft mij een bruinen barbier bezorgd. Ik geloof wel, dat hij mij erg geplukt heeft, maar het luchtige gevoel is zeer aangenaam!”

Twee paar oogen richtten zich vragend op mij.

„Och,” zeide ik verontschuldigend, „ik kon toch niet op het heetste gedeelte van den dag naar Lombard zende. Alfred wilde zoo gaarne dadelijk zijn haar geknipt hebben, toen droeg ik het Amien op. Hoe kon ik weten dat hij het zoo Islamietisch op zoude vatten!”

Een oolijke flikkering in het oog. mijns vaders toonde mij, dat hij de geheele toedracht der zaak begreep. Hij had altijd zelf te veel pleizier in „koopjes geven”, dan dat hij ernstig boos zou kunnen zijn over dit grapje. Met een dreigend opgeheven vinger was ik er van zijn kant af. Moeder hield echter een lange boetpredicatie over mijne onbedachtzaamheid, die ik met de noodige onderworpenheid aanhoorde.

„Wat zullen nu de goede vrienden wel zeggen, als zij van middag ons komen geluk wenschen,” besloot mijne moeder geёrgerd. Uit eigen ondervinding wist ik, dat dit getal legio zoude zijn. Het gevolg van de grap was, dat broerlief op niemand een Adonis-indruk maakte, maar Alfred had zoo’n baat gevonden bij het middel, dat hij voortaan zijn haar niet anders dan kortgeknipt draagt, natuurlijk niet zoo priesterlijk waardig als Amien hem geschoren had, maar toch steeds zoo, dat het de ergernis van mama levendig houdt.

Zoowat een week nadat Alfred zich metterwoon gevestigd had in de drie vertrekken van het paviljoen in onzen tuin, zag ik op een avond, in mijn panier thuis komende, licht branden in zijn voorgalerijtje. Nieuwsgierig wat dat beduidde, het ik mijn paardjes stapvoets rijden en kwam langzaam zijn woning voorbij. Alfred had bezoek; tegenover hem zat op een wipstoel een vreemd jongmensch. De nieuweling — ik veronderstelde dat hij een baar was, naar zijn uiterlijk en kleeding te oordeelen — was een rijzig man, donker van uiterlijk, smaakvol gekleed. Zijn gedistingeerd, bijzonder knap uiterlijk viel mij dadelijk in het oog. Beide jongelieden zaten zeer druk te praten, maar niet vroolijk, want hun beider gelaat stond ernstig.

Nauwelijks was ik uitgestegen, of ik koorde stemmen in den tuin en dadelijk daarop reed een slingerende gehuurde dos-à-dos het hek uit. Kort daarop kwam Alfred binnen, maar ik was reeds naar mijne kamer om mij van handschoenen en hoed te ontdoen.

Toen ik weer in de voorgalerij kwam, zaten mijne ouders druk met Alfred te praten. Ik hoorde den laatste zeggen : „Ja, u hebt gelijk papa, ik kan niet ontkennen dat hij, wat wij zoo noemen, gesjeesd is van de akademie. Hij leefde te los en te verkwistend. Als hij een fermer voogd had gehad, zou deze hem wel bij tijds gewaarschuwd hebben. Maar zijn voogd bekommerde zich in het geheel niet over hem en zoo doende was Tonner al heel gauw in handen van slimme joden.”

„Wist de voogd dat zijn neef te veel geld verteerde?” vroeg moeder.

„Neen, Tonner maakte in het geheim beren. De geldschieters wisten dat hij met zijn meerderjarigheid een aardig duitje te wachten had en schoten grif voor. De voogd bleef, in zijn Noordsch provinciestadje, rustig achter zijn schrijftafel zitten en scheen nooit te vermoeden, hoe een levenslustig studentje in Leiden licht tot uitspattingen komen kan. Hij kwam het eerst te weten, toen het te laat was om nog iets te redden. Tonner was meerderjarig en zijn geheele vermogen ging aan de geldschieters.

„Groede hemel, hoe jammer, waaraan was dat alles,” vroeg moeder weer.

„Ja waaraan,” antwoordde Alfred aarzelend, „een duur leven… racepaarden… kleermakers en wijnkoopers… maar voornamelijk toch speelschulden.”

„Ik vind dit alles niet „fair”, zeide vader, die tot nu toe gezwegen had, maar steeds dikker rookwolken uit zijn sigaar naar boven blies.

„Ach,” antwoordde Alfred verontschuldigend, „de verleidingen in den studententijd zijn zoo vele voor iemand met een zwak karakter; het is zulk een wereld op zich zelf. Intusschen het was gebeurd, van doorstudeeren geen sprake meer, want het geld was op en de studies deerlijk ten achter geraakt. Tonner heeft toen een zwaren tijd gehad, hij begon van alles, maar de ongedurigheid zat hem nog te veel in het bloed. Er is in Holland weinig vooruitzicht, „baantjes” in overvloed, maar geen onafhankelijk bestaan. In alle gevallen, twee sukkeljaren hebben hem leergeld doen betalen, hij is bedaard en ernstig geworden, hij wil hard werken. Men raadde hem aan naar Indiё te gaan, daar was meer vooruitzicht dan in Holland. Nu — hij ging, ik vrees met meer aanbevelingsbrieven dan contanten. Aan boord herkende ik hem, wij hebben vroeger menig vroolijk dagje met elkander doorgebracht; hij reisde als passagier tweede klasse. Nu is hij hier in een commensalenhuis; van middag kwam hij mij opzoeken, ten einde raad. Al zijn fraaie brieven hebben niets geholpen. De heeren der firma’s, aan wie zij waren gericht, ontvingen hem beleefd, maar gaven niet de minste hoop op eene plaatsing. De tweehonderd gulden, die hij nog rijk was, om den eersten tijd op te teren, zijn hem van ochtend ontstolen. Nu heeft hij niets meer dan een paar gulden in zijn portemonnaie. Hij was zóó wanhopig dat ik medelijden met hem kreeg. Als hij nu maar niet de een of andere dwaze streek uithaalt in zijn wanhoop!”

„Kassian,” zeide moeder, „hij moet natuurlijk geholpen worden.”

„Ja,” antwoordde Vader, „maar hoe?”

„Och, daar is wel een middel op te vinden,” zeide moeder, die den vriend van haar lieveling in die hoedanigheid reeds warm in het hart gesloten had.

„Ik heb beloofd over hem met u te spreken, vader.”

„Hm, een jongen met zulke antecedenten… een gesjeesd student….. een speler, daar komt niet veel van terecht, vrees ik.”

„Maar vader, die dingen behooren tot het verleden, hij is geheel veranderd en ernstig geworden…”

„Ik hoop het Alfred,” zeide vader en aan zijn gezicht zag ik dat hij nog altijd twijfelde.

„Daarbij,” pleitte moeder weer, „na alles wat Alfred ons van den jongen man verteld heeft, kunnen wij niet anders doen dan hem helpen; het is plicht geworden. De jongen staat op dit oogenblik op een moeielijk keerpunt in zijn leven; het zou mij niets verwonderen dat hij ten onder ging, als wij hem niet helpen. Vreemd, wanhopig, arm, is hij in minder dan geen tijd in een apiumkit, in een chineesche wijk, zoo wij hem niet een anderen uitweg bieden.”

„Je hebt gelijk, Emilie, zooals altijd, vrouw. Deze kans om weer met den voet in den stijgbeugel te komen, mogen wij hem niet ontnemen. Wist ik maar iets voor hem!”

„Wel,” zeide moeder nu, „hoe hebben wij dan je neef Jan Heydman geholpen, nu drie jaren geleden! Elf maanden heeft hij immers bij ons gewoond, totdat hij een baantje kreeg met genoeg traktement om voortaan zelfstandig te zijn.”

„Hm!” zeide vader, terwijl een eigenaardige uitdrukking op zijn gelaat kwam: „Ja, dat konden wij toen doen… op Salemba!”

„Maar Eduard, ik begrijp je niet meer. Waarom konden wij toen op Salemba, in ons veel kleiner huis, wèl zulk een gast bergen en niet hier, nu wij ruimte in overvloed hebben?”

„Ja, maar toen waren wij alléén!” hernam vader, op dat laatste woord drukkende. Ik stónd al dien tijd over moeders stoel geleund, vader zat tegenover ons. Oplettend volgde ik het gesprek en niettegenstaande dat de geslepen brilglazen het licht opvingen, kon ik zien dat papa mij even aanzag. Ik begreep hem en met een minachtende schouderbeweging riep ik uit:

„Vader is bang dat ik op den eersten den besten zal verlieven, daarom huivert hij dat jonge mensch in huis te nemen!”

„Nu, nu, ajam katé,” zeide vader lachend: „blaas je zoo maar niet op: eene jonge juffer is nog geen driftige kalkoen!”

„Maar Eduard,” hernam moeder nu verontwaardigd, „wat een noodelooze ongerustheid, alsof het kind juist niet bewezen heeft, dat…”

„Ja, ’t is waar ook,” zeide vader ernstig, „als zij zulk een… hm, dan is hierbij geen gevaar!”

Alfred zat ons één voor één met oogen, zoo smal en gesloten als knoopsgaten, aan te zien, blijkbaar zeer nieuwsgierig, maar niemand gaf hem antwoord.

(Wordt vervolgd.)

KERMISVREUGD,

bij de plaat naar

DAVID TENIERS JUNIOR.

David Teniers Junior, de beroemde zoon van zijn minder beroemden, slechts even bekenden naamgenoot, was één dier gelukkige, voorzichtige stervelingen, die hun geld en goed, in plaats van het over den balk te gooien, in ijzeren kist of kast bewaren, er huis en hof voor koopen,en er, zoo mogelijk, als een groot heer van leven. Het geld, dat hij verdiende, moet als water zijn binnengestroomd. Hij schilderde bij zonder vlug en hield er een genre op na, dat, los en luchtig daarheen geschilderd, hem in staat stelde, na den maaltijd een geheel stuk te vervaardigen. Hij kon, zoo zeide hij, een galerij van een uur gaans met zijne doeken vullen. Gelijk Rubbens. naar wien hij in het begin veel schilderde, zou ook hem een soort van hofhouding gansch bizonder hebben aangestaan, en dat hij eenvoudig David Teniers is blijven heeten en niet Ridder Teniers, heeft waarlijk niet aan hem, maar aan de omstandigheden gelegen. Intusschen was hij, zoo niet de heer van een riddergoed, noch de drager van een riddertitel, dan toch de gelukkige bezitter van het landgoed „De drie rozen”, in de nabijheid van Mechelen en Antwerpen, waar hij tegenover zijne kunstbroeders en de vrienden zijner Antwerpensche familie de airs van een landjonker kon aannemen en hen onderhouden kon over de gemeenzaamheid van zijn vriend, den Landvoogd der Zuidelijke Nederlanden, Aartshertog Don Juan van Oostenrijk.

Kermisvreugd. (Naar David Teniers Jr.).

In het atelier van zijn landhuis „De Drie Rozen” heeft hij, kunstrijk alchimist, heel wat verf in goud veranderd door het schilderen van die welbekende schilderijen, die thans den roem uitmaken van de musea van Amsterdam, St. Petersburg en Madrid. Een enkele maal heeft hij zich gewijd aan de heilige kunst en er bestaat van zijn hand een „Christus met de doornenkroon”, die den naam van zijn maker waardig is. Wederom een enkele maal offerde hij aan het allegorische genre, en wel met name ter verheerlijking van het ontzet van Valencyn door zijn beschermheer Don Juan en den Prins van Condé. Ook voorstellingen van de hel en hare straffen, o. a. van den rijken Lazarus, die door duivels wordt weggevoerd, worden onder zijne werken aangetróffen. Of het zijn honden en katten, die een muziekpartij hebben, straks apen, die bezig zijn met rooken en koken. Maar niet deze voorstellingen hebben aan Teniers vermogen, naam en roem verschaft. De naam van Teniers is vast verbonden aan die bonte, woelige tafereelen uit het leven op het land, die vroolijke boerenkermissen en springpartijen, die u de vlugheid en lichtheid van zijn penseel doen kennen te gelijk met de losheid en dartelheid van het dansende brabantsche volkje. Zoo bewegelijk en vrij als de gepaarde groepen op u aan komen huppelen, zoo los als zij voorbij u heenzwieren, zoo los zweeft zijn penseel over het doek. Zoo speelsch als de jonge deernen springen op zijne vroolijke paneelen, zoo speelsch schept zijn penseel licht, leven, kleur, diepte overal, omhoog in de lucht, lager in den vaal groenen achtergrond en overal tusschen de dichte groepjes in. Op menigen zomeravond moet Teniers naar Lier of Rupelmonde zijn gegaan, als er kermis was, om te zien en te hooren — te zien vooral. Dat hij dat als Heer van „De Drie Rozen” veilig doen konde, mag wel blijken uit de schilderij, die wij hiernevens afbeelden en waarop een deftig burger zijn dame het erf binnenleidt van de boerenherberg. Verscheen in den Haag niet zelfs het hof op de kermis? De kermis was in de zeventiende eeuw een goed burgerlijk vermaak, en menigmaal mag David Teniers zelf hebben gezeten onder de loofhut of op de bank voor het huis en de paren voor zich hebben laten ronddansen totdat een groep, een paar, een zwier hem trof en hem in ’t geheugen bleef hakén. Hij mag er genoegen in hebben gehad, zijn eigen tuinlieden en meiden met de oogen te volgen, als zij meedraaiden in den rondedans, totdat zich in zijn geest een tafereel vol leven en blijheid schikte en ordende, dat hij als een nieuw sujet begroette met een frissche teug uit de kroes.

Toch — wanneer hij zich neerzette om het op het doek te brengen, mengde zich in de schildering iets van de voorname airs, die hij zelf had aangenomen. Niet alleen treden op den voorgrond een heer en dame binnen, ook de dansende paren hebben iets, dat soms ten minste aan huisknechts en kamermeisjes doet denken. Zij zijn niet de hortende en stootende hobbezakken van Ostade, met hunne plompe beenen en afgezakte kousen, en hebben zekere zwier in de bewegingen, zekere houding in de gestalten, zekere muziek in de bewegingen, al is het altijd dezelfde arme geplukte haan van een muzikant, die op één en denzelfden toon zijn strijkstok over de schorre snaren strijkt of wind blaast in den doedelzak. Er zijn stukken waar de dansers golven als een dansende zee. In „de Drie Rozen” is, met het geld en met de visites aan de aartshertogen Leopold en Don Juan, een zeker iets gekomen, dat zich onwillekeurig op de beeldjes afdrukte, ’t Zijn schepseltjes van den heer David Teniers, bijna Ridder Teniers, en ze zijn naar zijn aard. Giet over de vroolijke landelijke tafereelen, die blijken onder den rook van goede heerenhuizen te worden afgespeeld, den zilverglans van Teniers’ penseel — en laat het u geen wonder zijn, dat een museum, om compleet te zijn, de werken van dezen Vlaamschen meester niet missen mag.

DE WIND.1

Luid floot de wind

En joeg gezwind

De schepen klein en groot;

De molenwieken

Bij dageraadskrieken,

Tot loopen hij gebood.

„’k Getuig het eerlijk,

„’k Ben onontbeerlijk,

„Niemand kan mij vervangen!”

Zoo sprak de wind,

En blies gezwind

Wat zeilen bolle wangen.

„Op hooge taak

„Ik aanspraak maak;

„Thans moet ik verder tijgen;

„Groot is het rijk,

„Dat ik bestrijk;

„Wat zou de mensch verkrijgen

„Zonder mijn kracht,

„Die voordeel bracht

„Aan alle streken en oorden?”…

Zijn adem zacht,

Langs weide en gracht

Stierf weg bij deze woorden.

Na langen tijd

Daar kwam vol vlijt

De dappre wind weerom;

Bedrijvig, gezond

De menschen hij vond,

Geluk en welvaart alom!

Het schip op den stroom,

Het weefgetouw,

De molen… Getrouw

Dreef hen de machtige stoom.

„Ik ben ontbeerlijk,

„’k Beken het eerlijk,

„Al is ’t na kamp en schroom.

„Nu ga ik gezwind”,

Zoo sprak de wind,

„En roep de menschen tegen:

„Verbeelde zich geen

„Van hem alleen

„Hange af geluk en zegen!”

MAART

DOOR

A. PEAUX.

Het was nog vroeg in Maart en het had gesneeuwd, de tuin lag vol sneeuw en de zon en de wind van Maart speelden daarin — zooals maar ééns in ’t jaar — als twee uitgelaten kinderen.

Door die drukte werd, dicht aan de heg, onder nog dorre seringen en wilde rozenstruiken, een viooltje wakker en het hoorde de laatste woorden van een lang verhaal, in een langen droom, flauw en ver weg gesproken en heel fijn in de koude lucht, en ’t verhaal was uit toen zij verbaasd wakker werd in de sneeuw; maar zij wist nu, dat zij hier in dezen tuin een Maartsch viooltje heette en dat kwam haar op eens heel belachelijk voor, maar ’t scheen voorloopig genoeg en alles wat zij noodig had te weten.

„Zoo,” zeide de zon, die dien dag vol grilligheid was, „ben je daar, dat zal je berouwen, want ik kan mij maar weinig met je bemoeien, ik heb lust wat met den wind te ravotten en al die donkere wolken willen mij weghouden, maar ik ben haar telkens te slim af, dat is al een pretje op zichzelf, ik kan vandaag aan niets anders denken, zie maar hoe je het stelt in de kou.”

Een bloeiend viooltje in de sneeuw, dat was iets bizonders voor wie in den tuin kwam en hij bukte zich om het te plukken, een paar musschen vlogen op uit de dorre heg, zoodat de doornige takjes natrilden, en toen hij het stengeltje had gebroken begon de betoovering en lag daar een violette tint over de sneeuw en ’t was of die van het viooltje uitging en zich spreidde ook over de lucht.

De werkelijkheid was weggevlogen met die grijze, grauwe musschen, want toen hij nu verder ging, zette hij zijn voeten maar vooruit in den tuin of hij liep in een droom, en ’t was dezelfde tuin, alleen leek alles er langer in een ver strekkend verschiet, zooals hij dien tuin wel gezien had door de groote glazen van een binocle voor zijn oogen, en ’t kwam een oogenblik bij hem op, of hij ook misschien droomde, dat hij, verkeerd om, door een verrekijker zag, maar onderwijl ging hij over de sneeuwpaden altijd voort. Hij zag de boomen en de struiken, allen met fijnberijpte takjes, langs den kant en met iederen stap werden zij hooger en slanker, en toen zag hij ze dunner en dunner worden en de hoekige takken verloren hun hoekigheid en bogen zich tot spitse gewelven en de sneeuw lag daar glinsterend op en alle fijne takjes werden zoo fijn als spinrag, als blinkend berijpte herfstdraden en zij weefden zich tusschen de zuilen en langs de bogen tot dat alles één ragfijne, hooge en slanke bouw was, waar alle licht van boven inviel en een violette schemer lag lager op de sneeuw, die er uitzag als wit marmeren sneeuw.

Toen woei er een windvlaag door de struiken en zag hij op eens den tuin weer duidelijk door dat vreemde gebouw heen, als in een fata morgana, maar dan werd het gebouw weer duidelijker en overlichtte den tuin. Eindelijk stond hij in een ronde ruimte geplaveid met een mozaiek van witte en lila marmersteenen en boven in den rondloopenden muur was de breede band van een regenboog, die zich lager uitspon op den muur tot een neerhangend, kleurig weefsel. Op één punt voerde een trap naar omlaag, waarvan de onderste treden niet meer zichtbaar waren en vóór die trap liep het tuinpad, zeer smal: daar stond hij. Tegenover zich zag hij op den achtergrond een meisje, zij had een kapje van gouddraad en regendruppels op, verder was haar kleeding donker en zij zong. Zij zong: toen waren er overal stemmen daar in de ruimte, een gegons vanjongemeisjesstemmen en opeens verschenen de meisjes zelve en zij liepen lachende de trappen af, tot zij verdwenen daar waar de treden niet meer te zien waren en het gelach, zwakker en zwakker, overal klonk achter de wanden en nu waren zij verloren in den doolhof en hoog en laag, overal achter de muren, klonk gedempt door haar lachen en het was te hooren in dat lachen dat zij zochten naar den weg.

En het donker meisje met het kapje van gouddraad en regendruppels op, is ook verdwenen, maar in haar plaats is er nu een kwijnende vrouw met lang, blond haar. Zij ligt op een wit marmeren bank, half liggend en past gouden ringen aan haar vingers, effen gouden ringen, en als zij ze weer van haar hand afschuifty is hun glans om haar vinger gebleven, ook als een ring. En zoo heeft zij om haar voorhoofd den schijn van een smallen gouden band, als een diadeejn.

En dan valt de zon in haar kamer, als een gouden waaier en zij wiegt dien zacht heen en weer voor haar gezicht, dat blank is daarachter, blank als sneeuw, met diepe violette oogen, viooltjes-oogen.

En zij breekt den waaier en maakt een harp van de zonnestralen en ziet met een lachje neer langs haar lichaam en den gouden schijn, van de harpsnaren, als golvende strepen, wegglijden en verdwijnen in de plooien van haar kleed bij elke beweging, en zij poost zinnend in haar werk, omdat de harp is een harp van schijn, zonder geluid.

Maar dan komen de meisjes terug en zij lachen weer en zij gooien met regendruppels naar de harp en elke vallende druppel is een klank, glashelder, vóór hij uitspat in kleuren, en haar lachjes fladderen als vlinders over de snaren en het is samen een muziek van zon en regen in den tuin, nu weer alleen maar een tuin, met witbesneeuwde paden en berijpte boomen en schaduw van looverloos hout over de paden, waar in kleeren van zon en wind en regen, de feeёn van den voorjaarsdag stoeien en droomen, als jonge meisjes en waar de Lente wakker werd in de sneeuw en zich niets meer vond dan een vroeg viooltje in Maart.

Prof. Mr. J. DE WAL.

DOOR

A. A. DE PINTO.

De redactie van „Eigen Haard” verzocht mij bij het in dit nommer opgenomen portret van Prof. Mr. J. de Wal „een woord van waardeering en herinnering” te schrijven. Ofschoon dit vereerend verzoek tot mij kwam nadat ik mijn leermeester en v-riend, onder den eersten treurigen indruk van zijn overlijden, reeds eene dankbare hulde had gebracht, in het „Weekblad van het Recht” van 12 Februari j.l. (n° 6135), meende ik na eenige aarzeling het daarom alléén niet te mogen afslaan. In het „Weekblad” schreef ik als jurist over den jurist voor juristen, in „Eigen Haard”, voor een veel ruimer kring van lezers bestemd, komt het er op aan in een bijschrift tot de Wal’s portret de plaats, die hij innam onder de Nederlandsche rechtsgeleerden en rechtsleeraars van zijn tijd, ook voor hen, die van het recht geen studie maken, met een enkel woord aan te wijzen. Eene levensbeschrijving verwachte men hier evenmin als ik haar in het „Weekblad” gaf. Slecht enkele data en feiten breng ik in herinnering, opdat reeds dadelijk blijke, hoe rijk en wel besteed het leven van dezen geleerde was. Van eene opsomming zijner vele rechtsgeleerde en andere geschriften meen ik mij hier te moeten onthouden.

Johan de Wal werd geboren te Franeker den 3den April 1816. Zijn vader Gabinus de Wal had een paar maanden te voren (30 Januari 1816) het professoraat met eene rede over „de voorbereiding tot de rechtsgeleerde studiёn” aanvaard aan de oude Friesche hoogeschool, het toenmalig krachtens art. 38 van het K. B. van 2 Augustus 1815 „van Lands wege bekostig !”, nu sedert lang opgeheven athenaeum te Franeker. Vijf jaren later werd Prof. G. de Wal beroepen naar de Groningsche hoogeschool, waar hij zich weldra een grooten naam verwierf als staats- en strafrechtsleeraar. Johan de Wal, die als een knaap van vijf jaar zijn vader naar Groningen was gevolgd, genoot daar zijne geheele opleiding tot het maatschappelijk leven. Leerling der Groningsche academie van 1833 tot 1839, was het hem echter niet vergund aan die hoogeschool de lessen van zijn door hem zoo diep vereerden en teeder beminden vader bij te wonen. Immers in 1833, juist bij den aanvang zijner academische studiёn, werd zijn vader door een plotselingen dood aan zijne naaste geliefde betrekkingen, aan de wetenschap en het vaderland ontrukt. Op treffende wijze bracht Johan de Wal dit in herinnering in de rede, waarmede hij zelf vijftien jaar later (28 October 1848) het professoraat bij de Leidsche academie aanvaardde. Gelukkig vond hij in den opvolger zijns vaders, den hoogleeraar Cornelis Star Numan, een broederlijken vriend, zooals hij het dankbaar uitdrukte bij de hulde, aan de nagedachtenis van dezen geleerde gebracht in de toespraak, waarmede hij als voorzitter op den 18“ Juni 1857 de jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden opende2.

Voor de voortzetting zijner literarische studie aan de academie had de Wal veel te danken aan Prof. P. van Limburg Brouwer; voor zijne opleiding tot en vorming als jurist had hij groote verplichtingen aan de hoogleeraren

Nienhuis, Philipse en Star Numan. Aan deze drie hoogleeraren droeg hij de verhandeling op, waarmede hij den 20“ Maart 1839 zijne eervol volbrachte academische studiёn besloot3.

De verdiensten van den jongen doctor werden onmiddellijk na zijne promotie gehuldigd door de resolutie van den gouverneur van Drente, van 28 Maart 1839, n° 27, waarbij hij werd benoemd tot adjunctcommies der eerste klasse bij het Provinciaal Bestuur van Drente. Twee jaren was hij werkzaam geweest in deze administratieve betrekking, toen hij in de lente van 1841 zijne intrede maakte in de rechterlijke macht als substituut-officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Winschoten. In 1843 ging hij in gelijke betrekking over bij de Leidsche rechtbank, om weder twee jaren later (1845) te worden bevorderd tot substituut van den advocaat-fiscaal voor ’s Konings zee- en landmacht, als zoodanig werkzaam bij het Hoog Militair Gerechtshof te Utrecht. In deze betrekking bleef hij werkzaam tot in de eerste maanden van 1848, toen hem het gewichtig ambt van secretarisgeneraal bij het Departement van Binnenlandsche Zaken werd opgedragen. Eene zeer groote onderscheiding voor den nog zeer jeugdigen rechterlijken ambtenaar, maar eene onderscheiding, die op den duur zijn levensgeluk niet zoude hebben bevorderd, zoo hij lang werkzaam ware gebleven in dit hooge administratieve ambt, dat, vermits het den geheelen mensch eischt, hem geen vrijen tijd zoude hebben gelaten voor de wetenschappelijke studiёn, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk waren, en dat ook om andere redenen weinig met de richting van zijn geest en den aard der hem geschonken gaven overeenstemde. Er was dus voor zijne vele vrienden wel reden te over om hem van ganscher harte geluk te wenschen, toen hij, na eene werkzaamheid van slechts weinige maanden in de bureaux van Binnenlandsche Zaken, werd benoemd tot hoogleeraar in de rechtsgeleerde faculteit der Leidsche hoogeschool ter vervanging van prof. H. W. Tydeman, emeritus geworden wegens zeventigjarigen leeftijd. Nu had de Wal het standpunt ingenomen, dat hem als man der wetenschap, die onder de beslommeringen van het practische leven en verrijkt met de ervaring, die men daarin alleen opdoet, nooit had opgehouden haar te dienen, rechtens toekwam.

Twee en twintig jaren was de Wal werkzaam als hoogleeraar, tweemaal viel hem het voorrecht te beurt als rector magnificus aan het hoofd te staan van den academischen senaat, (1850/51 en 1860/61).

Dat hij, die, hoe bescheiden en eenvoudig van gemoed ook, in het algemeen niet ongevoelig was voor de vele hooge onderscheidingen, hem ten deel gevallen, ook dit academisch eereambt op prijs stelde en volkomen op de hoogte was van de rechten en verplichtingen, daaraan verbonden, blijkt overtuigend daaruit, dat hij, het op den 8sten Februari 1861 voor de tweede maal aan een ambtgenoot overdragende, het onderwerp der bij deze gelegenheid van ouds gebruikelijke redevoering aan het ambt zelf ontleende.4

Toen de Wal hoogleeraar werd, leefden wij onder het organiek Besluit voor het hooger onderwijs van 2 Aug. 1815, dat, geheel afwijkend van art. 53 der thans geldende wet van 28 Aug. 1876 (Staatsbl. n° 102), in art. 61 bepaalde, dat de hoogleeraren „niet voor een of meer „afzonderlijke vakken, maar alleen in de faculteit waartoe „zij benoemd zijn, benoemd worden”; terwijl „de verdee„ling der vakken over het personeel der professoren aan „curatoren (werd) overgelaten”, die, als ik art. 64 van het Besluit wel begrijp, daarover echter alleen te beslissen hadden, indien de professoren het daaromtrent niet eens konden worden.

Een criminalist zooals de Wal, die daarenboven in de practijk van het strafrecht zijne sporen had verdiend in de gelederen van het Openbaar Ministerie, kon dus na zijne benoeming door zijne ambtgenooten of door curatoren belast worden met het onderwijs in de romeinsche rechtsgeschiedenis en het handelsrecht, — en zoo geschiedde. Van zijn ambtsvoorganger Tydeman erfde hij alleen de encyclopaedie, van zijn collega Thorbecke nam hij de colleges aangaande de geschiedenis van het romeinsche recht en het Wetboek van Koophandel over. Met het onderwijs in het strafrecht werd hij, bedrieg ik mij niet, eerst 12 à 13 jaar later belast, toen prof. Cock door het bereiken van den zeventigjarigen leeftijd emeritus was geworden.

Naar onze tegenwoordige begrippen van verdeeling van arbeid op het gebied der wetenschap klinkt dit zeer vreemd. Toch liep het veel beter van stapel dan men zich dit thans kan voorstellen. De rechtsgeleerden gingen in vroeger dagen veel minder op in hunne specialiteit dan thans. Men was criminalist of civilist of processualist, maar men was voor alles jurist, en den stevigen grondslag van het romeinsche privaatrecht meende geen ernstig rechtsgeleerde, op welken tak der rechtswetenschap hij zich dan ook later meer bepaald toelegde, te kunnen ontberen.

Ten deele hieraan, maar veel meer nog aan de Wal’s uitgebreide historische rechtskennis hadden zijne toehoorders het te danken, dat zijne colleges over de Romeinsche rechtsgeschiedenis en over het Nederlandsche, steeds vergeleken met het elders geldende, handelsrecht, al voldeden zij niet aan de hoogste eischen, zeer leerrijk waren. Waar, zij het dan ook met een enkel woord, zooals hier alléén voegt, op de Wal’s ongemeene verdiensten op het gebied der rechtsgeschiedenis wordt gewezen, mag niet worden verzwegen, dat de jeugdige hoogleeraar, reeds dadelijk bij zijne optreding als zoodanig met drie colleges over drie zeer uiteenloopende vakken belast, tijd en gelegenheid wist te vinden om, geheel onverplicht, een in mijn academietijd hoog gewaardeerd college te openen over den oorsprong en de ontwikkeling van het Grermaansche, inzonderheid van het vaderlandsche recht.

Prof. Mr. J. de Wal.
Naar de staalgravure van D. J. SLUIJTER.

Mij viel het voorrecht niet te beurt de colleges van de Wal over het strafrecht en de strafrechtspleging bij te wonen. Toch erken ik dankbaar, dat hij mijn eerste leermeester in die vakken was, dat hij er mijne eerste liefde voor opwekte. Na verloop van meer dan 42 jaren leeft nog in mijne herinnering het hoofdstuk, aan het strafrecht gewijd in zijn eerste college over de encyclopaedie, in den academischen cursus 1848/49 gegeven. Ik zal hier niet in herhaling treden van wat ik daarover reeds schreef in het „Weekblad van het Recht.” Dit alleen zij daarvan nog gezegd, dat zoo Prof. Gr. de Wal eenmaal met overtuiging sprak over de geschiedenis van het strafrecht als een getuige der afdwalingen van den menschelijken geest en eene leerschool tevens van wijs staatsbeleid5, Prof. J. de Wal, toen hij na verloop van meer dan het vierde eener eeuw ook als strafrechtsleeraar optrad aan onze eerste hoogeschool, de waarheid, door zijn vader verkondigd, in een treffend licht stelde, waar hij zijnen hoorders een open en ruimen blik gunde op het strafrecht als een stuk van de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid.

In de jaren 1843 en 1844, toen de Wal nog dienst deed in het Openbaar Ministerie, had hij reeds krachtens eene speciale opdracht van regeeringswege deelgenomen aan de bewerking van de destijds samengestelde ontwerpen van een Nederlandsch Wetboek van Strafrecht. Van die ontwerpen kwam echter niets, evenmin als van latere in 1846, 1847 en 1859. Eindelijk werd de zaak, die tot schade en schande van het Nederlandsche volk gedurende vele tientallen van jaren telkens en telkens weder was uitgesteld, in het najaar van 1870 weder eens met kracht opgevat door den minister van Lilaar. Het was op zijne voordracht, dat, weinige weken na de afschaffing der doodstraf bij de wet van 17 September 1870 (Staatsbl. n° 162), door den Koning eene staatscommissie werd ingesteld voor de samenstelling van een Nederlandsch Wetboek van Strafrecht, met benoeming van Prof. de Wal tot voorzitter. Met groote ingenomenheid aanvaardde hij deze taak, waaraan hij zich nu geheel wilde wijden, terwijl zijne destijds wankelende, later veel verbeterde gezondheid niet scheen toe te laten haar te vereenigen met de aan het professoraat verbonden werkzaamheden. Hij vroeg dus het emeritaat als hoogleeraar, dat hem, met ingang van den 1sten Januari 1871, werd verleend. Met de academie verliet hij nu de academiestad, om zijne woonplaats over te brengen naar ’s Gravenhage, waar de staatscommissie gedurende ruim vier en een half jaar geregeld hare vergaderingen hield.

De herinnering aan de samenwerking met de Wal gedurende die jaren zal steeds blijven behooren tot de aangenaamste van mijn leven. Hij was hier zoo geheel de rechte man op de hem door zijne uitgebreide kennis van het in en buiten Nederland geldende en gegolden hebbende strafrecht, aangewezen plaats. Green ander was in gelijke mate vertrouwd met de codificaties van het strafrecht sedert het einde der vorige tot in de tweede helft van deze eeuw. Daarbij wist hij in de vergaderingen van onze commissie, die van den aanvang af grootendeels, later geheel samengesteld was uit zijne leerlingen van vroeger en later tijd steeds den juisten toon te treffen. De ernst van het door hem met grooten tact geleide debat, waarbij dikwijls een scherp geteekend verschil van gevoelen op den voorgrond trad, deed nooit iets te kort aan de aangename, echt vriendschappelijke verstandhouding der leden, die, allen bezield met gelijken ijver voor den gemeenschappelijken arbeid, ook overeenstemden in de overtuiging, dat de leiding daarvan niet aan beter handen kon zijn toevertrouwd dan aan die van hun leermeester en vriend.

In den zomer van 1875 was de staatscommissie met haar arbeid gereed. Ruim elf jaren zouden na nog verloopen eer haar ontwerp, in menig opzicht gewijzigd, misschien niet altijd verbeterd, als Wetboek zoude worden ingevoerd. Dit had eerst plaats op den eersten September 1888. Op dien dag bracht ik met mijne vrienden Pols en Beelaerts van Blokland — Modderman en Loke, onze onvergetelijke en onwaardeerbare medewerkers in de staatscommissie, hadden, helaas, de invoering van het wetboek niet mogen beleven — onzen ouden goeden president een bezoek te Deventer, zijne toenmalige woonplaats. Het was op dien dag een waar feest in de schoone en gastvrije woning van prof. de Wal en zijne hooggeachte echtgenoote. Beiden verstonden de niet te versmaden kunst om het hun vrienden aan den huiselijken disch recht aangenaam te maken, en dat de gezellige tafelkout op den heugelijken dag, die Nederland eindelijk en voor goed verloste van de in December 1813 provisioneel gehandhaafde Napoleontische strafwetgeving, geur en kleur ontleende aan de herinnering van den voor vele jaren met groote inspanning, maar met niet minder groote liefde en toewijding volbrachten arbeid, die, welke gebreken daaraan ook mochten kleven, dan toch ten slotte dit gunstig gevolg had opgeleverd, behoef ik wel niet te verzekeren.

Tegen het einde van 1886 bracht de Wal zijne woonplaats over naar Arnhem. In Grelderlands schoone hoofdstad en haar heerlijke omgeving genoot hij nog een vreedzamen en gelukkigen levensavond. Aan inspannenden wetenschappelijken arbeid gaf hij zich niet meer over, en er is reden om te onderstellen, dat de nieuwste Italiaansche en Fransche theorieёn over het strafrecht, zoozeer verschillende van wat hij, de Nederlandsche Mittermaier, zijn leerlingen als waar had verkondigd, over zijn hoofd zijn heengegaan zonder dat hij er veel aandacht aan heeft gewijd. Alleen heeft, hij, als ik wel ben ingelicht, gedurende zijne laatste levensjaren den schat zijner methodisch verzamelde en zorgvuldig bewerkte adversaria, vooral op biographisch gebied, nog vermeerderd.

De Wal was jurist met hart en ziel, maar niet een jurist, die opging in de abstracties van het recht en de letters der wet. Hij beoefende in de kracht zijns levens het recht en had het lief als een deel van den in haar samenhang onverbreekbaren cyclus van wijsgeerige, geschiedkundige en letterkundige wetenschappen; en waar hij bij voorkeur zijne aandacht en zijne studie wijdde aan dat eene deel, konden de overige bestanddeelen van het groote geheel hem niet onverschillig blijven. Zijne verdiensten op zuiver literarisch en historisch gebied vonden dan ook erkenning van de meest bevoegde zijden. Tijdens zijn verblijf te Leiden was hij gedurende vele jaren lid van het bestuur, meermalen voorzitter van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde aldaar. Reeds in 1855 benoemd tot lid der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, was hij vier jaren achtereen (1858 — 1862) voorzitter van hare afdeeling voor de taal-, letter-, geschiedkundige en wijsgeerige wetenschappen.

De Wal was een geleerde van beteekenis, maar was ook, wat grooter waarde heeft, een braaf, even godsvruchtig als verdraagzaam man, beminnenswaard vooral door een schier kinderlijken eenvoud van gemoed, dien hij tot het laatst zijner dagen bewaarde.

Kort voor zijn overlijden, den 7en Februari 1892, in den leeftijd Van bijna 76 jaren, trof hem nog eene zware beproeving door het verlies van zijne lieve, trouwe gade, Vrouwe Johanna Petronella Servatius, met wie hij den 10en Juni 1841 was gehuwd. Meer dan eene halve eeuw hadden zij in een voorbeeldig gelukkigen, doch kinderloos gebleven echt lief en leed gedeeld, den strijd des levens tezamen gestreden. Zij ging van hem heen den 29en December 1891, binnen zes weken volgde hij haar in het graf, een slachtoffer der heerschende ziekte, maar geheel onbewust van den ernst van zijn toestand.

De Wal, die zich reeds in 1875 uit het openbaar leven had teruggetrokken, stierf in 1892 als een stil en vergeten burger. Eerst na zijn dood scheen men zich weder te herinneren, dat hij zich in de kracht zijns levens zeer verdienstelijk. had gemaakt jegens de wetenschap, waaraan hij zich van jongs af had gewijd, en zijn vaderland, dat hij innig lief had. Grelukkig, dat zijne werken dit ook aan volgende geslachten zullen verkondigen.

’s Grravenhage, 5 Maart 1892.

Het reddingwezen in Nederland

DOOR

M. C. VAN DOORN.

Met illustratiёn naar teekeningen van den schrijver en naar photographieёn.

(Slot van bladz. 172).

Behalve de reddingbooten vinden wij op alle stations, waar eene stranding dicht onder den wal kan verwacht worden, toestellen die bestemd zijn om door het werpen van lijnen, een verwijderd schip of wrak met den wal in gemeenschap te kunnen stellen. De Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij tracht dit doel te bereiken met vuurpijlen, die met behulp van een bok worden gericht. De vuurpijlbok bestaat uit eene van boven over de geheele lengte opene, plaatijzeren lade, die van achteren in een punt eindigt en waaraan met behulp van twee scharnierende pooten de verlangde helling kan gegeven worden. Voor het aflezen der helling bevindt zich tegen den buitenkant der Jade een wijzerplaat. In de lade wordt de vuurpijl gelegd, aan wier stok een sterke lijn van 450 meter lengte is verbonden. De ontsteking geschiedt met behulp van een patroon, die in een slot aan den anderen buitenkant der lade geplaatst wordt. Voor het gemakkelijk uitloopen der lijn is deze op eene bijzondere manier om pennen in een. kist opgeschoten, terwijl de kist onder een weinig helling achter den bok wordt geplaatst. De lijn, die men op deze wijze aan boord, van het in nood verkeerende schip tracht te krijgen, dient echter alleen om een steviger gemeenschapsmiddel aan te brengen. Eerst moeten de schipbreukelingen daarmede een wipper naar zich toe halen, waarvan het blok zoo hoog mogelijk aan den mast of in het want wordt vastgemaakt. Met den wipper, die nu als touw zonder eind dienst doet, wordt vervolgens een tros van den wal naar boord gehaald, die, na aan boord te zijn bevestigd, aan den wal stijf gezet wordt. De tros is van te voren door het blok van een reddingboei met broek geschoren, waarmede de schipbreukelingen met behulp van den wipper langs de tros aan wal kunnen gehaald worden.

Dat de pogingen om met lijnwerptoestellen schipbreukelingen van een wrak te halen dikwijls mislukken, zal ieder die den grilligen weg van een afgeschoten vuurpijl wel eens heeft opgemerkt, gereedelijk beseffen. Bovendien kan de huls barsten of de lijn breken, en zelfs met het beste materieel zal een kleinigheid oorzaak kunnen zijn, dat een schot mislukt. Door sommigen wordt de voorkeur gegeven aan lijnmortieren, waarmede een projectiel, waarin de lijn geheel of gedeeltelijk is opgerold of waaraan zij ook wel gewoon is bevestigd, wordt voortgeschoten. Deze toestellen geven wel meer zekerheid omtrent de richting, waarin men de lijn wil brengen, maar men kan er niet zulke groote afstanden mede bereiken als met vuurpijlen. Dat er nog al verschillend over deze werptoestellen gedacht wordt, bewijst het feit dat in Engeland, Duitschland en Denemarken uitsluitend vuur? pijlen en in Noord-Amerika en Frankrijk lijnwerpkanonnen worden gebruikt, terwijl bij ons de eene maatschappij aan vuurpijlen en de andere aan lijnmortieren de voorkeur geeft.

Voor de bediening en het onderhoud van het materieel gebruikt de maatschappij als vast bezoldigd personeel bootslieden, die de reddingboot besturen, en vuurpijlrichters. Een vast en goed geoefend stel roeiers zou wel om vele redenen wenschelijk zijn, maar aangezien daarvoor meestal zeelieden of visschers moeten genomen worden, die door hun bedrijf op het oogenblik eener stranding afwezig kunnen zijn, worden op de meeste stations voor eiken reddingstocht vrijwillige roeiers gebruikt. Echter behoort het tot de bemoeiingen der plaatselijke commissiёn, steeds te trachten een voldoend aantal geschikte personen in zooverre aan het reddingwerk verbonden te houden, dat in voorkomende gevallen altijd op een voldoend aantal bekwame roeiers kan gerekend worden. Op de stations, waar de strandbewoners minder gewend zijn om met sloepen te roeien, kunnen dan van tijd tot tijd oefeningen met de reddingboot worden gehouden, waarvoor dergelijke personen behoorlijk betaling ontvangen. Voor de reddingstochten worden aan de roeiers premiёn van 3 tot 10 gld. toegekend, af hankelijk van de moeielijkheden die aan de redding verbonden waren, terwijl de bootsman behalve deze premie nog het halve aandeel van een roeier ontvangt. Bij bijzonder moeielijke en gevaarlijke reddingen worden daarenboven nog getuigschriften en medailles door de maatschappij uitgereikt.

Vuurpijlbak met vuurpijlen voor het werpen van lijnen.

Laat ons thans overgaan tot de inrichting der zustervereeniging, de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen, die den 30sten November 1824 te Rotterdam werd opgericht. Haar ontstaan heeft zij grootendeels te danken aan het energiek optreden van Willem van Honten, wiens naam niet alleen door zijn ijver voor het reddingwezen, maar ook door zijne vele nuttige bemoeiingen op het gebied van handel en scheepvaart, bij de Rotterdamsche handelswereld zulk een goeden klank had. Hij is de man, die medegedongen heeft naar den Northumberlandprijs en die op de tentoonstelling in 1851 te Londen de eer zijner instelling en den roem van ons vaderland op dit gebied zoo goed wist te handhaven. Zijn model van een reddingboot toch verkreeg het 8ste nummer in de lange rij van inzendingen en dit wordt vooral van beteekenis, wanneer men bedenkt, dat hetzelfde model reeds in 1826 door de Royal Institution for the preservation of life from Shipwreck te Londen met de zilveren medaille was bekroond. De voornaamste hoedanigheden, die een boot tot redding van schipbreukelingen moet bezitten, waren dus reeds 25 jaar vroeger bij ons begrepen en toegepast.

Toestel voor het aan wal halen van schipbreukelingen.

Behalve Willem van Houten bestond het oprichtingscomité uit de heeren : Anthony van Hoboken, F. Smeer, N. M. Vink en John Veder, die in de eerste plaats circulaires in de provinciёn Zeeland en Zuid-Holland verspreidden, met aanzoek om geldelijke ondersteuning. Hoewel deze uitnoodigingen met vrij belangrijke giften werden beantwoord, waren de resultaten toch minder schitterend dan bij de Noord- en Zuid-Hollandsche maatschappij; doch toen men in 1831 op het practische denkbeeld kwam om zich, door het hefien van eene vrijwillige belasting van 1 cent per ton op alle binnenkomende schepen, van eene vrij aanzienlijke bijdrage ’s jaars te verzekeren, werd de finantiёele toestand weldra beter. De opbrengst dezer gelden viel zelfs zoo mede, dat reeds in 1846 de directeuren het hoogst aangename besluit konden nemen den edelen heeren donateurs dank te zeggen voor hunne verdere bijdragen. Deze handeling was echter wel wat overijld. Weldra bleek toch dat er geld te kort zou komen, om aan de steeds hooger loopende eischen van het reddingwezen te voldoen, en de ondervinding begon ook te leeren dat er in alle gevallen moeielijk geld genoeg kan wezen, om de onvermijdelijke rampen, die zelfs aan het beste reddingwezen zijn verbonden, eenigszins te lenigen. Later zien wij dan ook, dat weder om finantiёelen steun moest gevraagd worden, en tegenwoordig worden de geldmiddelen, die uit de rente van het vaste kapitaal, scheepsbijdragen, contributiёn en opbrengsten van bussen bestaan, nog gesteund door eene jaarlijksche subsidie van het rijk van 3000 gulden. Bovendien is de maatschappij door een afzonderlijk fonds in staat, eenige ondersteuning te verleenen aan de nagelaten betrekkingen van personen, die bij pogingen tot redding zijn omgekomen. Door testamentaire beschikking van mejuffrouw Ida Maria de Raath is namelijk in 1836 een groot gedeelte van haar vermogen, 100,000 gulden, tot een afzonderlijk fonds onder directie der maatschappij bestemd, waarvan de renten moeten strekken tot ondersteuning van de nagelaten betrekkingen van in de uitoefening van hun beroep noodlottig omgekomen Nederlandsche zeelieden. Zoo worden bijvoorbeeld sedert 1886 de weduwen van twee personen, die bij de stranding van de Annette waren omgekomen, uit dit fonds ondersteund.

Een tweede afzonderlijk fonds heeft de maatschappij te danken aan eene schenking van den heer Emile Robin te Parijs, mernbre du conseil de la sociéte centrale de sauvetage des naufragés. Deze gift werd in het najaar van 1880 ingeschreven op het grootboek der 2 % Nat. Werk. Schuld en geschiedde op de voorwaarde, dat de zuivere rente, ten bedrage van 250 gulden, door de maat-. schappij zal worden aangewend tot het; uitreiken eener jaarlijksche premie, onder den naam van Prix: Robin, van 200 gulden aan den Nederlandschen gezagvoerder, die volgens overtuiging van directeuren in het voorgaande jaar de geheele of gedeeltelijke équipage van een schip, onverschillig van welke natie, dat zich in dreigend gevaar ter zee bevond, zal hebben gered en van 50 gulden aan diens stuurman of aan de manschappen, die zich daarbij hebben onderscheiden. Waarlijk een schoon voorbeeld van liefdadigheid in ruimen zin, want behalve ons land werden ook Italiё, Duitschland, Zweden en Noorwegen, Spanje, Denemarken en Engeland met den Prix Robin begiftigd.6

Willem van Houten.
Oprichter der Zuidhollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen.

Het tegenwoordige bestuur der Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij, met den heer J. J. Marie van Heel als voorzitter, is te Rotterdam gevestigd, terwijl het plaatselijk beheer op de verschillende stations door agenten of correspondenten wordt uitgeoefend. Deze, houden het toezicht over de reddingsmiddelen, rapporteeren over alle strandingen, reddingen en verdere bizonderheden aan het hoofdbestuur, dragen premiёn en belooningen voor en behartigen zooveel mogelijk de belangen van de maatschappij. Voor het besturen der reddingbooten en het bedienen der lijnwerptoestellen is weder een vast bezoldigd personeel aangewezen, terwijl ook op de meeste stations. vast bezoldigde roeiers konden aangesteld worden, die zoo noodig door vrijwilligers worden aangevuld. Bij het kiezen van personeel wordt vooral gelet op personen, die door hun tegenwoordigen of vroegeren werkkring voor het reddingwerk bekwaam en geschikt zijn. Zoo vinden wij bijvoorbeeld aan den Hoek van Holland, te Hellevoetsluis en te Vlissingen het bedieningspersoneel gevormd uit vrijwilligers van het loodswezen, terwijl voor de bediening van den lijnwerpmortier te Ter Heijde de gemeenteveldwachters, gewezen militairen, zijn aangewezen.

Reddingboot der Zuidhollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen. Naar een photographie vervaardigd op de Veiligheidstentoonstelling van 1890.

Op de meeste stations veroorlooft de plaatselijke gesteldheid het gebruik van zelfrichtende reddingbooten; alleen te Ter Heijde, ’s Gravezande en Ouddorp worden de platte strandbooten van het Noord-Hollandsche model gebruikt. De zelfrichtende reddingbooten zijn allen van dezelfde grootte, flang over steven 9,40 M., wijd 2,54 M., hol 1,13 M.) en worden hoofdzakelijk onder zeil gebruikt. Een bemanning van 1 schipper en 4 matrozen is dan voldoende. Behalve de reddingboot te Vlissingen, die van Engelsche constructie is, zijn zij allen vervaardigd door den scheepsbouwmeester J. Pijl Pz. te Botterdam en in hoofdzaak gelijk aan de zelfrichtende reddingboot, die te Nieuwediep wordt gebruikt. Even als daar, zijn de noodige contracten gemaakt met de sleepbootreederijen, om bij alle voorkomende gelegenheden de reddingbooten naar de stranding-plaatsen en zoo noodig naar eene veilige haven terug te sleepen. Te Brielle verleent de stoomboot van den torpedodienst. desgevorderd hulp.

Vroeger kon met de reddingbooten alleen geroeid worden, terwijl ook minder op assistentie door sleepbooten kon gerekend worden. Bij strandingen op de Zeeuwsche banken was het dan dikwijls uiterst moeilijk, om op zulke groote afstanden de schepen te bereiken; daarom waren toen te Zierikzee twee vaartuigen gestationneerd, de kotter Willem van Houten en de schokker Zierikzee. Deze hadden in last de zeegaten en buitenbanken te bekruisen, alles aan te wenden waardoor schipbreuken konden voorkomen worden en assistentie te verleenen bij het aan. den grond raken van schepen en het redden van schipbreukelingen. Tegenwoordig, nu de reddingbooten onder zeil en met behulp van sleepbooten de gestrande schepen beter kunnen bereiken en ook de dienst van het loodswezen in vergelijking van vroeger veel beter geregeld is, bestaat er aan deze vaartuigen geen behoefte meer en is het station Zieriksee opgeheven.

Reddingboot met toebehooren der Noord- en Zuidhollandsche Reddingmaatschappij.
Naar een photographie, vervaardigd op de Veiligheidstentoonstelling in 1890 te Amsterdam gehouden.

Voor het werpen van lijnen worden zoowel vuurpijltoestellen als mortieren gebruikt. De eerste zijn dezelfde als die, welke bij de zustervereeniging in gebruik zijn, terwijl voor de laatste bronzen mortieren zijn genomen van 14 cM. middellijn (model Coehoorn-mortier van de marine), waaruit een volle kogel met ladingen van 0,3 en 0,4 kg. buskruit geschoten wordt.

Voor het gemakkelijk uitloopen is de lijn weder in een houten bak met lange bochten rondom pennen opgeschoten, terwijl ze verder door de monding van het mortier naar den kogel loopt, waaraan ze met een schroefoogje is vastgehecht. Afstanden van 300 à 400 meter kunnen met deze toestellen worden bereikt.

Overigens zijn op elk station de noodige reddinggordels aanwezig, terwijl te Botterdam de zelfrichtende en waterloozende reddingboot Prins Hendrik in reserve is, om terstond voor een der op de stations geplaatste reddingbooten te kunnen invallen.

De derde maatschappij werd in 1880 te Harlingen opgericht, met het doel om, in geval van ongelukken aan schepen en vaartuigen nabij Harlingen, het leven der opvarenden te redden. De commissaris des konings in Friesland, mr. Binnert Philip baron van Harinxma thoe Slooten, is beschermheer, terwijl het bestuur uit vijf leden bestaat. Bovendien zijn drie commissarissen, wier voorzitter de burgemeester van Harlingen is, met het toezicht belast. De reddingboot, een geschenk van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij, heeft een vaste gesalarieerde bemanning, bestaande uit een schipper, een loods en acht roeiers, en staat steeds tot gebruik gereed in een schuur nabij de nieuwe Willemshaven te Harlingen.

Eindelijk kunnen nog als reddingsmiddelen worden aangemerkt de vluchthuisjes of zoogenaamde reddingkapen, die van regeeringswege op sommige droogvallende banken zijn geplaatst, terwijl verder door de regeling der kustwacht, die in Februari 1886 door de ministers van Marine en Waterstaat werd vastgesteld, de zaak van het reddingwezen gesteund wordt.

En nu de vraag: is ons reddingwezen op de hoogte van den tijd? Het antwoord hierop vinden wij in het verslag van de commissie, die in 1889 van de regeering de opdracht ontving om een onderzoek in te stellen naar den toestand van het reddingwezen hier te lande. Deze commissie, bestaande uit de heeren J. C. de Ruyter de Wildt, kapitein ter zee titulair, inspecteur over het Loodswezen, E. R. van Welderen baron Rengers, hoofdcommies bij het departement van Waterstaat, Handel en Nij verheid en Gr. F. Tydeman, luitenant ter zee 1° klasse, heeft als haar gevoelen te kennen gegeven, dat de toestand over het algemeen gunstig mag genoemd worden, terwijl uit het vergelijkend overzicht van de inrichtingen tot redding van schipbreukelingen, die ook in andere landen worden gevonden, genoegzaam blijkt, dat wij op dit gebied niet bij den vreemdeling ten achter staan.

Terecht merkt de commissie echter op: dat finantiёele steun van den kant van het Nederlandsche volk steeds zeer gewenscht blijft, omdat, al moge op eenig oogenblik zoodanige steun niet dringend noodig zijn, het om vele redenen wenschelijker is, de belangstelling voortdurend levendig te houden, dan te eeniger tijd genoodzaakt te zijn die op nieuw te moeten opwekken.

Bij het reddingwezen valt toch steeds te verbeteren, want een ideale toestand is moeielijk te bereiken. Wel altijd zullen zich omstandigheden voordoen, waarbij de menschelijke kracht te kort schiet, en men bedenke dus wel, dat de maatschappijen slechts er naar kunnen streven om die gevallen tot een minimum te beperken. En welk een schoone uitbreiding kan aan dit werk der liefdadigheid niet gegeven worden, wanneer de onvermijdelijke rampen, die aan het reddingwezen zijn verbonden, uit een ruime beurs kunnen gelenigd worden !

EEN PIJNLIJK BEZOEK.

Naar het Duitsch van ANNIE BOCK.

Een huurhuis in zoo’n groote stad als Berlijn kan men bijna vergelijken met een apenbroodboom in de tropische gewesten, zooals die in reisbeschrijvingen wordt afgeschilderd. Daar zijn de verschillende woningen verdiepingen en halve verdiepingen, hier zijn het takken en twijgen. Op de onderste takken bouwen de rijken vroolijk hun hangende tuinen, terwijl de armeren reeds hooger op en de allerarmsten tot in de dakkamertjes of den top van den boom moeten klimmen. Het is een heen en weer geklim zonder einde, en gedurig komt men elkaar tegen op den Stam van den boom of de trap van het huis, die rijk en arm samen moeten deelen. Hoe verschilt het lot van de velen, die daar vereertigd onder één dak en toch zoo ver van elkaar verwijderd zijn, alsof gapende kloven en afgronden tusschen hen lagen.

In zulk een huis zag ik eens een in zeer bescheiden omstandigheden levend echtpaar, een ambtenaartje en zijn vrouw, een bezoek brengen bij den chef van den man… en diens echtgenoote, zeer rijke lieden. Zij interesseerden mij, en toen ik de vrouw zag, met haar zeker reeds tweemaal geverfde japon, met de weinige goedkoope bloemen op den hoed en hare handen geperst in glacé handschoenen met twee knoopjes, taxeerde ik hen op bewoners van een halve vierde verdieping op een anderen „apenbroodboom”.

Zij gingen naar de rijke lieden, om ze met den een of anderen feestdag te feliciteeren.

In een huurrijtuig reden zij weg, waarschijnlijk om hun „beste” kleeren en schoenen niet vuil te makeri, want het regende hard.

Toen zij in de vestibule waren, schudde de vrouw zorgvuldig de plooien van haar armelijke japon glad, en de man streek, voorzichtig met zijn mouw over zijn niet meer al te nieuwen hoogen hoed.

Ik kan geen beter bijvoegelijk naamwoord vinden voor deze soort treurig fatsoenlijke armoede, dan het Engelsche „shabby-genteel”.

Shabby-genteel waren zij beiden van het hoofd tot de voeten, de vrouw zoowel als de man. Ieder hunner droeg een netjes in wit papier gepakt pakje. Het eene had den stijven vorm van een langwerpige kartonnen doos en bevatte waarschijnlijk een stuk speelgoed. In het andere bevond zich een zakje bonbons, die de vrouw zelf eens ten geschenke had gekregen. Maar hoe zou zij het hebben kunnen wagen, deze heerlijkheden zelf op te eten! Neen, dat was niets voor haar… en bovendien… toen zij het. had gekregen, dacht zij bij zich zelve: „wie weet, of wij niet eens iemand iets moeten geven… daar zou het heel goed voor zijn…” en daarom werd het zorgvuldig opgeborgen, en toen nu dit noodzakelijke felicitatie-bezoek ter sprake kwam, had de vrouw met van opgewondenheid bevende handen het zakje uit het papier genomen — dat kostbare zakje! het was van zijde-papier — en had het aan haar man laten zien. Dat wilde zij meenemen als een kleine attentie. Zij waren immers al zoo dikwijls te gast geweest in het deftige huis !

Met de grootste omzichtigheid werd het zakje open gemaakt en had zij het visitekaartje, dat er nog in lag, eruit genomen, en nu zouden vandaag die heerlijkheden eindelijk in handen komen van iemand, die zich de ongehoorde weelde kon veroorloven, ze ook op te eten.

Voor de deur der woning aangekomen, deed de vrouw eerst het papier van de kartonnen doos af en onderzocht of de hoeken niet platgedrukt of vuil geworden waren; toen bekeek zij de doos een oogenblik, alsof zij bij zich zelve overlegde of het zich daarin bevindende voorwerp wel nutteloos genoeg was, om als artikel van weelde te kunnen gelden; want in hare eenvoudigheid vond zij dat onbruikbaar en kostbaar dezelfde beteekenis hadden; eindelijk kwam zij tot de slotsom dat hun geschenk aan onnoodigheid werkelijk niets te wenschen overliet, en glimlachte tevreden tegen haar man.

„Het is fatsoenlijk”, — zeide zij op de doos wijzend.

„Zeer fatsoenlijk !” stemde hij toe.

En beiden vonden door het woord „fatsoenlijk” hun eigenliefde bevredigd.

Hierop trok de vrouw het goedkoope zijden lint van haar hoed nog eens terecht, streek de korte handschoenen glad Om hare polsen en schelde aan.

De schel had dien eigenaardigen luiden, helderen klank, die een eigenschap is van de schellen van deftige woningen.

De deur werd dadelijk geopend door een knecht, die mijnheer en mevrouw verzocht binnen te komen en hen van hun pakjes wilde ontlasten. Maar neen zij gaven ze niet af, zij wilden ze bij hun binnenkomen in den salon zelf in de hand houden. Zij werden aangediend en gingen naar binnen ….

Een elegante dame richtte zich bij hun komst op uit haar gemakkelijken stoel, kwam hen een paar schreden te gemoet, om hen te begroeten en ging toen weer zitten met een lichten glimlach en een uitnoodigende beweging harer hand om plaats te nemen.

Maar zij gingen naar haar toe en boden haar de geschenken aan.

Zij glimlachte weer, schudde het hoofd, nam de pakjes aan, zette een verbaasd gezicht en zeide :

„O! o! wat is dat? ’t Is heel vriendelijk van u, maar in ’t geheel niet noodig!”

Maar zij deed de pakjes niet open.

Toen zij bemerkte, dat dit de vrouw blijkbaar speet, schelde zij, het zich een schaar brengen en knipte de netjes vastgeknoopte touwtjes door. Het eene pakje bevatte het zakje met bonbons, het andere een haas van papiermaché, als boerin gekleed met een witten halsdoek, een rood rokje en klompjes, eveneens met bonbons gevuld.

Op het gezicht van den haas glimlachte de dame vriendelijk.

„Voor Baby! Och, wat zal zij blij zijn! Maar” — en zij dreigde lachend met den vinger, — „gij verwent haar erg.”

Na deze woorden volgde een ‘ oogenblik van stilte.

De eenvoudige vrouw in de geverfde japon voelde, dat zij iets moest zeggen; zij werd erg rood en verlegen.

„Och, mevrouw,” sprak zij eindelijk, „wij hebben immers zoo dikwijls bij u gedineerd!”….

Nauwelijks waren de woorden er uit of zij voelde zelf, dat zij onhandig en in ’t geheel niet waardig hadden geklonken. Bovendien ontmoette zij de oogen van haren man, die haar minachtend aankeek en meteen scheen op te merken hoe grof en rood zij er uitzag, terwijl de andere dame slank, gracieus en bleek in haren stoel achterover leunde, hare oogen half dichtkneep, wanneer zij met iemand sprak en hare eene hand het spelen met den schitterenden juweelen ring der andere.

De man voelde, dat het nu zijn beurt was iets te zeggen.

„En hoe maakt mijnheer Von Kaltern het?” vroeg hij. „Ik heb in lang niet…. het genoegen gehad …”

„Mijn man is tegenwoordig dikwijls op reis, hij is een hartstochtelijk jager,” antwoordde de elegante dame beleefd, en gedurende den tijd van het bezoek bleef het fijne, stereotype glimlachje op haar gelaat.

*  *
*

Toen de twee bezoekers weer op straat waren en in een vigelante gestegen waren, legde de vrouw haar korte breede hand op die van den man.

„Je kunt zeggen wat je wilt,” begon zij — „maar ik zou toch niet graag elke week daar een visite maken. Het is er akelig mooi.”

„Ja…. ja,” antwoordde de man, „maar je opmerking straks was niet bepaald. …”

„Ja, dat weet ik wel,” viel zij hem snel in de rede, „maar, zie je, als men zooveel te doen heeft en haast nooit uitgaat…. dan. …”

„Ja,” zuchtte hij, „het is heel begrijpelijk.”

„Geloof je ten minste, dat zij blij was met die dingen?” begon de vrouw opnieuw.

„Hm!” was het eenige antwoord.

„Och ja, zeker wel! Die haas was dan ook zoo beelderig —” troostte zij zichzelf.

En toen na een kleine pauze:

„Heb je die gordijnen goed bekeken? Lichtgele zijde! Lieve hemel! Ik zou zoo iets niet in mijn salon willen hebben. Stel je toch voor, hóe gauw dat vuil moet worden! Zoo licht geel!” En zij schudde afkeurend het hoofd.

„Ja, ja,” zeide de man, „je hebt gelijk, het zal wel heel gauw vuil wórden.”

En terwijl zij door het gehots van de vigelante nu eens tegen elkaar aan, dan weer van elkaar afvlogen, en terwijl zij nog steeds nadacht over de ongehoorde weelde van lichtgele zijden gordijnen, keek hij van ter zijde naar haar grof gelaat, haar roode oogleden, haar breed, in een slecht corset geperst figuur….

En met bittere hopeloosheid dacht hij aan elegante, slanke, schoone, geparfumeerde vrouwen, die buiten zijn gezichtskring leefden en voor hem niet bestonden…. neen, nooit!

Vandaag had het zien van den rijkdom van anderen hem een steek in ’t hart gegeven, en mismoedig en verbitterd keerde hij naar huis terug.

VERSCHEIDENHEID.

De padvinders in Indiё.

De voornaamste rijkdom der inboorlingen van Indiё, in het bijzonder aan de groote rivieren, den Indus en den Ganges, bestaat in kudden vee. Geen wonder dus dat roof van paarden en koeien tot de dagelijks voorkomende dingen behooren. Wordt de dief niet terstond vervolgd, dan is het niet mogelijk dat de eigenaar „ooit den staart van het beest terugziet”, zooals de Indiёrs zeggen, tenzij men zich wendt tot een padvinder. Deze padvinders zijn de schrik niet alleen van alle dieven, maar ook van alle andere misdadigers. Evenals alle andere beroepen en bedrijven, is ook dat van padvinder tot eene kaste beperkthet gaat steeds van den vader op den zoon over. Er zijn padvinder-families, die een stamboom kunnen toonen, waar menige adellijke in Europa van zou watertanden.

De Khoji, d. w. z. zoeker of vervolger, wordt reeds als kind meegenomen op de jacht naar misdadigers en zeer zorgvuldig voor zijn toekomstig bedrijf ontwikkeld. Zijn vindingrijkheid en weerstandsvermogen zijn verbazingwekkend. Een bekwame Khoji ziet uit bijna onzichtbare sporen, op welke wijze de vervolgde is gevlucht, waar hij gerust heeft en hoe lang, of hij vermoeid is, wat. hij meevoert en duizenderlei andere dingen. Onlangs, zoo vertelt een berichtgever in de Kölnische Zeitung, was ik in de gelegenheid zulk een Khoji aan het werk te zien. Des nachts was onze wasch gestolen en dit was eene geschikte gelegenheid om mij te overtuigen van de betrouwbaarheid der verhalen over de Khoji in omloop. Het spoor van den dief werd gevonden en nu had er eene ware jacht plaats, sporen volgend, die mijne goede oogen niet konden ontdekken. „Hier”, zei de Khoji, terwijl hij op een bijna onmerkbaar spoor wees, „heeft de dief gerust; hij heeft twee bundels bij zich. Hier heeft hij zich een weinig langer opgehouden en gerookt”. Ten bewijze van dit laatste toonde hij mij een weinig asch, dat slechts het oog van een Khoji kon ontdekken. Wij volgden den ganschen dag het spoor en haalden werkelyk tegen den avond den dief in, die zich reeds in veiligheid waande.

Veelal gaat de vervolging met grootere bezwaren gepaard; want is de Khoji geslepen, de dief is gewoonlijk ook niet van gisteren en deze doet alles om den padvinder te misleiden. Nadat hij een eind te voet heeft afgelegd, wikkelt hij zijne voeten in lappen, rijdt eenigen tijd op een os, gaat weêr een eind terug of steekt een riviertje over. Doch een goed padvinder laat zich door zulke kunststukjes niet in de war brengen, evenmin als hij terugschrikt voor een verren afstand.

Onlangs vervolgde een Khoji een moordenaar driehonderd mijlen ver en vond dezen eindelijk in eene dorpsgevangenis; men had hem in het dorp op een kleinen diefstal betrapt. Het komt dikwijls voor dat moordenaars kleine diefstallen plegen om zich aan de vervolging van den Khoji en aan eene grootere straf te onttrekken.

Menige Khoji is bekend om zijne plaatskennis; ook kent hij de sporen van alle menschen binnen een zekeren omtrek, en herkent hen precies zooals wij de menschen aan het gelaat herkennen.

Op zekeren dag werden bij den Maharajah van Kapurthala eenige kleinoodiёn gestolen. Men het den Khoji komen, die zonder. eenige aarzeling een man als den dader aanwees; en inderdaad vond men dien man juist bezig de gestolen schatten in veiligheid te brengen.

Een anderen keer had een padvinder het spoor van een misdadiger tot aan den oever van den Biasvloed vervolgd. Daar raakte hij het spoor bijster; de Maharajah was kort te voren den vloed overgetrokken met tweehonderd man en de sluwe misdadiger had zich bij die menigte aangesloten. Onder zoovele voetindrukken was het bijna onmogelijk het tot hiertoe gevolgde spoor terug te vinden. Toch wilde de Khoji de vervolging niet opgeven. Om zich het spoor nog beter in te prenten, ging hij eenige mijlen terug, keerde weer naar den oever, het zich overzetten en vond werkelijk onder de meer dan tweehonderd indrukken het spoor van den vervolgde, dien hij na eene vervolging van meer dan acht dagen aan den rechter overleverde.

In Kapurtha woont een Khoji, die jaren geleden verlamde en nu te paard, met een langen stok gewapend, zijn bedrijf uitoefent en de schrik der boeren is. De verlamming was het gevolg van vergiftiging. De Khoji is natuurlijk zijn leven nooit zeker.

Bij het achterna zetten van gestolen vee weet de Khoji beslist te zeggen of het gedreven of bereden werd. Zijn de indrukken van de achterpooten het diepste dan is het bereden; want de inboorlingen zitten niet in het midden, maar eenigszins naar achteren. Was het vee beladen dan staan de sporen dicht bij elkaar, want hun stap was natuurlijk langzamer, dan wanneer het eenvoudig werd gedreven enz. „Wat niemand ziet, ziet een Khoji”, zegt dan ook een Indisch spreekwoord.

Gekleurde fonteinen.

Het was te verwachten, na het groote succes dat de gekleurde fonteinen op het tentoonstellingsterrein te Parijs hebben gebad, dat van deze vinding de industrie zich zou meester maken om de tafels in de salons te voorzien van deze zoo elegante versiering. Wie daarbij heeft verwacht dat de heer Trouvé, de man aan wien men in ’t gezin en in de schouwburgen zoovele toepassingen van den electrischen stroom dankt, de man zou zijn die deze toepassing den stoot zou geven, heeft zich niet bedrogen.

Onze figuren stellen een door hem ontworpen fontein voor, zooals die in het donker en bij klaarlichten dag zich voordoet: een lichtgevende tafel- en salonfontein met veranderende kleuren.

Om een voldoend sterke verlichting mogelijk te maken, heeft men in de samenstelling vele onderdeelen, die schaduw zouden kunnen werpen, moeten vermijden, zoodat de waterstralen in hunnen ganschen omvang en over hunne gansche hoogte zijn gehuld in den lichtbundel.

Zulk een fontein bestaat uit twee gedeelten: den bak, die het water bevat met den toestel om dit saam te persen, en den verlichtings-toestel.

Eerstgenoemde is een cilindervormige metalen vaas, van buiten omgeven door een bronzen versiering. De bodem daarvan is kegelvormig naar binnen gebogen en in zijn midden is een met een schroef of een gewone kurk gesloten gat, dat dient om den bak te vullen. De samenpersing van het water geschiedt door middel van een koperen buis, die, door den bodem van den bak gaande, met zijn eene uiteinde mondt boven de oppervlakte van het water en met het andere uitloopt in een peer van caoutchouc, die men met de hand of den voet kan samendrukken. Door de drukking van de aldus samengeperste lucht op zijn oppervlakte, stijgt het water op in een andere koperen buis, die door de bovenwand van den bak gaat en uitmondt in een glazen, aan de bovenzijde van gaatjes voorziene klok, waardoor het vrij opspringt tot op eene aan de samenpersing evenredige hoogte. In een elegante schaal wordt dit water opgevangen; om het wederom in den bak terug te voeren behoeft men slechts met samenpersen op te houden en de buis te openen, waardoor de schaal met deze in verband staat.

De toestel, die dient om het opgeworpen water te verlichten, bevindt zich binnen de glazen klok. Hij beslaat enkel uit een gloeilamp van eene, aan de grootte der fontein geёvenredigde lichtsterkte, in het brandpunt van een parabolischen reflector, die een evenwijdigen stralenbundel omhoog zendt; een uit verschillende gekleurde glazen bestaand draaibaar of verschuifbaar schermpje dient om aan het opgeworpen water de gewenschte kleurschakeeringen te geven.

Het regen maken.

Newcomb, de beroemde directeur van de sterrewacht te Washington, heeft in een van de voornaamste amerikaansche tijdschriften een soort van manifest uitgevaardigd tegen den kunstmatigen regen. Toch gaat men desalniettemin ijverig voort met het nemen van proeven, onder anderen naar het systeem van iemand die meent,. dat het niet voldoende is in de lucht schokken voort te brengen. Men moet tegelijker tijd een stofwolk in den dampkring blazen; want evenals men te Londen de vorming van den mist toeschrijft aan de aanwezigheid van tallooze kooldeeltjes in de atmosfeer, zullen ook die stofjes er het hunne toe bijbrengen om damp tot water te condenseeren.

Gekleurde fonteinen.

Bij deze nieuwe proeven zijn de daartoe gebezigde ballons niet slechts voorzien van met dynamiet geladen patronen, maar deze bevatten ook roet of eene andere daarmede overeenkomstige zelfstandigheid. Het zou voorbarig zijn eenig succes aan deze nieuwe, wel wat excentrieke, uitvinding te waarborgen; toch komt een onbepaald wantrouwen evenmin te pas in zaken, waarover men eigenlijk zeggen kan, dat de ondervinding als hoogste rechter uitspraak doen moet.

Zoo denken er ook de Amerikanen over; ten minste in het verre Westen is eene „Algemeene maatschappij voor kunstmatigen regen” opgericht; als wij hare tarieven en prospectussen kunnen machtig worden zullen wij die onzen lezers mededeelen, ten einde hen in staat te stellen om te beoordeelen, in hoeverre zij hun geld zullen beleggen in kunstmatig regenwater.

Een fraaie voorjaarsbloem.

Van de verschillende Phlox-soorten kennen de meeste bloemliefhebbers alleen de zomer-phlox (Phlox Brummondi) en de overblijvende soort (Phlox decussata). De zoo schoone voorjaarsphloxen bijv. Ph. divaricata, Nelsoni, verna, enz., zijn bij de meesten onbekend. Een der allerfraaiste en dankbaarst bloeiende phloxen is Phlox Nelsoni, die laag en zodevormend groeit en in Mei zoo dicht met bloemen bedekt is, dat daardoor zelfs de stengels en bladeren aan het oog worden onttrokken. De bloemen zijn wit. Deze plant is zeer geschikt voor randen van bloembedden; ook maakt zij een goed effect op bloembedden of wanneer men haar in groepjes plant. Zij verlangt een zonnige plaats, groeit ook wel in de schaduw, maar volstrekt niet onder boomen. Daar de planten nog al duur zijn — de 10 stuks kosten ongeveer f 1,80 — doet men het best ze zelf, wanneer men er eerst eenige exemplaren van bezit, verder te kweeken. Binnen 2 à 3 jaren heeft men dan eenige honderden. Men heeft daarvoor niets anders te doen dan de op den grond liggende stengels, die wortels hebben gemaakt, in den herfst af te snijden en te verplanten.

Hoe de Franschen lachend de waarheid zeggen.

La Lumière Électrique, een Parijsch weekblad, verhaalt hoe in de zitting van de Académie des Sciences, van Maandag 15 Februari, een der leden een vraag stelde, die alleen uit Amerika kon worden beantwoord. Toen den volgenden morgen de bladen den Parijzenaars die vraag mededeelden, gaven zij tegelijk het in den nacht van de overzijde van den oceaan overgeseinde antwoord.

Deze mededeeling nu laat het blad voorafgaan door deze opmerking:

„De Academie van wetenschappen is nog niet wetenschappelijk verlicht, wat niet te verwonderen is, daar het gas er pas tien jaren geleden de klassieke waskaarsen heeft vervangen, die dagteekenden uit den tijd van den abbé Duhamel, toen de Academie nog in het Louvre vergaderde. Toch kan men zonder eenige overdrijving zeggen, dat de materiёele conditiёn der zittingen door de vorderingen van de electriciteits-leer gewijzigd zijn.”

VERBETERING.

Een onzer lezers maakt ons opmerkzaam op een misstelling in ons vorig nommer ingeslopen, blz. 176, 2de kolom, reg. 3 v. b.

Daar is nl. sprake van een half uur. Zooals ook uit het vervolg blijkt, moet dit zijn een halve minuut.

1 Met voorkennis van den dichter vertaald uit den nog onuitgegeven fabelbundel van Alex. Wladimiroff.

2 De vriendschap, die de Wal verbond aan Prof. C. Star Numan, droeg hij in ruime mate over op diens zoon, zijn zeer geliefden leerling, den heer Mr. O. W. Star Numan, griffier der Eerste Kamer van de Staten Géneraal, curator der Leidsche academie, aan wiens hoog gewaardeerde welwillendheid ik menige opgave voor dit woord van herinnering dank.

3 De titel van zijn onder het rectoraat van Prof. B. H. Lulofs verdedigd academisch proefschrift was: Disquisitio historica de juris civilis docendi discendique via ac ratione apvd Romanos.

4 Hij sprak namelijk den 8sten Februari 1861 bij de overdracht van het rectoraat de muneris rectoris magniflci origine ejusque creandi ratione diversis temporibus ac locis diversa.

5 Namelijk in zijne intreerede te Groningen (10 Oct. 1821) de historia juris criminalis errorum humani ingenii teste, prudentiae civilis magistra.

6 In 1890 schonk de heer Emile Robin ook aan de N. en Z.-Holl. Reddingmaatschappij een kapitaal ingeschreven op het Grootboek der Nationale schuld, groot veertien duizend gulden, onder bepaling dat de renten zullen moeten aangewend worden tot het plaatsen op eene geaccrediteerde spaarbank, van een som groot 50 gulden voor iedere minderjarige dochter der bij hun overlijden in dienst dier maatschappij zijnde zeelieden, welke som met de opgeloopen renten aan haar bij meerderjarigheid zal worden uitbetaald.