NAAR HUIS.

DOOR

TH. V. M.

Het was een warme dag in het laatst van de maand September. De hemel was donkerblauw zonder een enkelen nevel; des morgens vroeg hadden zij om de zon heen gedanst, die kleine, lichte, donzige wolkjes, maar al dartelend waren zij onmerkbaar verdwenen, opgelost in de reine, fijne dampkringslucht, zij hadden geleefd en genoten en het sterven niet gevoeld. En nu was het zóó stil, zóó rustig, zóó vredig onder het zware geboomte in den Kurgarten te Neudorf in het Eifelgebergte, dat men niet hoefde te twijfelen, of de herfst was daar, de herfst, die vele schoone dagen brengen zou. Zulk een wachtende stilte geeft de zomer niet en veel minder de lente, alleen het najaar stort dien zwijgenden vrede over de aarde uit. De schaduw teekende zich in onbewegelijke lijnen op het witte kiezelzand der breede paden en ’t was, alsof de bedienden, die de „Nachmittagkaffee” op de vele kleine tafeltjes begonnen gereed te zetten, onwillekeurig zachter liepen en praatten, dan gewoonlijk het geval was zoolang de badgasten nog in hunne appartementen de voorgeschreven of zelfgezochte rust genoten.

Echter werd hier en daar reeds eene enkele deur geopend van het groote badhuis en menige gestalte, die des morgens vroeg, bibberend en rillend, het verplichte glas bronwater was komen drinken, en ondanks den liefelijken, nog zoo krachtigen zonneschijn maar niet warm had kunnen worden, trad nu naar buiten, met plaid of shawl lós over den arm hangend en zocht, na langzaam en meest met slependen gang een eindje te hebben omgewandeld, het gewone koele plekje, om er de stille, lange namiddaguren te slijten.

De groote tuin stond nog in vollen bloei en was zeer smaakvol. aangelegd; wie die prachtige, veelkleurige, sierlijke. en toch in zoo zachte nuancen prijkende perken, die groepen van weelderige heesters, waaronder vele exotische gewassen, die frissche, klaterende fontein te midden van de schoonste klimplanten voor het eerst zag, werd niet teleurgesteld in de verwachting, welke bij hem opgewekt was toen hij aan den ingang van het park de woorden las: Blumen giebt uns die Natur, die Kunst webt sie zum Kranze. Zóó de tuin, die aan drie zijden gelukkig niet toegemetseld was met huizen en andere gebouwen, maar een zeer vrij uitzicht liet op de bergen daar in de verte; de bergen, welke, het dal beschutten tegen de ijzige noordenwinden, die het als met bewarende en beschermende zorg insloten; de bergen, die weerklonken van het weemoedige lied van den eenzamen herder en van de vroolijke zangen der landlieden, die den wijnoogst binnenhaalden; de bergen, die naar boven wezen en, in wezenlijken, maar ook in figuurlijken zin, voor zoo menigeen een excelsior in de wolken schreven. Daar, plotseling, steeg eene vlucht trekvogels op en verbrak de diepe stilte; dat was daar op eens een gekweel, een gefladder, een gesnater en geschater, vol hoop, vol blijdschap, vol verlangen. Ja, er viel niet aan te twijfelen, zij hadden elkander hier rendez-vous gegeven en nu ging de vroolijke vaart aan tegen het bijna onmerkbaar ruisehende, zachte zuidenwindje in, het Vaderland te gemoet! Hoog verhieven zij zich boven de blinkende spits van de kleine Evangelische Kerk, zwakker. en zwakker werd het geklap wiek, flauwer en flauwer het blijde gesjilp en……. reeds waren zij uren ver heen naar hun land van belofte.

Die vroolijke afreis scheen de trekvogels daar beneden ook plotseling gewekt en bezield te hebben; de tuin stroomde vol, spoedig waren alle tafeltjes bezet en reeds verschenen met loomen, onverschilligen tred, de een na den ander, de leden van het militaire orchest uit de naburige stad, uit Coblentz, om het gewone namiddag-concert te geven.

Zij legden hunne instrumenten in de sierlijke muziektent neder om dan, al rookende en pratende, nog een kwartiertje den fraaien tuin door te slenteren, waar hunne welgedane, blozende gezichten, hunne krachtige leden en hunne volle, flinke stemmen hier en daar pijnlijke contrasten vormden met de bleeke, vervallen trekken, de magere, wankelende gestalten, de zwakke, heesche geluiden van zoo velen, die genieten zouden van hun talent, of die zich ten minste zouden verbeelden met genoegen naar de muziek te luisteren. Maar noch de een, noch de ander echter dacht daaraan.

Niet allen evenwel waren lijdend, die daar zaten of wandelden; ook menige gezonde, die een zwakken vriend of eene zieke bloedverwante in den vreemde vergezelde, liep daar schertsend rond; zelfs een enkel jongehuwd paar bemerkte men, dat op de huwelijksreis de nog niet lang bekende badplaats toch ook had willen zien, en dat niet in het Kurhaus maar in het groote, fraaie hôtel was afgestapt en nu hier het concert kwam bijwonen, maar dat toch zeker morgen wel weer naar vroolijker plaatsen zou afreizen, waar het beeld of liever de schaduw van den dood zich gewoonlijk meer op beleefden, door de vormen der wellevendheid vereischten, afstand houdt.

Daar aan het einde van een geheele rij bleeke, verwelkte gezichten, waaronder zelfs vele nog jeugdige en voorheen bevallige kopjes door de gevreesde ziekte geteekend waren, maar die allen zonder onderscheid hier de verloren gezondheid weer moesten vinden, zat een heer alleen aan een tafeltje zijn koffie te drinken.

Hij behoorde zeer zeker niet tot de badgasten, want zijn aangenaam frisch gelaat, zijne levendige, vriendelijke, donkere oogen, de kennelijk uit het hart komende onbezorgde groet, dien hij nu en dan met een beweging der hand, welke een breeden gouden ring droeg, of soms ook vergezeld van een kort woord een vriend of bekende toewierp, konden slechts van een frisschen geest en een zeer gezond lichaam uitgaan. En dat was dan ook het geval.

De heer Adeler was een ingezetene van den Haag, adjunct-archivaris en tevens verslaggever van de meest gelezen Hollandsche nieuwsbladen, maar ondanks dat alles lang geen boekenwurm. En juist dat hij journalist was, maakte, dat hij hier het leven aan deze nog niet lang geopende, maar reeds zeer gerenommeerde badplaats aandachtig had bestudeerd en heel ijverig zijne notities had gemaakt. Er kwam echter nog wel wat anders bij ook, al wilde hij het zich zelven niet recht en aan anderen volstrekt niet bekennen. Er kwam dit bij: hij had er wel eens uit gewild. hij was jong, te jong getrouwd, meenden zijne vrienden, zijne zusters en soms hij zelf ook, vooral omdat hij het zoo dikwijls had moeten hooren. Hij had eene heel lieve vrouw en vier allerliefste kindertjes, maar juist door al deze ketenen vol bekoorlijkheid was hij zeer aan zijn werk en daardoor aan zijn huis gebonden, zoodat het leven hem somtijds wel wat al te eentonig en al te prozaïsch werd. Zonder eigen fortuin, getrouwd met eene vrouw, die, behalve hare lieftalligheid, haar tevreden humeur en haar gezond verstand, zoo goed als niets bezat; in ruim vijf jaar tijds gezegend met een springlevend, veeleischend viertal; van den morgen tot den middag op het archief en des avonds op zijne studeerkamer hard werkende, had hij zich soms verbeeld, dat hij zich oud ging gevoelen vóór zijn tijd en dat het leven hem wel eens eene variatie op zoo’n saai thema verschuldigd was. Met blijdschap had hij daarom de opdracht van zekere letterkundige vereeniging begroet en — na onder hooge goedkeuring voor een substituut op het archief gezorgd te hebben — aangenomen, om ten haren dienste eene reis van een week of vier te maken. Zijne vrouw had dat natuurlijk niet alleen goed gevonden, maar zelfs een buitenkansje….. meer echter voor hem dan voor haarzelve, doch dat laatste had zij niet gezegd en ook niet getoond. Bij sommige welontwikkelde vrouwen uit den beschaafden stand is het toonen van hare opofferingen veel snijdender voor den man, dan het onverstandige, eindelooze gekakel er over van de dommeren; dat laatste ignoreert hij, of hij zoekt buitenshuis het gezeur van daarbinnen te vergeten; het eerste woelt en werkt als bijtend gif. Maar mevrouw Adeler behoorde noch tot de eene, noch tot de andere soort; zij had dus, zoo vroolijk mogelijk, zijn garbe-robe nagezien en voor de noodige verbeteringen en aanvullingen gezorgd; toen, als eene echte Hollandsche huisvrouw, keurig gepakt en, met de twee oudsten, papa uitgeleide gedaan naar het station. En toen, nadat de vaderlijke kus op de mollige, blozende wangetjes gedrukt was en mama nog een handdruk had ontvangen, voelde de heer Adeler zich met het wegstoomen van den trein plotseling weer jong worden, garçon op en top.

Een paar vrienden uit „zorgeloozer tijd” voegden zich te Arnhem bij hem en het lustige leventje begon: de nog zoo jonge man wilde zich eens vrij en onbezorgd voelen, zóó, als toen hij na zijne studiejaren met zijn vrienden een uitstapje had gemaakt. Eerst zijne studie, die van tweeërlei aard was: zijn gadeslaan en opmerken, terwijl hij als een van de vroolijksten meedeed en allerlei tochten voorsloeg, en ten tweede het zorgvuldige onderzoeken en navragen naar plaatselijke toestanden enz., hetgeen alles even precies en nauwkeurig geboekt werd; maar dan de gezellige table d’hôte, een frissche wandeling de bergen in, een vroolijke bijeenkomst op een der terrassen van de groote cafés om de zoo gezochte duitsche bowl; een enkele maal het théatre, om de twee à drie dagen even een briefkaart naar Holland en….. de eerste week vloog om. Maar de tweede week bracht het vertrek der vrienden; nu, dat was wel goed ook, de aardigheden waren hem wel eens wat te ver gegaan, vooral als de jongelui er wat ed’le Weiblichkeit bij zochten machtig te worden, welke materie soms, ja meestal, van achter de coulissen vandaan moest komen, want de tijd van het verlossen van bekoorlijke jonkvrouwen en wat dies meer zij, behoort niet in de negentiende eeuw thuis. En ongelukken van rijtuigen met schatrijke héritières komen niet meer voor, nu de Radbahn alles op zijn geweten heeft genomen; en de onderzoekende, studeerende, schilderende, schrijvende young ladies, die er tegenwoordig maar alleen op uitgaan, zijn gewoonlijk mans genoeg zich zelven ook alleen te helpen en hebben slechts een beleedigenden, verwonderden, afwijzenden blik voor den beschroomden of wel vermetelen ridder onzer dagen, die zijne diensten mocht aanbieden. Summa summarum, was ’t dus maar goed, dat de vrienden naar Parijs waren gegaan; ’t zou nu vooral met de studie meer ernst worden — dat was toch het eigenlijke doel.

Aan het einde van de tweede en derde week had de heer Adeler dus oneindig meer een soort Titus-gevoel gehad dan in het begin, maar tegelijk met deze aangename gewaarwording begon hem nu en dan een ander vreemd gevoel te bekruipen, een zeker lastig kloppen, een benauwend iets in zijn keel, vooral wanneer de post uit Holland hem een zeer bijzonder briefje bracht met vreemdsoortig gevormde letters, als had mama een klein, welbekend handje vastgehouden en als badden zich die beide handjes — mama ganteerde zich ’s zomers 6 en ’s winters 5 3/4 — uitgestrekt om zeker iemand terug te halen. Dat was een erg lastig, vreemd geprikkel, dat hem het genot van zijn gargonschap, waarnaar hij heimelijk zoo lang en met zoo groot verlangen had uitgezien, eenigszins twijfelachtig maakte. Hij had een apart hoekje in zijn portefeuille tot recipient van die episteltjes ingericht, en er kwamen er nóg al wat. In de derde week en in ’t begin der vierde had hij het bijzonder druk gehad en wezenlijk flink gewerkt, waarbij hij echter niet verzuimd had nu en dan een briefkaart met de afbeelding van zijn hôtel er op naar huis te sturen. Eerst had hij tegen de jongelui steeds gesproken van „even naar Holland te moeten schrijven”, en de jongelui hadden hem een allercharmantsten vent gevonden, die niets onder de pantoffel zat en wien het huwelijk nog niet bepaald kwaad had gedaan; daarop had Adeler dan geglimlacht en gezwegen; nu echter was het meestal uit ouder gewoonte, dat hij bij zich zelven zeide naar huis te willen schrijven. Eens zelfs had hij, ondanks zijn groote drukte, zijn oudsten jongen een heelen brief geschreven in drukletters en bestaande uit met zorg gekozen woorden van kleine lettergrepen: tot het adres toe stond er in zwarte, groote letters uit het A B-boek, stokstijf naast elkander als pruisische soldaten. En die brief was geïllustreerd geweest met kleine teekeningetjes, o. a. van den luchtballon, die papa absoluut had willen meenemen, maar papa had niet gewild, was bang geweest dat de touwen zouden breken en papa dus zou vallen en nooit meer bij zijn klein volkje terug zou kunnen komen; verder met een dikke kruisspin, — mama kon soms gillen van angst en schrik voor spinnen, — die over papa’s ontbijttafel was geloopen; en eindelijk zelfs met het glas rijnwijn, dat papa op mama’s gezondheid had gedronken, toen ’t zulk beeldig weer was, ’savonds op het terras en toen de Rijn er bij maanlicht zoo mooi had uitgezien met al die kleine bootjes en die zachte, verre muziek, toen te Remagen…….

En nu was de laatste week daar en morgen was het de laatste der zalige jongelingsdagen, en terwgl hij eene nieuwe sigaar opstak, rekende de heer Adeler bij zich zelven uit, hoeveel uren ’t nog moest duren en wat hij morgen doen zou, om den dag maar gauw klein te krijgen. Vóór den bepaalden tijd wilde hij echter niet gaan — dat was te gek. Den daarop volgenden dag zou hij jarig wezen en gisteren had hij weer zoo’n kattebelletje van huis gehad, waarin mama zelve schreef, of papa er toch wel aan denken zou, dat hij beloofd had op zijn verjaardag thuis te zullen zijn. De heer Adeler nam zijn tweeden kop koffie, doch zecte hem haastig neer om even op te staan en eene dame vriendelijk en eerbiedig tevens te groeten, die op korten afstand van hem op een beschaduwd plekje ging zitten.

Terwijl nu plotseling de kapelmeester met een forsch accoord deed invallen, zóó forsch dat de dame, die zich daar juist had neergezet, opschrikte, wat hier en daar een glimlach verwekte, haalde de heer Adeler zijn portefeuille voor den dag en — hij vond het eigenlijk kinderachtig, maar toch kon hij niet anders — nam er mama’s photographie en die van zijn lastige schreeuwers uit. Was dat de moeder van die vier belhamels, dat vrouwtje, met dat fijne, frissche gezichtje, dat bevallige figuurtje, dien open, dien hartelijken blik? O, kwam het plotseling bij hem op, die hier coute que coute alleen, als jongmensch, heen gewild had, wat zou hij nu gaarne hier met haar pronken, zooals hij ’t eerste jaar van hun huwelijk in de „Tent” in ’t Bosch zoo dikwijls en met zichtbaar succes had gedaan; later was dat minder voorgekomen, niet wijl zij minder aanvallig was, maar omdat ze thuis zelve voor kinderjuffrouw moest spelen. Maar haar nu bier te hebben, hier, tusschen al die kwijnende, vale, stervende teringgezichten, onder die waggelende, bevende geraamten, onder die wandelende shawls en plaids en pelzen, te midden van dat beperkte aantal gezonden! Waarom was hij zoo dwaas geweest? Waarom was het hem niet ingevallen, dat lastige, kleine goed naar buiten, naar grootmama in Gelderland te sturen en zijne vrouw, zijne Tine, mee te nemen? wie weet, hoe prettig hij het hier dan zou hebben gevonden! Over de kosten zou hij wel heen gekomen zijn, ’t was jammer, jammer! Maar één ding stond bij hem vast: dat moest gebeuren, als de kinderen wat grooter zouden zijn, zij zou er dan nog jong en bevallig en lief genoeg voor wezen; o, wat zouden zij samen genieten, wat zou dit akelige, onhollandsche land in een paradijs veranderen: die vervelende, saaie vreemdelingen zouden interessant worden, als hij ze te zamen met haar kon gadeslaan. Hij wist het nu: „Un snul être vous manque, et tout est dépeuplé!

Maar ondanks dat alles, wat hem nog nooit zoo duidelijk was geweest als nu, aan het einde der veel begeerde reis, was hij toch bijzonder dankbaar voor dit onbezorgde uitstapje, als vrijgezel, alleen. Hij had zoo iets bepaald noodig gehad bij de afmattende sleur der dagelijksche bezigheden en zorgen; hij had veel genoten en zou veel te vertellen hebben. In zijn verslag? Natuurlijk, daarvoor had hij zich moeite genoeg gegeven; maar het eigenlijke prettige vertellen, dat was voor zijne vrouw…. Wederom beschouwde hij het portret, dat hij natuurlijk niet aan zijne lippen bracht; zoo iets dols kwam niet bij een fatsoenlijk Hagenaar, die al zes jaar getrouwd was, op; maar hij bestudeerde het toch, als zag hij het voor de eerste maal. En nu volgden de lastposten: wezenlijk, van hen had hij ook eene photographie; zoo dwaas en kinderachtig was mama geweest om die stil te laten maken en, zonder dat hij ’t vermoedde, in zijn koffer te stoppen, tusschen het eigen-gestreken linnengoed; alleen zijne papieren had hij zelf ingepakt. Welk eene lieve pose: zijn oudste, zijn flinke, mooie, groote jongen, zijn Johan met zijn guitige, schalksche, blauwe oogen stond gereed zijn beide zusjes, twee dotjes, haar bloempjes te komen ontstelen. Wat waren ’t toch mooie kinderen, die twee meisjes, waarvan het jongste, toen het pas een jaar oud was, al de trappen was afgerold, zonder zich in ’t minst te bezeeren; dus zeker een lang leven, een gelukkig leven wachtte dat molletje. Hoe dikwijls had hij zijne vrouw geplaagd met haar trots op die beide kleinen, die op de wandeling nu reeds veler bewondering tot zich trokken. Maar ’t was nu, alsof hij er zelf ook iets van voelde, van dat bekrompen gevoel aller moeders, ’t Was toch zoo, ze waren allerliefst! En kleine broer zat er deftig bij, op een fauteuil, en sloeg het vroolijke groepje gade; mama hield hem vast, iets van haar japon, zelfs iets van haar hand was zichtbaar. Of ze ook zou verlangen…?

De heer Adeler glimlachte en wilde weer aan zijn werk denken; maar onwillekeurig dacht hij aan de gezellige escapades met zijne vrienden; daar zou hij nog van kunnen vertellen…. en zijne vrouw zou er met hem om lachen, hartelijk, vroolijk, ook al zou zij sommige dingen wel wat…. wat…. erg vinden.

Eensklaps keek hij verrast op en ontroerde. Van de muziek had hij weinig of niets gevolgd, totdat nu op eens in den zoogenaamden Voyage musical par l’Europe de welbekende accoorden van het hollandsche volkslied weerklonken….. O, die klanken van het hier afgezaagde, maar ginds in den vreemde zóó krachtige, zóó liefelijke, zóó welsprekende, zóó bemoedigende volkslied! Wie is er, die, daar ver weg ze hoorende, niet schokt en trilt van ontroering, van verlangen, van nu eerst bewust wordend heimwee! Wie zich hier waar dat lied, door ’t volk meestal, aangeheven wordt, koel afwendt om naar vreemde compositiën te grijpen — daar ontbloot en buigt hij het hoofd, daar staat hij op vol eerbied en ontzag, dáár wil hij instemmen, maar kan niet, daar verbergt hij een traan en wordt koud als ’t laatste accoord wegsterft….

Zoo ook Adeler; nooit had hij zoo’n bijzondere vaderlandsliefde bij zich waargenomen, eenvoudig wijl er niets was voorgekomen, dat ze opwekte; maar nu, maar nu: hij had het willen uitroepen: ik ben Nederlander, mij geldt dat lied; ik alleen versta het met mijne landgenooten — maar hij zweeg en hij verwarde deze vreemde gewaarwording met het hem in de laatste dagen geheel beheerschende verlangen naar huis, naar Holland, naar Den Haag, naar zijne vrouw, naar zijne kinderen, zijne meubels, zijne boeken…. Bah! die gekheid zou hij niet graag in zijn verslag en nog minder gaarne zijn reisgezellen meegedeeld hebben! Hij zette zich weer neer…. overmorgen om dezen tijd naderde hij Den Haag….

(Wordt vervolgd.)

ALS EEN SPROOKJE

DOOR

A. PEAUX.

De middag was warm, zomersch. Onder de linden lagen de kogelronde bloesems over het zand, om ze te rapen naar hartsbegeeren en ze te laten openspringen tusschen duim en vinger. Het had in lang niet geregend en de bladeren, die de jongens lieten klappen op hun gesloten vuist, ’waren stoffig en dof.

Het Anno MDCCC enz., in groote, vergulde Romeinsche cijfers boven aan de kroonlijst van het gemeentehuis, flikkerde er bijna of het leefde óp het droge hout.

Het stond daar zoo hoog te branden, zoo eenzaam rijk in zijn lange heugenis van veel zon en vele zomers.

De lucht was hooger, stiller rijk van licht en daarin zwierden de klokketonen. O, wie ze zien kon, die klanken van het kermisgelui, als hansworsten afspringend van den zwaren klepel, in een dolle buiteling naar omlaag en zich reiend in de lucht, hand aan hand, altijd verder, tot niets meer dan een flikkering van gouden lovertjes in een zonnestraal!

Heel de kermis grijpt naar de zon, maakt een dolle jacht op haar goud met alles wat schittert en blinkt, kleurig staat zij tusschen ’t groen.

Er is een lange lijn van kramen, met ver naar voren uitstaande zeilen en er zijn lage tafeltjes in de schaduw van zware boomen en, verderop, groezelig witte spellen over het ruime plein. Er is één pofferkraam met een groote vlam, die naar voren lekt, onder de donkere plaat uit, vreemd als de geest van een vlam in den lichten dag. Er is een draaimolen, de donkere helft van zijn strakgespannen zeil glipt uit de bladerenschaduw van de overhangende boomtakken en vangt telkens het volle licht, in korte vleugen, zoolang de rit duurt.

Er is een dubbel leven op de kermis. Eén dat vermoeid uitrust van zijn zwerverstocht, dat slaapt in lompen en bedelpak, wegschuilend in schuts van grauwe planken en achter groene wagens.

En een ander, dat is als de droom van dat slapende leven, een weeldeschijn, een illusie van klatergoud.

Zij is gekomen, als ’t knoppen van de boomen in ’t voorjaar, in de stad een schemer van groen langs de huizen, een belofte van rijkdom in de armoe van ’t hout. Zij is gerezen hier over alle nomadenleven, met een schijn van blauw en rood en geel, met een zweemsel van glansstof over alle schamelheid. In ’t armelijk tentje laten haar vluchtige zolen een schijnsel van goud op den drempel en de begoocheling begint.

Is het wel eens een tent op dat schaduwrijk plekje, waar de twee rijen boomen een hoek vormen? Tusschen de dikke stammen is een stuk grof linnen gespannen en strak aangehaald met touwen en die weer vastgemaakt aan ijzeren haken in den grond. Als het een tent is, dan is het een zeer primitieve tent, zonder dak, met een kleurig stuk tapijtgoed vóór den ingang. Maar de twee stevige honden konden geen koningsschat met grooter waardigheid bewaken, dan zij het de schamele have van hun eigenaars doen en zij zouden liggen voor paleizen met geen dieper besef van verantwoordelijkheid.

De illusie, die den schijn van haar gouden muiltje liet op den drempel, keek door de oogen van de twee danseresjes de kermiswereld, haar wereld in. Het waren kinderen, meisjes van tien en twaalf jaar misschien, zij droegen lage stoffen schoenen en rokjes van kleurig katoen, wijduitstaande, straf gesteven, witte lijfjes met een vergulden gordel. Haar haren waren glanzig als een spiegel en stijf gevlochten naar een klassiek begrip van netheid. Zij gevoelden al het gewicht van haar welhaast optreden. De vader kwam achter de rozen van het stuk tapijtgoed naar buiten, hij had een viool onder zijn arm. Buiten begon de dans. Voor een van de grootste huizen walsten zij rond, in een wolk van stof, op de maat van die ééne viool, een kring van bewonderende kijkers rondom. „Gauwer, vader, gauwer!” riep soms een hijgend stemmetje, midden in den dans en dan repten zich de voetjes in een sneller tempo. Heel haar gang door de straat was één lange triomftocht, hun ééndagsglorie even echt als de glorie van werkelijke prinsessen. Niemand die meer dacht aan de grauwe pakjes, waarin zij hadden rondgeloopen in den morgen, zooals niemand meer denkt aan het glanslooze hulsel van de bonte kapel. Vergeten waren de hondenkar met zijn witte huif en het primitieve tentje, al hun armzalige attributen, en daar bleven alleen twee feeën, ver zwevend buiten en boven al wat armelijk was en gering.

En zij hadden het besef van hun waarde, zij verstijfden in den dans tot ongenaakbare hoogheden, die ’s morgens melk hadden gehaald en brood, in lompen, met slependen gang.

Daar leefde in haar de ondoofbare illusie, die al wat arm is zoekt in zijn uitspanningen, de illusie van zich rijk te voelen, en voor haar was nog de dans een uitspanning. En zij gevoelden zich rijk, bewonderd, benijd. Haar trots was echt, geboren en gekweekt in al den bonten lappentooi van kermissen heel ’t jaar door. Echt als de trots van gebieders, zij geboden door haar optreden, haar macht ontleend aan en ontsproten uit een paar vedelstreken en een hansworstenpakje, haar armoede verguld door den roem, in een roes van ’t oogenblik.

Als een sprookje was haar dans in ’t stof van de straten, als een sprookje van vermomde koningskinderen, en zij dansten in zijn glans op de goudzooltjes der illusie zelve.

En ’t eind was, als ’t in sprookjes is, uit, met een enkelen trek.

Tusschen het tentje en de hondenkar brandde een oud, geroest kacheltje en daarop siste een pan met aardappelen in vet en toen kwamen de twee prinsessen en aten daaruit met een stalen vork, na ’t eindigen van den dans en prikten telkens in de pan, voornaam onaandoenlijk en onverschillig voor alle nieuwsgierige blikken, met de gelukkige gemakkelijkheid en onafhankelijkheid van de vrijgeborenen, die zij waren.

Prof. Dr. J. H van ’t Hof.

J. H. van ’t Hoff.

Er wordt dikwijls gesproken van den Hollandschen landaard, die zich zon laten omschrijven als een zekere naar traagheid overhellende behoedzaamheid; een zeker gebrek aan voortvarendheid; een zekere neiging tot afwachten; welke kwaliteiten de Hollanders zonden maken tot een goed middenslag van een degelijk beschaafd ras, doch voor de algemeene kultuur meer een ras van consumenten dan van aanvoerders en voortbrengers. Zoo zegt men vaak en vaak wordt het voor en tegen van dien landaard ter sprake gebracht. Doch is wel onderzocht, hoevelen in ons land werkelijk Hollanders zijn? Hoevelen die, om niet te veel te verlangen, in geen driehonderd of vierhonderd jaar bloedmenging kunnen aanwijzen met Spaansch, met Duitsch, met Indisch, met Israëlitisch, of, niet te vergeten, met Fransch bloed? In Zeeland is de spaansche nawerking welbekend; Friezen zijn geen Hollanders; halve en kwart Indiërs vindt men overal in Nederland; steden en dorpen van het eigenlijke Holland zijn rijk voorzien van afstammelingen van fransche réfugiés en van duitsche landverhuizers. zijn er wel veel echte Hollanders? En zou, wat men den landaard noemt, misschien niet moeten beschouwd worden als de resultante van talrijke nationale karakters, waarvan de uitersten elkander bij de menging geneutraliseerd hebben?

Een man als de geleerde, wiens beeltenis in dit blad aan den lezer van „Eigen Haard” wordt aangeboden, zou ons inderdaad aan het twijfelen brengen of de kalm afwachtende landaard wel de echt hollandsche is, want in zijn voorgeslacht van beide zijden wordt geen vreemd bloed gevonden en zijn eigenaardigheden zijn niet die, welke de gangbare meening over het hollandsche karakter uitspreekt. Want indien men het nationale karakter naar zijn talent moet rekenen, is behalve degelijkheid ook groote voortvarendheid element van den waren Hollander. Ieder toch, die met het werk van Van ’t Hoff bekend is, weet, dat deze geleerde in een ruim vijftienjarige carrière den naam heeft verworven een der allergrootsten van zijn vakgenooten te wezen en dien naam verworven heeft door twee dingen: door het verrassende en vooruitdringende der ideeën en door de stevige ondersteuning van theoretisch onderzoek en proefondervindelijke argumenteering, een argumenteering geput zoowel uit experimenten van eigen hand als uit die van anderen.

Misschien denkt men dat geen ernstig natuurgeleerde anders kan doen dan de eigenschappen vereenigen, die ik noemde. Maar in werkelijkheid zijn er verscheidenheden van soliditeit onder de geleerden. Ik ken een fysikus, wiens oordeel over de zaken van zijn vak haast pythagoreïsch geëerd wordt, wiens adhaesie aan een nieuwe theorie een verblijding is voor den uitvinder; en toch neemt deze geleerde slechts bij uitzondering kennis van anderer werk, op een wijze welke de schrijvers gaarne wenschen. Hij bladert het boek door en grijpt de grondidee en laat die rijpen in zijn geest en werkt ze zelf weer uit en vermeerdert ze met zijn eigen gedachten, tot er een uitkomst ontstaat, die tegelijk is de kritiek der grondidee en tegelijk een verrijkte theorie. Dezen man zullen enkelen wellicht en ten onrechte beschuldigen van anderen het hunne niet te gunnen. Doch variis modis bene fit; de methode van Van ’t Hoff is een andere en over zijn mildheid in het noemen van bronnen zal niemand zich beklagen; want alles wat in eenige richting gedaan is tracht hij te verzamelen, en, dankbaar aan allen, is hij niemands slaaf, want dat verzamelde vermeerdert hij met zijn eigen gedachten en proefnemingen, en een nieuw geheel is geworden, waarop een elk aan Van ’t Hoff het eigendomsrecht toekent.

Zóó is het gegaan met de theorie van het asymmetrische koolstofatoom; er was materiaal, hoewel luttel, van voorbereidende gedachten, er waren experimenteele gegevens, doch deze te zamen hadden het groote werk niet gemaakt zonder Van ’t Hoff’s scherpe voorstelling, helderen aandrang en zelfstandige proefnemingen.1 En met dezen is het een werk, waar duitsche geleerden in grooten getale aan arbeiden, waarvan de verdienste met den dag duidelijker wordt.

Zóó is het gegaan met de chemisch-dynamische studiën. Er was het ontzagwekkend materiaal van Berthelot’s, Déville’s en Thomson’s proeven, om geen ander te noemen; men had, als wegwijzers door de feiten, Déville’s dissociatie-theorie en Berthelot’s beginsel van den grootsten arbeid; men had ook de mechanische warmteleer. Doch het is door toevoeging van eigen arbeid, dat Van ’t Hoff vereeniging heeft gebracht tusschen de scheikundige feiten en de fysische theorie en dat hij het beginsel van beweeglijk evenwicht in de scheikunde zijn eigendom mag noemen, al kan men beweren dat de bestaande fysische warmteleer dit beginsel eigenlijk impliceerde en min of meer uitgesproken had; want al is dit waar, Van ’t Hoff heeft het aangewezen waar niemand het nog gezocht had.

Zóó is het gegaan met de andere fysisch-chemische studiën, om welke Van ’t Hoff’s vereerders hem eenigen tgd geleden met de spreuk: Physicam Chemicae adjungit trachtten te karakteriseeren; want al heeft in Frankrijk de fysicochemische richting nooit ontbroken, al blijven Déville door de dissociatie-idee en Berthelot door het beginsel van den grootsten arbeid, de vaders der moderne chimie générale, het is wederom de eigen blik van Van ’t Hoff geweest, die de fysische wetten zag in chemische hoeken, waar niemand ze waande; het is zijn werk geweest, dat de scheikundige overgangspunten voor den dag heeft gehaald.

Zóó is het gegaan met de sprookjesachtige wording der theorie van den osmotischen druk; feiten van Hugo de Vries, Pfeffer, Raoult en hoevelen niet; thermodynamica van Clausius; doch de oplossing is van Van ’t Hoff en de oplossing is niet minder de zijne, omdat de zweedsche toovenaar Arrhenius haar geheel in orde heeft gebracht.

Zóó is het kort geleden gegaan met de theorie der vaste oplossingen en zóó mag men vermoeden zal het altijd gaan: verzamelen van anderer werk en dat omarbeiden tot een eigen geheel, met toevoeging van eigen ideeën en laboratorium-werk: soliditeit en voortvarendheid.

Wanner ik noem het asymmetrisch koolstof-atoom; het beginsel van beweeglijk evenwicht in de scheikunde; het overgangspunt, den osmotischen druk, de vaste oplossingen; dan noem ik genoeg om een ruimte van nog geen twintig jaren arbeid te vullen, en toch is dit slechts een deel van het geheel; en ook in de niet genoemde deelen wordt steeds gevonden: soliditeit en voortvarendheid.

Zouden deze inderdaad de elementen van de ware hollandsche type wezen?

Voor hem, die er van houdt het drama der nationale passies na te gaan, is ongeveer twee jaren geleden een merkwaardig tooneel te zien geweest. Toen werd Van ’t Hoff benoemd tot eerelid van het groote duitsche scheikundige genootschap te Berlijn; toen bracht de duitsche scheikunde aan Van ’t Hoff de hulde, die anders slechts aan de veteranen van het vak ten deel valt; toen bekransten de meest chauvinistische Franschen-vreters een Hollander.; — en toch was dat zoo naar waarde geschatte talent meer van latijnschen dan van germaanschen, of liever van franschen dan van duitschen aard. Want het moet gezegd worden, het werk van Van ’t Hoff gelijkt in menig opzicht meer op franschen dan op duitschen arbeid. Want hij eert de degelijkheid met grooten eerbied, doch hij is verliefd op de idee, en op de idee in groote trekken; en zijn bewijsgronden streven er meer naar om de idee als een groot en zwaar blok in de wereld te plaatsen, dat niemand omstooten kan, dan om het aan alle kanten af te ronden en te fatsoeneeren; dàt laat hij gaarne aan anderen over. Hij heeft, — men moet le Bel er bij noemen —, de gedachte gevestigd om de molekulen der stoffen als lichamen van drie afmetingen voor te stellen, doch het is niet Van ’t Hoff, die in latere jaren de meeste uitwerking aan die gedachte gegeven heeft. Hij heeft het beginsel van beweeglijk evenwicht in de scheikunde gegrondvest; doch de meer uitgebreide leer der coëxisteerende fasen is door anderen op scheikundige gevallen toegepast; het overgangspunt is van hem, doch de definitieve theoretische afwerking van een ander; de osmotische-druk-theorie staat zoo stevig als een pyramide, doch slechts de verliefdheid op de grondgedachte heeft den moed kunnen geven haar vast te houden in het labyrinth van verwikkelingen en afwijkingen.

Deze verliefdheid op de idee vindt men ook dikwijls weder in de methode van experimenteel onderzoek. Want Van ’t Hoff is vaak tevreden met een methode, die de hoofdzaak kan bewijzen, al toont zij vele bij verschijnselen misschien niet. De overgangspunten zijn bestudeerd met een instrument, dat een wel-geschoold physikus gewoonlijk slechts voor een vóórproef zal gebruiken; Van ’t Hoff echter bediende er zich van voor het beslissende onderzoek, en de evidentie was onwederlegbaar.

En het is weder deze verliefdheid, die oorzaak is van de eenige tekortkomingen, die men wellicht aan Van ’t Hoff’s werk zou kunnen verwijten; een wellicht wat te liberale veronachtzaming der bij-verschijnselen, en af en toe een te sterke neiging om de idee ook daar in alle zuiverheid te vinden, waar men van te voren weet, dat zij vermomd moet wezen, en slechts toevallig zich voordoet als ongemengd en vrij van nevenomstandigheden.

En deze hartstocht voor de groote idee is, naar ik meen, een eigenaardigheid der fransche natuuronderzoekers, wien ik in de laatste plaats degelijkheid zal ontzeggen, doch die altijd in hun werk het streven vertoonen, de hoofdtrekken eener theoretische gedachte te bewijzen en te illustreeren, en minder gevoelig zijn voor de afwerking van alle bijzonderheden, wetende, dat zelfs van de kern der theorie veel vergankelijk is en de wetenschap voortdurend behoefte heeft aan nieuwe, groote gedachten.

Doch wat is het nut van Van ’t Hoffs werk voor de maatschappij? vraagt het groote publiek. Wij zijn geen vaklieden en willen gaarne aan het talent van een geleerde gelooven, doch bewonderen kunnen wij bezwaarlijk iets, dat wij niet tastbaar voor ons hebben.

Zoo vraagt het publiek, en honderde malen is zoo gevraagd. En onveranderlijk moet het antwoord wezen, dat vroeg of laat de vooruitgang der zuivere wetenschap aan de maatschappij ten goede komt. Telkens moet men herhalen, dat Lavoisier slechts voor de wetenschap en voor zijn eigen roem werkte, en dat toch eerst door zijn werk het vak goed op dreef is gekomen, dat zooveel voor de maatschappy heeft gedaan. Men moet herhalen, dat Chevreuil enkel de oplossing van een wetenschappelijk vraagstuk zocht, toen hij de vetten splitste in stearinezuur en glycerine, ent och daardoor twee industrieën stichtte. Mannen als Pasteur zijn begenadigde uitzonderingen, dat zij de weldaden van hun wetenschap voor de maatschappij terstond vóór zich zien. Doch er is geen goed werk, of de praktijk zal er te eeniger tijd partij van trekken, en zoo zal het met Van ’t Hoff’s arbeid ook gaan.

Doch er is meer. Want de geschiedenis van het vak leert, dat die geleerden van kamer en laboratorium een scherpte van blik en een vaardigheid van aangrijpen zich eigen maken, die de schoonste uitkomsten geven, als de omstandigheden hen met de praktijk in aanraking brengen. Dezelfde Lavoisier, die voor zijn roem en de wetenschap werkte, heeft kruit leeren maken, waarmede zijn vaderland verdedigd werd. De groote Berthollet, wiens theorieën eerst vele tientallen van jaren na zijn dood goed gewaardeerd zijn geworden, is de stichter der scheikundige bleekerijen; het is dezelfde Berthollet die mocht zeggen, dat de beroemde kanonnade van Valmy zijn werk was.

Zóó leert de geschiedenis, en zoo kan men ook van te voren inzien; want ook de vraagstukken der praktijk zijn vraagstukken van waarnemen en nadenken, en waarnemen en nadenken zijn de dingen, waarin de groote natuurkundigen uitmunten.

En niemand, die Van ’t Hoff kent, twijfelt er aan, of ook dan, wanneer hij met een opgave van maatschappelijk belang te doen krijgt, zullen zijn voortvarende genialiteit en zijn degelijke ijver de gewenschte oplossing aanbrengen.

CH. M. v. DEVENTER.

Spoorwegaanleg aan Sumatra’s Westkust

DOOR

TH. F. A. DELPRAT.

Illustration naar photographieën meerendcels door den schrijver zelven
vervaardigd.

Getande staaf met inrijdstuk.

(Vervolg van bladz. 716.)

Reeds dadelijk buiten het station Kajoe Tanam zien wij de getande staaf tusschen de beide gewone rails liggen, en komen wij aan het eerste inrijdstuk. Om namelijk te voorkomen, dat de tanden van het tandrad, bij het ontmoeten van de getande staaf, daarop zouden stooten en breken, is deze over zekere lengte niet vast op de dwarsliggers gelegd, doch rust op volute-veeren en is met een scharnier aan het eerste stuk bevestigd. Stooten nu de tanden van het rad op die der getande middenstaaf, dan wijkt deze laatste, totdat volkomen ingrijping heeft plaats gehad. Ter vergemakkelijking dezer ingrijping zijn de tanden van dit beweegbare gedeelte iets, hoewel weinig, verder van elkander geplaatst dan op het overige gedeelte. Dat inrijdstuk moet dus altijd zoover vóór het begin der helling gelegen zijn, dat volkomen ingrijping heeft plaats gehad alvorens de volle kracht der locomotief vereischt wordt; dus, omdat bij tandradspoor de locomotief den trein steeds tegen de helling moet opduwen, minstens één treinlengte voor het begin der helling.

Van het station Kajoe Tanam af wordt met hellingen van 51 per duizend tot 23 per duizend tot de halte Kandang Ampat gestegen, op eene hoogte van 305 meter + P. P.

Behalve dat men iets langzamer rijdt dan op de vlaktelijn vóór Kajoe Tanam, heeft men op het tandradspoor geene buitengewone gewaarwordingen; in een rijtuig zittend, zonder naar buiten te zien, bemerkt men geene overgangen; slechts komt de trein, bij eventueel stoppen, iets sneller tot staan dan op adhaesie-spoor. Eene eigenaardigheid bij het tandradspoor is, dat de locomotief steeds aan het laagste eind van den trein plaats neemt en dezen dus tegen de hellingen opduwt en bij het. afgaan der hellingen tegenhoudt. Dit is noodzakelijk, om te voorkomen dat, bij het eventueel breken van noodkettingen of haken tusschen de wagens, een deel van den trein terugloope, waarvan schromelijke ongelukken het gevolg zouden zijn.

Brug bij Ajer Mantjoer

Voorbij de halte Kandang Ampat komen wij aan een der merkwaardigste gedeelten van dezen spoorweg, namelijk aan de kloof van de Anei, kortweg bekend als „de kloof”, welke groote beruchtheid heeft op de Westkust bij de tallooze slachtoffers, die daar gereden en geleden hebben in kleine, ongemakkelijke wagentjes (anaktrem), met afgebeulde paardjes.

De steile bergweg door die kloof werd, op last van den commissaris-generaal Van den Bosch, in het jaar 1833 door de bevolking aangelegd en is een waar reuzenwerk geweest, in aanmerking genomen de gebrekkige hulpmiddelen en gereedschappen, welke haar ten dienste stonden in een tijd, toen dynamiet nog onbekend was.

Langs dien weg sukkelen, nacht na nacht, jaar in jaar uit, de lange transporten krakende karbouwen-pedatties, die handelswaren naar de bovenlanden en koffie naar Padang vervoeren, en over den afstand van 15 1/2 K. M. meer dan twee etmalen onderweg zijn. Door de steile hellingen zijn de kosten van onderhoud van dien weg zeer aanzienlek; het komt ten laste van de afdeelingen Batipoe, Agam, fort van der Capellen en Pajakombo, gedeeltelijk in den vorm van heerediensten, gedeeltelijk van geldelijke bijdragen, de zoogenaamde „kloofgelden”.

Voor liefhebbers van natuurschoon is er bijna geen fraaier streek denkbaar; de nagenoeg vertikale rotswanden, waartusschen de Aneirivier zich een bed gebaand heeft en ruischend en bruisend dalwaarts stroomt, zijn, van den waterspiegel tot de kruin, bedekt meteen weelderigen plantengroei. Kleine watervallen storten zich hier én daar omlaag; bij Ajer Mantjoer valt eene vrij aanzienlijke watermassa van eene hoogte van 40 meter in een komvormig bekken; op elk punt levert de kloof nieuwe en in schoonheid wedijverende gezichten op, eene reis daarheen, uit Padang, dubbel waard.

Voor spoorweg-ingenieurs zijn die fraaie natuurtooneelen echter minder aangenaam; tusschen en langs die steile wanden moest gepast en gemeten worden, ten einde een bruikbaar tracé te vinden met bogen van geen kleiner straal dan 150 meter en met geen steiler hellingen dan van 70 per duizend. Daartoe is eene geheele opname der kloof tot Padang Pandjang noodzakelijk geweest. Met behulp van den tacheometer van Richer zijn zeer. uitvoerige kaarten gemaakt, met hoogtelijnen van 2 meter hoogteverschil; eene uiterst vermoeiende opname, nóg verzwaard door de stortregens, die zich nagenoeg elken middag boven de kloof ontlasten.

Gezicht in de kloof van de Anei, gezien van den postweg
boven de tunnel.

Die opname, zoowel als de latere aanleg, vond plaats onder leiding van den ingenieur Wijss; onnoodig te vermelden, dat van het personeel, onder hem werkzaam, buitengewoon zware diensten zijn gevergd moeten worden. Uit de opname bleek, dat men, in het dal van de Anei blijvend, de steilte der hellingen tot op 80 per duizend zoude moeten vermeerderen; van daar dat, bij kilometer 70 ongeveer, de vallei van een harer zijrivieren, de Ajer Poetih, werd ingeslagen, waar langs, met een korter tracé en hellingen van niet meer dan 70 per duizend, het station Padang Pandjang op eene hoogte van 773 meter + P. P. kon bereikt worden.

Het spoorwegtracé tot Padang Pandjang biedt veel zeer merkwaardige punten aan, daar niet minder dan zeven maal de Anei-rivier wordt overgegaan met bruggen van 30, 40 en 50 meter opening. De belangrijkste daarvan is die welke het dichtst bij de samenvloeiing met de Ajer Poetih gelegen is, waar de. Anei op eene hoogte van 36 meter boven haar bed is overspannen met een boog van 56 meter opening. Ontzaglijke ingravingen van 17 tot 30 meter, ophoogingen van 25 meter, afgravingen met taluds van 50 meter moesten gemaakt worden, steen muren, waaronder van 18 meter hoogte, moesten langs de rivier gebouwd worden; de Ajer Poeih moest, op een gedeelte van haren loop, voor den spoordam plaats maken, en voor haar een nieuw bed in de rots worden bereid.

Verlegging van het bed der Ajer Poetih.

Cijfers alleen kunnen eenig juist denkbeeld van den hier verrichten arbeid geven.’

In November 1887 werd met de opname aangevangen;

in Juni 1888 kon met het verzetten van grond worden begonnen;

in Februari 1890 kon reeds met het spoorleggen van Kajoe Tanam uit een aanvang worden gemaakt, en den zesden Januari 1891 bereikte de werktrein het station Padang Pandjang.

In dien tijd zijn 842000 M3 grond verzet, waarvan 285000 M3 rots, die men met dynamiet moest laten springen.

Voor de landhoofden der bruggen zijn 6725 M3 metselwerk gemaakt; 13 steundammen zijn gebouwd, tot eene gezamelijke lengte van 1030 meter, waarvoor 11000 M3 breuksteen is gebruikt; een tunnel van 68 meter lengte is geopend en tal van ijzeren bruggen en houten noodbruggen zijn opgesteld.

Tusschen Kajoe Tanam en Padang Pandjang, een afstand van 15725 meter, is over eene totale lengte van 12650 meter de getande staaf aangebracht.

De vallei der Ajer Poetih tijdens den spoorweg-aanleg.

Hoe pijnlijk vroeger een rid viel in een ongemakkelijk wagentje op den zwaren bergweg, thans behoort een tochtje op een der spoorwagens tot de meest gewenschte uitspanningen. Dat de spoorweg eene schoone toekomst heeft en in een groote behoefte voorziet, blijkt nu reeds voldoende. Tijdens den aanleg nam het aantal aanzoeken van inlanders, om met de werktreinen te mogen mederijden, zulke afmetingen aan, dat men genoodzaakt was daar orde op te stellen door de bepaling, dat men, voor zoover de beschikbare ruimte zulks zou toelaten, mede mocht rijden tegen betaling van ƒ 0,50 van Padang naar Kajoe Tanam en ƒ 0,50 van Kajoe Tanam naar Padang Pandjang. Welnu, die vijftig cents-vergunningen, en het vervoer van eenige goederen in ledig terugkeerende wagens, bracht in de maand Maart niet minder op dan twintig duizend gulden.

Te Padang Pandjang is voornamelijk de inlandsche groothandel gevestigd; daar is het kruispunt van de wegen naar Padang, naar. Fort de Koek en naar Solok. Wil men zich een denkbeeld vormen van de afmetingen van dezen handel, men ga een kijkje nemen in de rapatzaal, op dagen, wanneer de adsistent-resident wissels afgeeft op andere gouvernements-kassen. Het bedrag dier wissels, uitgeteld op den cementen vloer, bedekt dezen als met een aaneengesloten tapijt van rijksdaalders; voor tienduizenden guldens aan wissels wordt afgegeven. Het stadje zelf is klein en netjes; op den vrij grooten passar voert een fraaie fontein, op instigatie van den adsistent-resident Prins gemaakt, een stroom frisch bergwater naar een bassin. In den uitgebreiden chineeschen kamp toont toko aan toko u, dat hier heel wat handel omgaat.

Tandradspoor voorbij Kajoe Tanam.

Aan den weg naar Solok wonen de meeste europeesche ingezetenen. Men vindt daar een net logement en eene keurige nieuwe societeit. Verder naar Solok staat een groot militair kampement, waarachter een uitstekende renbaan, met eene eenvoudige gemetselde zuil, de plaats aan wijzend waar eenmaal het fort Groegoeg Malintang stond. Toen in het jaar 1841 de opstand in Batipoe op het onverwachts uitbrak, werd het ingesloten. Na eene dagen lang volgehouden verdediging, begonnen de levensmiddelen te ontbreken en besloot de bezetting ’snachts het fort te verlaten en door het gebergte een uitweg te zoeken naar de benedenlanden. Drie gekwetste militairen, die niet mede konden gevoerd worden, werden naar de kruitkamer gedragen en lieten zich, toen de belegeraars met groot misbaar zich van het verlaten fort dachten meester te maken, met den vijand in de lucht vliegen. Weinige maanden geleden werd te Padang Pandjang met groote plechtigheid de dag gevierd, waarop vóór vijftig jaren die heldendaad plaats greep.

Te Padang Pandjang sluit zich aan den hoofdspoorweg van Padang de zijtak aan naar de residentieplaats Fort de Koek. De afstand tusschen de stations bedraagt 19400 meter, waarin niet alleen een hoogteverschil op het eindpunt van 146 meter moet worden bereikt, doch bovendien het zadel tusschen den Merapi en den tweelingberg Tandikat-Singalang moet worden overgegaan op eene hoogte van 1154 meter + P. P. Hellingen van 80 per duizend zijn dan ook niet te vermijden geweest. Op deze lijn, onder leiding van steller dezes aangelegd, zal de getande staaf op vijf baanvakken gelegd worden, welke respectievelijk 3768, 2799, 1189 en 277 meter lang zullen zijn. Dadelijk na het kruisen van den postweg naar Solok vangen de sterke hellingen aan en wordt, met eene klimming van 80 per duizend, de halte Passar Rebo (979 meter + P. P.) bereikt. Na die halte wordt met tandrad geklommen tot eene horizontale strekking, waarin de ajer Kaleh op groote hoogte boven het rivierbed wordt overbrugd met eene overspanning van 25 meter, waaraan zich eene opening van 10 meter over den postweg aansluit. Een weinig verder wordt, op de halte Kotta Baroe, het hoogste punt van den geheelen spoorweg bereikt.

Langs den oever van het kleine meertje Ajer Tagenan (het stilstaand water) en van een door den spoordam afgesloten meer, de ajer Boesoek, zoo genoemd naar den sterken zwavelwaterstofreuk van het water, daalt men met behulp van tandrad naar de halte Padang Loear (987 meter + P. P.), van waar met adhaesiespoor het station Fort de Kock wordt bereikt. Veel belangrijks. valt er onderweg niet waar te nemen; slechts ter hoogte van Betaga heeft men, tegen zonsondergang, een onvergelijkelijk schoon uitzicht, wanneer de kale top van den Merapi, het zoogenaamde steenenveld, zich met den intens rooden schijn der ondergaande zon kleurt. Vlak ten westen van den Merapi ligt de tweelingberg Tandikat-Singalang, op wiens toppen nog wel de vroegere kraterruimten waren waar te nemen, doch van wien sedert menschen heugenis geen eruptie bekend was, zoodat hij onder de uitgedoofde vulkanen werd gerekend. Op den Singalang is de vroegere krater herschapen in een schilderachtig meer; op den Tandikat was deze met zwaar woud bedekt. In Februari 1889 was het echter met die rust gedaan; in den nacht van den negentienden dier maand brak plotseling de oude kraterbodem van den Tandikat weder open. Zware asch en stoomzuilen ontsnapten uit tien verschillende barsten in den top, en groote kolommen stoom bleven dagen achtereen, onder een bulderend geweld, uit den ouden hoofdkrater omhoog stijgen. Wel is langzamerhand die werking kalmer geworden, doch nog altijd siert de berg zich met een sneeuwwitten stoompluim.

De streek tusschen Padang Pandjang en Fort de Kock is eene aaneenschakeling van vruchtbare sawahs en welvarende kampongs. Op de halte passar Rebo zullen de vele groenten worden aangevoerd, die op de hellingen van den Merapi geteeld worden, als aardappelen, kool en uitjes. Kotta Baroe is eene noodzakelijke halte, daar de locomotief, die tot nu toe den trein tegen de hellingen opduwde, thans aan het benedeneinde moet plaats nemen, om hem bij het afrijden der helling tegen te houden. De halte Padang Loear ligt in eene dicpe ingraving en heeft beteekenis, omdat hier het snijpunt is der wegen van Soengei Poear en Kotta Gadang met den grooten postweg naar Fort de Kock.

(Wordt vervolgd.)

HANDSCHOENEN.

Onder alle menschen, die handschoenen dragen, zullen er weinigen zijn, die precies weten hoe dat toiletartikel wordt gemaakt. De Franschen weten zoo ongeveer, dat het middelpunt der productie Grenoble is, maar van de twintig duizend toeristen of badgasten, die jaarlijks deze stad, op weg naar de Alpen, passeeren, zijn er zeker geen tien, die er belang in stellen eene handschoenenfabriek te gaan zien en van nabij kennis te maken met eene zoo echt nationale fransche industrie.

Ja, nationaal fransch! Want de Franschen hebben in’t vervaardigen van dit artikel zich een roem verworven, die maakt dat in alle groote steden de luxe-handschoenen van fransch maaksel zijn. Dat succes hangt niet enkel samen met een quaestie van smaak, maar vooral met eene van handigheid en kunstvaardigheid. In de handschoenfabricatie geschiedt bijna niets met machines; er zijn dus bekwame handwerkers noodig om goede waar te leveren, en daar de fransche werkman niet spoedig tot landverhuizing besluit, blijven voor de Belgen, de Duitschers en de Italianen, die in dezen met de Franschen concurreeren, slechts mindere qualiteiten over.

Voor wij in bijzonderheden treden, willen we enkele cijfers noemen, die de belangrijkheid der bewuste industrie zullen aantoonen.

Te Grenoble alleen worden jaarlijks gemiddeld 1,200,000 dozijn paren handschoenen, ter waarde van 35 à 36 millioen francs geproduceerd; 25,000 arbeiders, waarvan 4000 mannen en 21,000 vrouwen, vinden in eenen omtrek van 60 kilometer rondom Grenoble hun onderhoud door deze fabricatie. Uit sociaal oogpunt is deze industrie dus ook daarom van belang, dat zij een der weinige bedrijven is, waarin de vrouwenarbeid goed wordt betaald, en zij thuis kan worden uitgeoefend, zonder dat de vrouw het huisgezin alleen behoeft te laten. Indien we er nog bij voegen, dat van de 36 millioen der opbrengst 15 millioen als arbeidsloon wordt uitbetaald en dat die som over een tallooze menigte van huisgezinnen wordt verdeeld, zal men begrijpen in welk een angstige spanning de bevolking van Dauphiné den uitslag der parlementaire beraadslaging afwachtte over de vrijstelling der grondstoffen van invoerrechten. Belasting toch op de huiden, die in Frankrijk worden ingevoerd, stond gelijk met den ondergang van al die brave lieden, die nu in betrekkelijken welstand leven. Men is zeer dankbaar in die streken, dat de protectionisten de ramp hebben voorkomen, door hier hun beginsel te verloochenen.

Niet dat Frankrijk zelf geen zekere hoeveelheid huiden levert, die bruikbaar zijn in de handschoenenfabricagie; maar sedert de handschoen eene algemeene dracht is geworden, zouden de Alpen in Dauphiné nooit de hoeveelheid geiten en lammeren hebben kunnen voeden, noodig voor de productie, terwijl de administratie van het boschwezen zich verzet tegen het fokken van geiten. Inderdaad leveren dan ook enkel de geiten en de lammeren het handschoenenleer, geiten voor 95% en lammeren slechts voor 5%. De overige viervoeters hebben nooit de eer genoten, iemands hand te schoeien, en als men ergens leest van handschoenen van hondenvel, zooals de hooggekleurde voor ruiters en koetsiers wel worden genoemd, kan men zeker zijn dat de koopman op onze naïeve onwetendheid speculeert. Om volledig te zijn, moeten wij hier echter mededeelen, dat in Engeland een soort van leer van de kaapsche geit wordt verwerkt, maar toch slechts in den laatsten tijd en bij uitzondering.

De geiten zelf moeten melkgevend zijn, anders is hun leer te hard en kan het alleen voor schoenen worden gebruikt; en uit het geschikte deel der huid maakt men slechts drie handschoenen, dat is anderhalf paar, zoodat Grenoble, om hare 1,200,000 dozijnen klaar te krijgen, 9,600,000 slachtoffers eischt. Men ziet dus, dat er wel versterking van buitenaf noodig is.

Hoe is nu Grenoble eerder dan iedere andere stad middelpunt geworden der handschoenenindustrie? Dit ligt minder aan de hoeveelheid geiten, die op de Alpen leven, dan wel aan de bijzondere geschiktheid van het water in de buurt der stad voor het verven der huiden. De ververs uit Dauphiné hebben zoo groote verscheidenheid van nuances te hunner beschikking, als niemand anders in hun vak. Een goede fabriek kan u een gamma van driehonderd verschillende tinten vertoonen, en de verbruikers vragen altijd weer nieuwe, die onmiddellijk op bestelling kunnen worden geleverd, naar welk staal ook.

Zullen wij eene „afschuwelijke bijzonderheid” vermelden over het procédé, waardoor de ververs de ideale tinten op hun palet krijgen? Welnu, al die kleuren, waarop de vleugel van een vlinder trotsch zou kunnen zijn, blijven enkel aan het leer hechten door middel van een bijzonder zuur, het urinezuur. Te vergeefs heeft de scheikunde al hare mengsels geprobeerd, om een meer poëtisch equivalent te vinden. Verloren moeite! niets kon de plaats innemen der urine. Sedert lang ziet men dan ook overal in Grenoble, in de kazernes en elders, groote tonnen staan, die ten allen tijde het kostbare vocht en niets anders mogen opnemen. Twee jaren geleden ondernamen de hygiënisten eenen veldtocht tegen dat gebruik; men sprak van afvoerbuizen en riolen. Groote schrik door de gansche streek. Bij de fabrikanten gingen petities rond, waarop handteekeningen werden gevraagd, er kwam straatrumoer, en de vraag werd bij de stadsregeering aan de orde gesteld. Zooveel inspanning verdiende met succes te worden bekroond: de tonnen zijn gehandhaafd en leveren nog steeds hunnen inhoud aan de nijvere ververs.

Laat ons nu eens zien, hoe het in zulk eene fabriek toegaat van het oogenblik af, waarop de huiden, mooi wit en gelooid, van den leerlooier komen, tot op het tijdstip, waarop de handschoenen, keurig ingepakt, naar de groothandelaars worden verzonden. Tusschen de hooge stapels huiden bewegen zich de employés der fabriek en beginnen zeer zorgvuldig eene eerste schifting, die hoogst belangrijk is. Zij onderzoeken de vellen, het eene na het andere, en beslissen naar den korrel, de fijnheid en het weerstandsvermogen, welk soort van kleur er op moet worden aangebracht. Een massa kleinere stapels met etiquetten verrijzen weldra om hen heen. Elke kleur heeft hare eigene soort huiden; wij zullen over die, welke zwart worden geverfd, een woordje zeggen.

’t Zijn de vellen van die geiten, die puisten en knobbels op hare huid hebben, welke, als ze worden verwijderd, vlekken of kale plekjes achterlaten, waardoor lichte kleuren niet egaal genoeg kunnen worden verspreid. De zwarte tint bedekt al die ongerechtigheid. Ook is dan reeds van te voren uitgemaakt, of men van het vel glacê-handschoenen of peau de Suède handschoenen zal vervaardigen. Want die twee soorten, die op ’t gezicht en het gevoel zoo uiteenloopen, zijn identiek; alleen wordt het glacé gedragen, zooals het dier zijne huid draagt, zoodat de buitenkant die is, waarvan het haar is verwijderd, terwijl de Suède-handschoen een omgekeerde huid is, waardoor de vroeger harige zijde in aanraking is met de hand.

Na de eerste schifting worden dan de huiden naar den verver gezonden, en ze komen terug om te worden geknipt. Nu moet er nog een gewichtige schifting plaats hebben; er moet n.l. worden bepaald, voor welke soort van handschoenen en welke grootte ieder vel geschikt is, waarbij met millimeters moet worden gerekend. Het vel gaat dan naar den handschoenmaker voor de „dolage”, dat is een bewerking, waardoor het leer wordt geschoren met een zeer fijn en scherp instrument, om er een minimum van dikte, gepaard aan een maximum van rekbaarheid aan te geven. Dat is een zeer subtiel werkje, dat een tweejarig leerlingschap eischt, en inderdaad kunnen dan nog de bekwaamste werklieden niet meer dan zes vellen per uur schaven. Natuurlijk worden de glacé-handschoenen op den verkeerden en de peau de Suède op den rechten kant der huid geschaafd.

De stevigheid van het leer neemt, zooals men weet, van buiten naar binnen af. Daarom bezigt men voor het maken van peau de Suède handschoenen de zuidamerikaansche huiden. Op de pampa’s leiden de dieren een geheel vrij leven, komen nooit in stallen en hun huid heeft veel te lijden, zoodat ze vast en hard wordt, en niet meer geschikt is voor glacé’s, maar de binnenzijde wordt des te beter geschikt voor de Suède-handschoenen.

Men zou kunnen meenen, dat wegens de moeilijkheid van het schaven, de werklieden, die er mede bezig zijn, specialiteiten daarin worden, die niets anders verstaan. Zoo is het niet; men heeft integendeel als regel gesteld, dat wie den handschoen maakt, hem ook „schaaft”, omdat hij dan beter al de eigenschappen van het leer kent, en zoo gaat dezelfde bewerker over tot het knippen, of eigenlijk eerst tot het „rekken”, waarbij het leer in de lengte en de breedte wordt uitgetrokken en over een kartonnen modelhand wordt gespannen.

Na die bewerking heeft de coupeur zijn werk gedaan. Vroeger moest hij dan ook nog de insnijdingen voor de vingers er in maken, maar Xavier Jouvin heeft een systeem uitgevonden, waardoor dit knippen in eens voor vier of vijf paren te gelijk kan geschieden. Dit is de eenige bewerking, waarbij eene machine wordt gebruikt, die intusschen het werk grootelijks heeft vergemakkelijkt. Voor den uitvinder is een statig standbeeld op een der grootste pleinen van Grenoble opgericht.

Nu is de handschoen gereed voor de hand der vrouw, der arbeidster, wel te verstaan. In groote kisten worden de handschoenen, als ze zoo ver klaar zijn, naar buiten gezonden. In de verschillende dorpen worden ze in ontvangst genomen door lieden, die verantwoordelijk zijn voor het werk, dat ze onder een groot aantal vrouwen verdeelen. Die tusschenpersonen maken natuurlijk wel, dat het loon lager is, dan noodig zou zijn, maar de groote fabrieken willen niet anders werken. Ook in Grrenoble zelf zijn werkplaatsen, waar de handschoenen worden genaaid, sommige ware paleizen der industrie. De kleine, elegante dauphineesche handschoenennaaistertjes werken er in ruime, hooge zalen, en wat ieder moet treffen is de fijnheid en de vlekkelooze reinheid harer teedere handjes. De voortdurende aanraking met het geitenleer schijnt hare huid zoo zacht te hebben gemaakt, dat geen gravinnenhand in fijnheid met die der ijverige arbeidsters te vergeleken is. Ze zitten ieder voor een kleine, door stoom bewogen naaimachine, die ze door een geringe beweging met den voet kunnen laten stilstaan en weer aan den gang brengen.

Men rekent, dat er ongeveer twaalf uren noodig zijn, om een dozijn handschoenen te naaien, middelmatig groote met vier knoopen. De knippers hebben evenveel tijd noodig; dus elk paar handschoenen eischt twee uren handenarbeid. Dan is echter het werk nog niet afgeloopen; de stempeling moet nog geschieden, het nazien of ergens fouten zijn ingeslopen, en de verpakking.

Tegen welken prijs wordt het fabricaat geleverd? Grrenoble maakt, zooals wij gezien hebben, slechts luxe-handschoenen of ten minste zeer goede soorten. Men schat dus gemiddeld den prijs daar op 34 of 36 francs het dozijn paren, zoowel voor de glacéals voor de Suède-handschoenen. De niterste prijzen zijn 16 frs. het dozijn voor de tweede sport en 60 frs. voor extra goede qualiteit, als men den handschoen met vier knoopen tot maatstaf neemt.

De loonen bedragen, voor de mannen, voor een arbeidsdag van tien uren 5 frs.; de vrouwen ontvangen voor denzelfden werktijd slechts 2 frs. a 3.50 frs.; allen worden naar stukwerk betaald. Salarissen der talrijke ambtenaren komen er voor van 1800 tot 4000 frs. per jaar voor mannelijke, van 90 a 100 frs. per maand voor vrouwelijke employées.

In deze industrie blijft het aanbod van werkkracht beneden de vraag, ’t geen op een grooten bloei der industrie zou wijzen; toch zijn de zaken in de laatste tien jaren niet vooruitgegaan. Dat komt, doordien in 1875 de buitenlandsche industrie met de fransche is gaan meedingen, zoodat nu goedkoope belgische, duitsche en italiaansche handschoenen de fransche markten overstroomen. In de goede soorten blijven de fransche handschoenen het echter winnen. Toch wordt wel eens een offer gebracht aan den valschen smaak. Zoo ging dit jaar uit Grrenoble een bezending naar Buenos-Ayres, bestaande uit handschoenen met achttien knoopen, vuurrood en grasgroen van kleur, zoo leelijk, dat de honden op straat ze zouden aanblaffen.

Meyringen verbrand.

DOOR

J°. DE VRIES:

Hier ligt het voor u, het welbekende en geliefde Meyringen, een dier kleine plaatsjes, die voor den reiziger zijn als aardige lieve kinderen in een gezelschap van groote, deftige menschen. Zij zien u aan met hun vroolijke eenvoudige kinderoogen, zij lachen u tegen, voorkomend en vriendelijk, niet vragend wie gij zijt, en een gevoel van thuis te zijn komt over u, als gij ze liefkoost. Zoo heeft de toerist het aardige Meyringen geliefkoosd en zich verkwikt aan zijn kinderlach, wanneer hij de majesteit van het Berner Oberland, de trotsche bergen en het koud en gemaakt verkeer van deftige hotels ruimschoots genoten had. Meyringen — daar ligt het rustig en vredig tusschen en op de geweldige, klimmende en dalende, gescheurde en gespleten, lomp en zwaar gekantelde en geklemde rots- en berggevaarten — een gansche aard-revolutie, tot stilstand gebracht in ’t midden van een harer pijnlijkste krampen. Maar de tijd heeft de bergen met bosschen, de glooiingen met weiden, de steilten met watervallen, de diepten met stroomen getooid en onder het licht der zon blinkt het al van diep en sappig groen en zingt het de muziek zijner ruischende beken en plassende wateren. Met dit zijn Meyringen heeft Zwitserland aan het Berner Oberland als de hand der vriendschap en liefde gereikt. Het is de eeuwen door zoo echt Zwitsersch geweest, dat de Meyringsche huizen met de donkere houten verdiepingen op hun steenen onderhuis, de uitslaande luikjes, de lange balkons, de naar voren uitstekende puntdaken, de ruw gebeeldhouwde steunsels er onder en de zware steenen er op, zoo uit de werkplaats van een zwitserschen houtsnijder schijnen te komen.

Meyringen.

„Echt zwitsersch! aardig!” zeggen de reizigers, die ’t zien en rondkijken — „net zoo’n huisje hebben wij thuis op de étagère staan.” Daar zijn ze nu; maar in hun eigen omgeving; en hoe veel mooier zijn zij met den zonneschijn op het bruin geworden pijnhout, en hoe veel geestiger staan zij in de rij, met de beek er voor en er langs, en de koeien die er drinken en de kloeke zwitsersche boerin er bij; hoeveel aardiger dan bij u in ’t kastje, tusschen dat zilveren wiegje en het dikbuikig chineesche poppetje van speksteen!

Meyringen echter is niet meer. Een booze geest, die gebleven is, toen de groote bergenrevolutie werd gestuit, een echte kwaadaardige, wispelturige kobold, die ’t niet kon aanzien hoe vredig de menschen hun huisjes bouwden op den rug van de gevelde en verstramde reuzen, heeft Meyringen geplaagd en plaagt het met valsche, afwisselende buien van toeschietelijkheid en woede. Hij droogt soms het gras met zoo vluggen ijver, dat het met al zijn geuren wel bewaard wordt binnen gehaald. Maar soms blaast de Föhn, — zoo heet de booze geest — met zijn drogen, drogen adem zóó fel door de straten, dat het hout al zijn vochtigheid moet afgeven, en als dan een vonkje vliegt, dan jaagt hij het op, dan zet hij het droge hout er mee in vlam, dan blaast en wakkert hij de vlammen aan, en in één oogenblik, alsof gij uw kleine zwitsersche étagère-huisjes in den haard had gezet en er met den blaasbalg in bliest, is Meyringen weg. De steenen onderhuizen staan als leelijke vierkante blokken op hun oude plaats, het huis ligt er op als een uitgebrand offer op het groote steenen altaar. Geen alomtegenwoordig water, geen verbeterde brandweer, geen zorg van brandwachts, geen veiligheidsmaatregelen, geen verbod van rooken en vuur dragen baat. Als de Föhn waait, steekt gij Meyringen in den brand met de vonk van een uitgebranden lucifer.

In 1879 is het aardige vlek een prooi der vlammen geworden, en deelnemend schrijft een reiziger-auteur: „Mogen van die ramp weldra de laatste sporen zijn uitgewischt!” Er valt niet aan te twijfelen of aan zijn wensch zal zijn voldaan, spoedig is Meyringen weer geworden wat het was. De rol van den vogel Phenix te spelen is voor zulke plaatsjes gemakkelijker dan voor Hamburg, Chicago of Enschedé. Maar het is een ramp zoo, als op een vulkaan, te moeten leven en ieder oogenblik met den brandstapel te worden gedreigd, en nu, na ruim tien jaren, de oude vervolger weer is losgebroken, zal men maatregelen nemen.

Maatregelen tegen de Föhn? Gij zoudt ze even goed kunnen nemen tegen den woestijnwind of tegen de ijsbergen in de noordelijke zeeën. Doch laat ons voorzichtig zijn. Wie weet wat het dynamiet nog vermag, en laat ons het fronsen niet uitlokken van de wenkbrauwen der alles vermogende wetenschap. Zoo willen wij met de bescheidenheid, die ons past — heeft men niet al regens gemaakt? — alleen zeggen dat tot dusver de Föhn zijn meester nog niet heeft gevonden en hij over den hoogen rand der bergen heen blaast, onder omstandigheden, die thans niet in de macht van de menschen zijn. Doch zoo er geen maatregelen te nemen zijn tegen zijn blazen, toch zijn er maatregelen te nemen tegen zijn vernielzucht. En die zullen genomen worden. Wij leven in een tijd van maatregelen, van policie, van groote ondernemingen ter voorkoming. Wij zijn verslaafd aan het naspeuren van oorzaken, aan het aanwijzen van gevolgen, aan het toepassen van Westinghouse-rems, aan het stellen van signalen, aan het fabriceeren van veiligheidskleppen van allerlei aard, machinale en maatschappelijke; wij doen de zaken in ’t groot, met groote middelen en algemeen geldende maatregelen, en iets aan ’t fortuin over te laten en zich met hoop te vleien en te denken: „misschien gaat het ongeluk ons voorbij t” wie mag daaraan denken? Straks zullen alle huizen van steen en ijzer moeten gebouwd worden en al vast zal Meyringen prijken met… geen zwitsersche étagère-huisjes meer. Men wijst u naar boven, naar de Föhn! Gij zwijgt — om de Föhn! Wat zult gij er tegen zeggen? — Dom dat de menschen dat niet eerder begrepen hebben, niet waar? — Ja, meneer, heel dom, de arme menschen wisten misschien niet dat hout brandt, of misschien, nog dommer, vonden zij hunne nationale huisjes aardig en lieten zij ze ter wille van de vreemdelingen!

De Nieuwe Rotterdammer, die een woord van deernis spreekt, zegt, dat de lijnen voor het nieuwe Meyringen al worden getrokken; mooie trottroir-handen hoop ik? — dat de nieuwe aanleg wordt gereed gemaakt; toch met lange kaarsrechte straten, als ’t kan en een rond-point! — dat de huizen tegen brandgevaar beschut en de aanvallen der Föhn verijdeld zullen worden door van nu af de huizen op te trekken van steen, met pannen daken.

Dan zal men het gewonnen hebben van den boozen geest! Dan is de traditie weg en de poëzie weg, dan heerscht de nuttigheid.

„Fin de siècle!” zucht een oude idealist, Meyringen zal Meyringen niet meer zijn, zonder zijn zwitsersche huisjes. De eeuw loopt ook in Meyringen op haar eind!

DE TAAL DER BEENEN.

Wij willen hier niet spreken over den balletdans, noch over den volksdans, die meest primitieve uiting van volksvreugde — maar enkel over den gezelschapsdans. Wij verstaan daaronder de universeele taal der beenen, zooals die in balzalen en salons gesproken wordt. Zij is internationaal, en ofschoon er zeer vele dialecten zijn, wordt zij in Hammerfest zoowel als in Napels, in Petersburg zoowel als in Milaan, in Sydney zoowel als in Boston gesproken en verstaan.

Wie de ontwikkelingsgeschiedenis van den dans nagaat, krijgt tevens een beeld der ontwikkeling van de haast en de zenuwachtigheid der menschheid. De in steeds heftiger tempo gedanste rondedansen dreigen de statige figuurdansen geheel te verdringen. In den tijd der postkoetsen, de menuët en de sarabande; in het overgangstijdperk de bedaarde walsen; in den tijd der sneltreinen en van de electrische vonk, de razende galop. De groote werveldans van het moderne leven wordt in miniatuur in de danszaal gesymboliseerd.

Of er geen tranen zouden rollen, over het klassiek-helleensch gelaat van Terpsichore, indien zij een blik kon werpen in een moderne danszaal? Wie weet?

Er wordt over het algemeen slecht, zeer slecht gedanst.

Het klinkt misschien paradoxaal, maar men zou kunnen beweren: de danslust is te allen tijde gelijk gebleven, maar de onverschilligheid ten opzichte van het dansen is toegenomen.

De ontwikkeling van den modernen dans bewijst dit.

De langzame, gemoedelijke dansen geraken geheel in vergetelheid; de polka en de schotsche wals loopen zóó ineen, dat bijna geen mensch meer weet dat er in vroegere dagen een groot onderscheid tusschen beide bestond. Dansen, die een gecompliceerden rhythmus hebben en dientengevolge gecompliceerde bewegingen eischen, zooals de polka-mazurka en de Rhijnlander, behooren tot de minst geliefde dansen. Wordt de polka-mazurka gespeeld, dan behelpen twee derden zich met het universeel middel, de „schotsche.” Noemt men de walsen, de schotsche en den galop, dan heeft men het geheele dansrepertoire genoemd. Van de beide contradansen, de lanciers en de française, die de levendigste en de meest phlegmatieke natie op het fondament van den figuurdans hebben opgebouwd, heeft de laatste overal, de eerste slechts hier en daar het burgerrecht verkregen. En zelfs in die dansen wordt het figuurlijk element nog voor een groot gedeelte weggelaten. Wie tegenwoordig in de française nog den taktmatigen pas uitvoerde, zou terstond als een dorpeling worden gebrandmerkt. De echte „dame” en de echte „heer” „loopen” de toeren zoo nonchalant mogelijk. In elken pas moet men het: „wat kan het schelen”, kunnen lezen.

Men danst slecht, heel slecht; wij nemen geen woord van die bewering terug. Bij de manier, waarop het onderwijs wordt gegeven, is dat niet anders mogelijk. De gedistingeerde oude heeren met hunne gouden snuifdoozen, wier alpha en omega vorm-schoonheid en bevalligheid der bewegingen was, zijn reeds lang tot het stof verzameld. Tegenwoordig worden een paar dozijn menschenkinderen te zamen gedrild, tot hun instinct zich zoover heeft ontwikkeld dat zij, zonder een ongeluk te krijgen, paarsgewijs in een kring kunnen meedraaien. Dan zijn zij voor de balzaal gereed. Wie vraagt er naar voetzetting, lichaamshouding, armbeweging?

En de menschenkindertjes verlangen ook niets meer dan men hun aanbiedt. Men wil zich in de balzaal vermaken, met elkaar kennis maken — meer niet.

Wanneer de dans een hinderpaal is voor de conversatie, dan vinden de meesten hem niet meer aangenaam.

Niemand minder dan Strausz heeft zich naar die neiging der menschen willen schikken. Hij heeft een bijzonderen conversatie-wals voor de Weener aristocratie gecomponeerd, die als een wonder aangekondigd werd, maar waarvan men nu toch weinig meer hoort.

Het is ontegenzeggelijk waar, dat een groot gedeelte der dansers genot vindt in de beweging van het dansen, wanneer’ dit vlug en flink van stapel loopt. Maar het getal der gourmands van den dans, die hem enkel liefhebben om zijn zelfswil, die de weelde van het rhythmisch-sympathiseeren kunnen smaken, ook dan wanneer hun partner hun niet sympathiek is, is zeer gering, want zij moeten echt muzikaal zijn.

Zoo dikwijls ik een blik in een balzaal heb geworpen, heb ik het steeds betreurd geen humoristisch teekenaar te zijn. Welk eene menigte caricaturen, vooral van de heeren der schepping zou ik hebben kunnen leveren! Van de drie paren zijn er stellig twee, die groote moeite hebben om in de maat te dansen. Kleine heeren draaien zich wanhopig om groote dames en kleine dames hangen hulpeloos aan den arm van groote heeren. En toch zijn er velen, die zich er op beroemen goede dansers te zijn; vooral de zonen van Mars zijn op dien eeretitel prat.

Maar waarin bestaat in den regel het goede dansen? Hierin, dat men in tien passen de geheele zaal doorvliegt, dat men zijne dame in vier draaiingen naar rechts en links, door de geheele zaal zwaait. Slechts uiterst zelden zal men, en dan nog steeds in eene aristocratische danszaal, „de schoone harmonie der voeten” kunnen bewonderen.

De Duitschers hebben de koningin der rondedansen, de wals, geschapen en haar aan de andere natiën geschonken. En hoe velen kunnen haar dansen? Overal woekert de afschuwelijke huppel wals; slechts sporadisch ziet men een paar dat, hoogst waarschijnlijk met Amor tot onderwijzer, den echten zes-pas maakt.

De gave van het dansen is onder de verschillende nationaliteiten zeer ongelijk verdeeld. In Duitschland danst men in het Zuiden over het geheel veel beter dan in het Noorden, daar enkel de Saksers den naam van goede dangers verdienen. Hierover behoeft men zich niet te verwonderen; de Saksers zijn geboren musici. Zeer goede dansers zijn de luchthartige Rhijnlanders. De Oostenrijker walst bijna uitsluitend. Elke Weener zal u verzekeren, dat slechts de bewoners van Oostenrijks hoofdstad kunnen walsen. De Kussen hebben zich met hun aanpassingsvermogen zeer behendig de Europeesche dansmanier eigen gemaakt en dansen over het algemeen zeer bevallig. Den Polen zit het dansen in het bloed. Eene zeer bijzondere positie nemen de Engelschen en Amerikanen in. Practisch als zij zijn, hebben zij een universeelen dans uitgevonden, die even goed op de 3/4 maat der wals als op de 4/4 maat der schotsche kan gedanst worden.

Rechtsom — linksom, tusschen elke draaiing een verbindende pas, ziedaar de angelsaksiche universeele dans, die in het aristocratische Boston zijn hoogtij viert. Men moet echter toegeven, dat bij die phlegmatieke, ernstige danswijze minder tegen den goeden smaak wordt gezondigd dan bij het hollandsche huppelen en springen. Slechts bij uitzondering zijn de romaansche volken, hoe beweeglijk en levendig ook, goede dansers. Ik heb bijvoorbeeld nooit kunnen zien dat de Pranschen, die anders in het leven de „chic” der beweging schijnen gepacht te hebben, mooi dansen. Zelfs de française kon mij niet behagen. Zij spartelen, worden zenuwachtig en hun dansen heeft steeds iets cancanachtigs.

Het is waarlijk interessant in de kurzaal van Wiesbaden of Baden-Baden de verschillende dans-dialecten te bestudeeren, en te zien hoe ieder van zich zelven gelooft dat bij de zuiverste, meest onvervalschte danstaal spreekt; hoe de Duitschers de Engelschen lachend nazien, die met de beweging van een schroef zonder einde plechtig om zich zelven draaien, en hoe de Engelschen spottend naar de Duitschers kijken, die onrustig huppelen en springen. Alweer is hier de fabel van den ring toepasselijk: — ieder meent den echten te bezitten.

VERSCHEIDENHEID.

Onder het Schrikbewind.

De fransche geschiedschrijvers brengen steeds meer documenten aan het licht, die op de schrikperiode van de groote revolutie een nieuw licht werpen. De onder dat bewind levenden hebben het niet zoo akelig gevonden als wij, die er slechts over hoorden. De Parijzenaars waren zelfs op de bloedigste dagen niet sprakeloos van angst of diep zwaarmoedig, en men dacht aan vele andere dingen dan aan arrestaties en guillotine. De „deftige” schouwburgavond was onder het Schrikbewind dinsdagavond, maar wanneer men huiswaarts keerde ontmoette men bijna zonder mankeeren de karren met de onthoofde lijken. Toch — zoo vertelt een tijdgenoot — stroomde de elegante wereld naar den schouwburg; men liet alleen de gordijntjes voor de portieren neer, wanneer de karren naderden. Het zou natuurlijk dwaas zijn te beweren, dat het leven geheel zijn gang ging als gewoonlijk; maar het is een bekend feit, dat de Parijzenaars in die dagen doller op tooheelvoorstellingen waren dan ooit, iets wat misschien zielkundig zeer goed te verklaren zou zijn.

En men legde zijnen tegenzin tegen de machthebbenden openlijk aan den dag. Overal waren politie-agenten verspreid: „Parijsche opmerkers”, zooals zij eigenlijk werden genoemd. Deze spionnen gaven aan en arresteerden schrijvers en tooneelspelers, die eene heldin van adel lieten optreden. Maar het geheele publiek kon men moeielijk gevangen nemen. Het publiek moest men met vrede laten, zelfs al jouwde het een patriot uit, die protesteerde tegen maatschappelijk gevaarlijke liedjes als:

Ah! les persécuteurs sont les plus condamnables

Et les plus tolérants sont les plus raisonnables.

Daarenboven stond men machteloos tegenover al de ironie, die zich openbaarde in toon en gebaren; men had o. a. de aardigheid om het woord citoyen uit te spreken op een wijze, die de politie-agenten tot machtelooze woede prikkelde.

En dat sommigen in dien tijd „goed” leefden wordt wel bewezen door het feit, dat de restaurants bloeiden. De koks der rijken waren restaurant-koks geworden. Bij den restaurateur Méo werd zoogenaamde Chantilly-cognac geschonken van zestig francs de flesch. Er werd evenveel „genoten”; alleen de personen waren verwisseld en daardoor ook de gesprekken veranderd.

De onderaardsche telegraafdraden in China.

In China geschiedt de telegrapbische verbinding, overal waar die bestaat, door onderaardsche draden. Vraagt men naar de oorzaak van dezen aan de veiligheid der levenden zoo ten goede komenden maatregel, dan is het antwoord, dat de vereering der dooden in dit om zijn achterlijkheid beruchte land meer in dit opzicht heeft uitgewerkt, dan in de vooruitstrevende Vereenigde Staten van Noord-Amerika wettelijke bevelen en gemeentelijke verordeningen in staat zouden zijn te doen.

Een der zwaarste beleedigingen, die men in China het levend geslacht kan aandoen is deze, dat men een schaduw laat vallen op de plek waar voorvaderlijk gebeente rust. Nu heeft men in het Hemelsche Rijk, vooral in de plattelandsgemeenten, geen eigenlijke kerkhoven; ieder begraaft daar zijn familieleden nabij zijn huis, zoodat er, ook al ten gevolge van de sterke bevolking van dat Rijk, bijna geen terrein langs den weg is, of in een hoekje daarvan rusten de dierbare afgestorvenen.

Toen nu de werklieden, belast met het op onze gewone wijze, over palen, aanleggen van de eerste telegraaflijn die palen begonnen te plaatsen, duurde het niet lang of zij ondervonden den hevigsten tegenstand. De palen werden uit den grond gerukt en den werklieden werd beduid, dat, als zij hun leven lief hadden, zij ze er niet weêr in moesten planten. Die mannen vroegen hunne superieuren om raad, en wat hoorden deze bij nadere informatie? Dat een menigte van die lange palen, bij den in den loop van den dag veranderden zonnestand, hunne schaduw wierpen op meer dan een graf, en dat de Chineezen van deze als het ware stelselmatig ingerichte, bijna dagelijks terugkeerende beleediging niets wilden weten.

Geld noch goede woorden baatten om de Chineesche boeren tot andere gedachten te brengen; men was genoodzaakt de eerste telegraafleiding in den grond te leggen en sedert dien tijd is het in China altijd zoo gegaan.

Zoo ten minste verhaalt de Scientific American.

Het uitstorten van olie door reddingsbooten.

Het uitstorten van olie door reddingsbooten kan, als men het inricht naar de denkbeelden door den heer Debrosse te Havre in praktijk gebracht, geschieden zonder dat de toch reeds zoo spaarzame ruimte in die booten daardoor te veel wordt in beslag genomen. Alle reddingsbooten, kan men wel zeggen, hebben tegenwoordig van voren en van achteren luchtkasten, die het zinken beletten; deze nu wil hij gebruiken als reservoir van saâmgeperste lucht, wier spanning de olie op eenige meters afstand rondom de boot zal uitwerpen.

De heer Debrosse heeft een model van een dus voorziene boot doen bouwen. Onder de zooeven genoemde luchtkasten bevinden zich de met saâmgeperste lucht gevulde doozen van gegalvaniseerd plaatijzer, die zich nauw aansluiten bij den vorm van de boot. Door middel van een nauwe buis met kraan staan zij in verband met de olie-reservoirs. Zij kunnen worden gevuld door middel van een perspomp, die, om geen ruimte te doen verloren gaan, midden in de boot onder een bank staat.

De olie komt door twaalf openingen uit den bak; ieder van deze communiceert met een buis, die binnen in de boot langs den wand loopt. Zij zijn verdeeld in vier groepen van drie: twee van voren, waarvan één aan stuurboord en één aan bakboord en twee aan weerszijde van den achtersteven. Bij iedere groep is één spuitpijp, die de olie spuit in de richting van de lengte der boot en twee die dit zijwaarts doen. Om dit te bewerken behoeft slechts voor en achter één man van de equipage, zonder van zijn plaats te gaan, eerst de kraan van het luchtreservoir te openen, waardoor de saamgeperste lucht op de oppervlakte van de olie drukt en daarna de kranen der spuitpijpen. Deze laatsten zijn er op ingericht dat men ze naar willekeur zóó kan zetten, dat de olie of vooruit of zijdelings wordt gespoten.

Dennenaalden als materiaal voor weefsels.

In den laatsten tijd zijn dennenaalden een belangrijk handelsartikel geworden, als materiaal voor de vervaardiging van zakken, matten enz. In Noord-Carolina worden, door een aldaar bestaande fabriek, dagelijks reeds 2000 yards stof uit dennenaalden geproduceerd, welke even goed als en nog goedkooper dan jute is. De bereiding moet zeer eenvoudig zijn. De in groote hoeveelheden verzamelde dennenaalden doet men in een grooten ketel, waarin zij met alcali, op een lage temperatuur, gedurende 12 uren gekookt worden. Nadat zij voldoende geweekt zijn, ondergaan zij een aantal mechanische bewerkingen, zooals wrijven, uitwringen, kammen, drogen, uitrekken en spinnen, welke alle door verschillende machines worden verricht. De stof moet dan nog gekalanderd, d. w. z. glanzend gemaakt worden, ’t welk door rollen gerchiedt; zij is dan voor de verdere verwerking geschikt. De verschillende behandelingen na het uitwringen komen veel overeen met de bewerkingen, die bij het fabriceeren van katoenen stoffen gebruikelijk zijn. Het materiaal is ook zeer geschikt tot opvulling van kussens enz. Men heeft berekend, dat iedere voet van een bebladerden dennetak 1/2 kilogram groene naalden oplevert; wanneer men voorzichtig te werk gaat kan het inzamelen geschieden zonder de boomen te beschadigen.

De oasen van de Sahara.

De heer Jean Dybowski, die op het oogenblik in Noord- en Centraal-Afrika reist, heeft dezer dagen belangrijke mededeelingen gedaan omtrent de oasen van de Sahara. Naar zijne meening is de Sahara bij de noodige besproeiing in bijna al hare deelen vruchtbaar. De oasen zijn geen van allen van natuurlijken oorsprong, maar met behulp van irrigatie met onderaardsche wateren door de Arabieren in haar tegen woordigen toestand gebracht. Wordt dit systeem meer algemeen toegepast, dan kan het grootste gedeelte van den bodem met groene weiden bedekt worden. Op slechts enkele plaatsen is de ondergrond zoo droog, dat er geen sprake van bebouwing kan zijn. Bij de uitbreiding van de macht der Franschen hebben de Arabieren de. oasen veronachtzaamd. Biskra was vroeger een handelscentrum met veel vertier, doch thans heeft de handel er maar weinig meer te beteekenen. Ook moet de achteruitgang der oasen worden toegeschreven aan de onderdrukking der slavernij in het fransche grondgebied, omdat de slaven gewoonlijk werden achtergelaten op vruchtbare plekken, om de palmen te verzorgen, die het geheele jaar door besproeid moeten worden. Volgens Dybowski mag men grootsche verwachtingen koesteren van kolonies van vrije negers; vooral te El Golea zouden deze ongetwijfeld met goed gevolg bekroond worden.

De smaak.

Over den smaak valt niet te twisten is een spreekwoord waarover dikwijls met niet veel smaak is getwist. Zeker is het evenwel dat de smaak van andere volken niet naar den onzen is af te meten. Dit heeft menig Europeesch koopman, die in vreemde landen geen afzet vond voor zijne waren, tot zijne eigene schade ondervonden. Maar niet alleen speelt bij zulk een échec de smaak eene rol; zeer dikwijls moet men ook met bijgeloof en godsdienstige vooroordeelen rekening houden.

Professor Schlegel maakt er opmerkzaam op, dat vooral bij de Chineezen de kleur eene groote rol speelt. Vele kleuren beschouwen zij als gelukaanbrengend, andere daarentegen als voorboden van ongeluk en waren, die verpakt zijn in kleuren, welke door hen als fatale kleuren worden beschouwd, kunnen nimmer op afzet rekenen. Waren, in bruin papier gepakt, worden in China bijna zonder uitzondering geweigerd, wijl bruin tot de ongelukskleuren behoort. Europeesche naalden zijn veel beter dan Chineesche, maar zij worden in China niet verkocht, omdat zij meestal in zwart papier zijn verpakt. Een ondernemend koopman had jaren lang in Japan kalenders ingevoerd, die zeer goeden aftrek vonden. Om deze eens heel mooi te maken liet hij ze op groen papier drukken — en hij bleef met de geheele oplaag zitten.

Proeven met rietsuiker.

Sinds 1882 heeft men in Siberië proeven genomen, ten einde uit te maken, in hoeverre suikerbieten kunnen worden geteeld in het district Minussinsk, in het gouvernement Jenisseisk. Deze proeven, waarbij gebleken is, dat op den rechteroever van den Jenissei de geschiktste grond wordt aangetroffen voor de aankweeking van het genoemde gewas, zijn met gunstige resultaten bekroond, want niet. alleen zijn de oogsten voldoende geweest, maar tevens is het suikergehalte zeer bevredigend. Om nu de suikerfabricage in Siberië in te voeren, heeft de regeering zekeren Gussiew landerijen afgestaan, onder voorwaarde dat hij daarop suikerbieten teelt en een fabriek opricht.

De kortste weg van Europa naar Oost-Azië.

De kortste weg van Europa naar Oost-Azië gaat thans over Canada. Den 13den Mei 11. kwam te Londen de eerste post langs de nieuwe route aan. Deze was van Yokohama in Japan slechts 25 dagen onderweg en had niettemin nog 3 dagen oponthoud gehad in Amerika, omdat juist geen stoomboot tot verdere verzending voorhanden was. De brieven uit Shanghai waren 32 dagen onderweg. Zonder dat onnoodige oponthoud zouden de brieven respectievelijk in 22 en 29 dagen te Londen zijn aangekomen. De stoomboot Empress of India stak in 10 1/2 dag den Stillen Oceaau over en de Canadian Pacific Railway bracht de post in 91 uur van den Stillen naar den Atlantischen Oceaan.

1 De toevallige medewerking van den franschen scheikundige le Bel mag niet onvermeld blijven.