HOE SINTERKLAAS VAN ZIJN VOETSTUK VIEL.

DOOR

H. DE VEER.

 

’t Was een huis geheel uit zelfverloochening en ongeluk opgebouwd en toch hadden de vreugde en de levenslust er herberg gevonden. Wij waren met ons achten, wanneer ik de dienstboden niet meereken, wat eigenlijk tegen den heersckenden geest was, want zij werden alle drie, zoowel de beide meiden als de oude, getrouwe huisknecht, als leden van het geheel beschouwd en beschouwden zichzelve als zoodanig.

Grootvader was het hoofd. Toen hij juist een begin meende te maken met het tijdvak van welverdiende rust, ’t welk zijn werkzaam leven zou besluiten, had het lot hem zwaarder lasten opgelegd dan hij nog ooit had te dragen gekregen. Achtereenvolgens maakte de dood mijne neefjes en nichtjes en mijn zusje en mij tot weezen. ’t Sprak van zelf, dat grootvader ons zijne armen ontsloot en de taak onzer voeding en opvoeding op zich nam.

Evenzeer sprak ’t van zelf, dat tante Marie, alle plannen en berekeningen van een rustig samenwonen met haar vader, wiens jongste en liefste kind zij was, opgaf en de moederrol over de zes ouderloozen gewillig op zich nam. Tante Marie was voor die rol als geknipt. Gaandeweg moeten zich bij haar eigenschappen en deugden hebben ontwikkeld, die menige wezenlijke moeder haar mocht benijden. Wij kinderen hingen haar aan en vereerden haar als eene heilige. In onze oogen was niemand zoo volmaakt goed en lief en vriendelijk als zij.

Hoe wist zij onze wenschen te raden en te voorkomen! Hoe prettig kon zij vertellen! Met hoeveel beleid vervulde zij onze jonge harten van schaamte en berouw, wanneer wij haar bedroefd hadden! Hoe zwollen diezelfde harten als tante Marie ons prees!

Ook van grootvader hielden wij veel, maar op een heel andere manier. Grootvader kon heel wat van ons verdragen, doch bij zekere grenzen was ’t uit met zijn geduld, en wij armen wisten, helaas! niet altijd waar die grenzen lagen. Alleen bezaten wij een soort van barometer in zijne oogen, wier uitdrukking op eens van zacht en vriendelijk tot toornig kon overslaan. We werden zelfs met de jaren heel knap in het voorspellen van onweer, regen of wind, al haast ik mij hier bij te voegen, dat de doorgaande barometerstand op goed en bestendig wees.

Zoo leefden wij in vrede, evenals menig volk van den ouden en nieuweren tijd, ondanks het sombere begin van onze kleine maatschappij.

Grootvader was een ouderwetsch man. Hij hield de traditie in eere en daardoor tevens de herinnering aan zijne dierbare dooden. Hij sprak veel met ons over hen. Hij merkte gaarne trekken van overeenkomst met vader of moeder bij ons op. Door onze aandacht op hunne portretten aan den muur van de huiskamer te vestigen, prentte hij hun beeld in ons geheugen. Maar daarnaast had hij zijn eigen, stille eeredienst in zijne slaapkamer, waar wij bijna nooit werden toegelaten. Van tante Marie wisten wij echter dat die kamer met de uiterste zorgvuldigheid in denzelfden toestand gehouden werd als toen grootmoeder nog leefde. Honderd voorwerpen herinnerden aan haar nijvere handen.

Voorts waren alle christelijke feestdagen voor grootvader heilige familiedagen, en bij die christelijke feestdagen behoorde zoowel Sinterklaas als de Oudejaarsavond. Op Oudejaarsavond moesten allen, tot de kleinste toe, tot twaalf uur opblijven. Grootvader was dan ernstiger gestemd dan ooit en sprak ons, voor zoover hij meende dat wij hem begrijpen konden, over allerlei dingen, waarover hij op andere dagen zich slechts zelden uitliet. Sinterklaas was een dol prettige kinderavond, geheel aan ons gewijd, voor ons ingericht en aan onze dolle uitgelatenheid prijs gegeven. Ik herinner mij maar een Sinterklaasavond uit mijn jonge leven, waarop grootvader van deze gewone opvatting van het Sinterklaasfeest eenigszins afweek. Dat was juist de avond waarvan ik ditmaal het een en ander wil vertellen. Grootvader, ’t is waar, was zich zelven ook toen spoedig weer meester, maar de Heilige Nicolaas tuimelde van zijn voetstuk, ofschoon, zooals men later zien zal, wij er hem ook weer hebben opgezet.

Ik was toen tusschen de tien en elf en ik was de oudste van het jonge volk, dat in afdalende reeks tot den leeftijd van vijf naderde. Wat de sekse betreft, was de verdeeling eerlijk. Er waren drie jongens en drie meisjes, driedubbele „rijkelui’s wenseh”, zooals grootvader nu en dan schertsend placht op te merken.

Wij waren alle zes rechtzinnige Sinterklaas-vereerders. Wij geloofden eerbiedig aan al de wonderen, zelfs aan de tegenstrijdige mededeelingen waardoor men ons op zijn komst voorbereidde. Sinterklaas kwam regelrecht uit Spanje met de stoomboot, boven op zijn paard. Dat paard werd, evenals de bisschop zelf, nooit oud en was nooit een veulen geweest, evenmin als zijn zwarte knecht ooit onder de kleine nikkers in zijn geboorteland had rondgesprongen. Als de deelen en onderdeelen van elke echte legende, waren de onderscheiden figuren pasklaar en in vol ornaat uit de lucht komen vallen. Ze waren er en ze zouden eeuw aan eeuw precies zoo blijven. Daar ik, gelijk ik gezegd heb, de oudste van ons zestal was, durf ik, wat dit punt betreft, gerust voor de anderen instaan.

 

’t Was dus weer Sinterklaas. De ruime huiskamer, waarvan grootvaders hooge leuningstoel feitelijk en figuurlijk het middelpunt vormde, was geheel ingericht voor de feestviering. De groote tafel stond in een der hoeken geschoven, want er zou gestrooid worden. Misschien, zoo had tante Marie ons geheimzinnig ingefluisterd, kwam de bisschop zelf. Evenwel zonder zijn knecht, die elders moest wezen, en niet te paard, daar dit binnenshuis minder passend en het arme dier vermoeid was.

Tante Marie had een hooge kleur, toen zij op deze wijze ons den goeden bisschop aankondigde, maar ik lette daar niet bijzonder op. Ik had haar in den laatsten tijd meermalen met roode wangen gezien en zelfs een paar malen met betraande oogen, maar men is geen tien jaar om zich zulke verschijnselen, ook bij zijne dierbaarste vrienden of verwanten, aan te trekken. Had ik meer kijk op die dingen gehad, ik zou ook hebben opgemerkt dat er nu en dan iets stroefs tusschen grootvader en tante Marie heersckte, dat ze minder vertrouwelijk waren dan anders, en dat grootvader nu en dan zelfs een norsch antwoord gaf op een doodonschuldige vraag, iets wat nooit het geval geweest was, want hij hield zielsveel van haar. Nu, de goede man had voor dit laatste reden. De dochter had aan teedere zorgen liefde niets ingeboet door de pleegmoeder.

Doch laat mij mijn verhaal vervolgen, ’t Was een Sinterklaasavond zooals wij er nog geen hadden gevierd. De regen van suikerboonen, waarmee het vuurwerk geopend werd, was een ware bandjir. De boonen schenen mij veel grooter toe dan het vorige jaar en ons gejubel ging alle beschrijving te boven. Grootvader vergat door onze pret blijkbaar alle zorgen, indien er zorgen waren die zijn gedachten poogden te boeien. Hij grabbelde met ons mee en bleek veel vlugger te zijn dan ik voor mogelijk gehouden had. Toen wij onze knieën half kaal gekropen hadden en er geen suikerboon meer te vinden was, werd alles in den schoot van tante Marie verzameld. En dadelijk daarop begonnen de verrassingen. Er werd aan de voordeur gebeld en het eerste pakje was voor mij. ’t Kwam met van Gend & Loos want het adres stond er op en bevatte juist het cadeau, waarvan ik in de laatste nachten honderdmaal gedroomd had. Daarna kwam de beurt aan mijn oudste neefje, tot iedereen wat had. En toen begon ’t weer van voren af aan, totdat grootvader de handen in mekaar sloeg en plechtig verklaarde dat hij zoo iets nog nooit beleefd had. Als dat zoo voort moest gaan, was zijn huis te klein om al die schatten te bergen. Nu, onze oogen en onze harten waren dat al lang. Die lieve, goede, milde, rijke Sinterniklaas! Hij had heel Spanje en al de mijnen van Peru voor ons leeg geplunderd!

Om half tien precies werd er heel hard gebeld en vloog tante Marie zelf naar de voordeur, om te kijken wie dat wel mocht wezen. Vijf minuten later kwam ze weer binnen. Nu zag ik toch wezenlijk dat zij een paar wangen als kolen vuur had. Grootvader scheen daar ook erg in te hebben, want hij vroeg of er iets bijzonders was.

Er was stellig iets heel bijzonders, want tante bukte zich, ik weet niet waarom, tot mij en nam mij op haar schoot en zei tot grootvader, maar zonder hem aan te zien, dat Sinterklaas er was. Mocht hij binnen komen ?

Natuurlijk mocht de bisschop binnen komen. Men laat een bisschop niet op de vloermat staan, ofschoon onze harten hoorbaar klopten van ontroering en ik mij, nog eer ik den grooten man aanschouwde, heel goed kon begrijpen dat tante van hem geschrikt was. Daar klonk een zware stap door de lange gang en de deur van de huiskamer sprong open. Op eens waren angst en vrees verdwenen. Ik kende dien bisschop. Hij stond precies zoo, met denzelfden sneeuwwitten baard en dezelfde vriendelijke oogen in mijn prentenboek. Toen hij mij een hand gaf, leide ik mijn handje vol vertrouwen in de zijne. Nog geen drie minuten later danste ik met hem in ’t rond. Mijn zusje en de neefjes en nichtjes volgden mijn voorbeeld. Onze rechtzinnigheid kreeg ten volle haar loon. Zij sloot alle vrees buiten.

Toen de groote zak van den Sint leeg was, kregen wij een lesje om vooral zoet te wezen en grootvader en tante recht lief te hebben, alles op zoo’n vriendelijken toon en zoo hartelijk, dat ik veel lust gevoelde om den goeden bisschop te omhelzen of ten minste den zoom van zijn tabbaard te kussen.

Doch op eens veranderde alles als een blad op den boom. Sinterklaas het mij los en plaatste zich in eerbiedige houding, maar toch met iets waaruit men zien kon dat hij gewoon was te bevelen, voor mijn grootvader en zei: „Ik kom hier niet alleen heel uit Spanje om deze zoete kinderen mijn zegen te geven, maar ook om u iets te verzoeken. U weet, ik ben door mijn ambt verplicht ongehuwd te blijven, maaide zorg voor mijn huis vereischt toch vrouwelijke hulp. Daar mijn oude getrouwe, die mij jaren lang gediend heeft, gestorven ‘is, ben ik naar Holland gekomen om hier naar een geschikte huishoudster om te zien. Men heeft mij daarvoor uwe dochter aanbevolen. Ik doe u de eer aan, u te verzoeken mij haar af te staan.”

Was dat dezelfde, uit wiens mond zoo even woorden van liefde en vriendelijkheid gevloeid waren ? Zijn verzoek werkte op ons allen als een donderslag. Tante Marie (ik zag het duidelijk) had moeite niet in tranen en jammerklachten uit te barsten. Ze keek doodelijk verschrikt mijn grootvader aan, ongetwijfeld in den hevigsten angst dat hij zijn toestemming zou geven. Wij, kinderen, grepen haar rokken vast. ’t Was nooit in ons opgekomen, dat iemand haar van ons zou durven weg halen, allerminst haar heel naar Spanje mee nemen, van waar zij stellig nooit tot ons zou terugkeeren. De gedachte alleen was een beleediging, een miskenning van haar liefde, haar moederlijke zorg voor ons. Neen, Sinterklaas, al ben jij ook nog zoo’n kindervriend, en al bracht je ons ook nog zoo veel moois, nu je om tante Marie komt, zeggen wij jou de gehoorzaamheid op. Je bent een leelijke Sant. Of zijn er geen vrouwen en meisjes genoeg in Spanje?….

Grootvader was ook erg boos. Hij hield zich blijkbaar in, maar ik ving duidelijk de woorden „onbeschaamd” en „laffe aardigheden” op, doch Sinterklaas stoorde er zich niet aan en ging voort. Hij somde al de heerlijkheden, aan een plaats in zijn huis verbonden, op. Ten slotte zei hij, dat hij wel merkte dat zijn voorstel wat onverwacht kwam en dat hij grootvader wat bedenktijd wou laten. Over een jaar kwam hij terug. Dan zou hij zijn vraag herhalen en hoopte hij op een beleefder en vriendelijker ontvangst. „Slechts in één geval”, zei hij ten slotte, „moet ik van mijn verzoek, dat met een bevel gelijk staat, afzien, namelijk indien de jonge dame binnen dit jaar naar haar zin met een man van haar keus getrouwd mocht zijn. Dan heb ik alle aanspraken op haar verloren. Tot heden over een jaar dus.”

Hij maakte met zijn staf een teeken alsof hij ons allen den zegen gal, knikte tante Marie beleefd toe, lei nog even zijn hand op onze hoofdjes en boog voor grootvader. Daarna schreed hij plechtig naar de deur en was verdwenen.

Ik voel mij niet in staat den toestand, waarin hij ons achterliet, te beschrijven. Als door hetzelfde instinct gedreven, klemden twaalf armpjes zich aan tante Marie vast en deze, ongetwijfeld overmand door haar smart, verborg het hoofd aan mijn smalle borst, waarin op dat oogenblik al de moed en al de ridderlijkheid zich verzameld hadden, waardoor in vroeger eeuwen de zwakke vrouw bescherming en heul heeft gevonden bij den sterkeren man. Als Sinterklaas teruggekomen was, geloof ik dat ik hem mijn handschoen voor de voeten zou geworpen hebben, ofschoon ik eigenlijk nog geen handschoenen droeg. Nooit zou ik dulden dat tante Marie naar Spanje ging, bij Sint Jago di Compostella!

We werden dien avond door tante Marie met meer dan gewone haast in bed gestopt, doch wij weigerden halsstarrig een oog toe te doen voordat zij ons gezworen had nooit naar Spanje te zullen gaan, om dien valschen bisschop te bedienen. In onze verontwaardiging weigerden wij hooi in onze schoenen te doen en een van mijn neefjes deed zelfs het voorstel om de helft van ons lekkers niet op te eten. Doch dit voorstel werd niet aangenomen.

Toen wij allen door tante gekust waren, waarbij ik opmerkte dat haar. oogen vochtig waren, vroeg mijn zusje nog: „Tante, als u binnen het jaar getrouwd bent, hoeft u niet mee, niet waar?”….

Doch tante Marie draaide het gas uit, zei dat ’t meer dan kinderen-bedtijd was, dat wij rustig moesten gaan slapen en ging heen. Welhaast zou een zevende in de groote kamer, waar onze zes ledikantjes in twee rijen langs den muur stonden, niets anders gehoord hebben dan de ademhaling van zes gezonde, maar doodvermoeide kinderen. Morgen kwam er weer een dag en Sinterklaas had tante Marie een jaar tijd gegeven. Men is geen kind, als men niet gelooft aan onverwachte uitkomsten en zich een jaar vooruit met bezorgdheid en angst kwelt.

De nu volgende weken waren zoo treurig dat wij kinderen zelfs het drukkende van de lucht voelden en elkander telkens ongerust en onrustig aankeken. Natuurlijk had Sinterklaas van alles de schuld. Tante Marie schreide den ganschen dag en grootvader (’t zij met eerbied gezegd) liep rond met een gezicht als van een oorwurm. Hij kon niets van ons velen, hij, anders zoo toegevend en vriendelijk. Hij praatte bijna geen woord met onze goede tante, wat ik heel onaardig en leelijk vond. Tante kon ’t toch waarlijk niet helpen, dat de bisschop haar mee naar Spanje wou nemen en grootvader op die manier zijn huishoudster en lieve dochter zon kwijt raken, Bovendien: een jaar was nog lang.

Doch het weer verbeterde niet. De eene wolk voor, de andere na dreef over ons lief huis heen en tante Marie werd mager en bleek. Zij verviel als sneeuw voor de zon.

Eindelijk konden wij ’t niet langer uithouden en gingen we gezamenlijk op grootvader af. Ik, als de oudste, moest het woord doen, ofschoon het denkbeeld, dat ons den moed tot dien stap gegeven had, van mijn oudste nichtje was. „Lieve grootpa”, zei ik, terwijl de anderen om mij heen stonden en mij opdrongen, „als tante Marie trouwde, dan zou ze niet naar Spanje behoeven te gaan. Dit heeft Sinterklaas immers zelf gezegd?”

Grootvader was op het punt boos te worden, maar of ’t kwam doordat hij zelf in die richting zijne gedachten reeds meermalen had laten gaan, of wel dat de uitdrukking van diepe smart op onze zes gezichtjes hem trof, hij bedwong zich en zei tamelijk vriendelijk: „Zou jelui ’t dan zoo verschrikkelijk vinden, wanneer tante Marie naar Spanje ging?”

„O, grootpa, dat weet u wel,” riepen wij alle zes tegelijk. „Tante Marie mag niet weggaan. Wij houden zoo veel van tante.”

Grootvader glimlachte even en zei: „Als tante Marie niet naar Spanje gaat, maar trouwt, dan blijft ze toch niet hier, dan verliest gij haar toch.”

Dat was waar. Wij hadden daaraan nog nooit gedacht. ’t Denkbeeld trof ons als een donderslag. Doch onmiddellijk voelden wij het onderscheid en ik riep uit: „Maar dan gaat ze toch niet zoo ver weg; dan blijft ze misschien wel hier in de stad en komt eiken dag naar ons kijken of bij u inwonen, grootpa. Toe, laat u haar gauw trouwen. Ze zal dan wel weer vroolijk en gezond worden.”

Grootvader fronste de wenkbrauwen en zei, terwijl hij zich blijkbaar vermande: „Maar met wien moet tante dan trouwen, malle jongen? Denk je, dat men dat maar zoo, met den eersten den besten doet?”

Wij hadden over dit allergewichtigst punt bij een huwelijk nog nooit gedacht of gesproken en keken elkander verbluft aan, doch op eens scheen mijn zusje een ingeving te krijgen. „Laat tante met meneer Westerhuis trouwen, grootpa,” riep ze.

Wie was meneer Westerhuis en hoe kwam mijn zusje juist aan hem? Eenvoudig omdat die heer, die, geloof ik, een post op het stadhuis bekleedde, vroeger nog al eens bij ons aan huis verscheen en dan allerprettigst met ons speelde, en omdat, zooals mijn zusje later verzekerde, ze hem in de laatste dagen heel dikwijls voorbij had zien komen en tante Marie hem dan heel vriendelijk en beleefd had toegeknikt wanneer zij, wat nog al eens dikwijls gebeurd was, toevallig aan ’t raam zat. Zoodra zijn naam genoemd was, waren wij ’t allen eens. Meneer Westerhuis en niemand anders was onze man.

Helaas, ’t bleek dat hij niet „de man” in de oogen van grootvader was, want wij kregen tot loon voor onzen goeden raad een paar knorrige woorden, waarvan de zin en de eigenlijke bedoeling voor ons verloren gingen. Daarop werden wij zacht achteruit geschoven, ’t Was beter dat we gingen spelen en ons niet bemoeiden met dingen, waaromtrent ons advies niet gevraagd werd.

Ik weet niet hoe alles verder liep, maar ik weet zeker dat ’t niet goed ging. Tante Marie werd in ernst ziek. Ze deed niets meer dan schreien en de dokter kwam er bij te pas. Daarentegen werd grootvader in plaats van knorrig onrustig en zat hij uren lang voor zich uit te kijken zonder een woord te spreken.

Dit alles had in den grond der zaak Sint Nicolaas op zijn geweten. Onze haat en afkeer klommen met den dag. Wij gaven hem allerlei leelijke namen.

Na zes weken veranderde alles weer als bij tooverslag. Grootvader kwam op zekeren morgen de kinderkamer binnen en bracht meneer Westerhuis bij ons. Hij presenteerde hem als onzen aanstaanden oom. Grootvader verwachtte dat wij spoedig evenveel van hem zouden houden als van tante Marie. Tante Marie, die, hoe zwak zij ook nog was, de heeren onmiddellijk gevolgd was, voegde haar bede hierbij. Zij verzekerde ons dat ze nu niet naar Spanje zou trekken, want dat zij trouwen ging met iemand, die geheel naar haar zin was en van wien ze veel hield. Daarna gaf onze aanstaande oom ons jongens een hand en de meisjes een zoen. Mijn zusje kreeg er twee omdat zij, naar hij zeide, zoo goed geraden had, dat hij de man was die tante aan de macht van Sinterklaas kon ontrukken.

De wolken boven ons lief huis dreven nu spoedig geheel weg. Grootvader keek in den beginne nog wel wat oorwurmachtig, maar hij was op den duur niet bestand tegen onze gelukkige gezichten en meneer Westerhuis wist aardig en gezellig met hem te praten. Tante Marie bloeide weer op als een bloem na een frissche regenbui. De eenige die in onze oogen voor goed afstand gedaan had van onze genegenheid was Sinterklaas. Wij hoopten eigenlijk dat hij de eerstvolgende maal maar niet komen mocht of dat grootvader hem belet mocht geven.

Doch ook dit kwam terecht. Toen ’t een half jaar later bruiloft was, werd er een groote mand met sinaasappelen bezorgd rechtstreeks uit Spanje, waarvan wij kinderen het leeuwenaandeel hebben gehad en een allerhartelijkste gelukwensch voor bruigom en bruid. Sinterklaas verklaarde eerlijk, dat ’t hem speet, zoo’n uitstekende huishoudster niet te hebben kunnen krijgen, doch hij zou zich nu met een minder goede zien te redden en wenschte het jonge paar recht veel geluk en voorspoed.

Dat was eerlijk en eenen Heilige waardig. Met vereende krachten hebben wij met ons zessen op dien eigen dag het beeld, dat zoo jammerlijk van zijn voetstuk gevallen was, er weer opgezet. Het is daar sedert blijven staan, ongerept en ongeschonden; ja, nu wij groot zijn en menige storm der moderne wereldbeschouwing over onze hoofden is heengegaan, durf ik nog gerust verzekeren, dat Sinterklaas steeds op zijn oude eereplaats staat en zal blijven staan, als de heilige, die geschenken brengt en liefde kweekt in allerlei vormen, die niets liever om zich heen ziet dan gelukkige gezichten. Ook leeren wij onze kinderen zijnen naam met eerbied te noemen.

 

SINT NIKOLAAS IN DE NOORDSCHE SAGE.

DOOR

M. W. MACLAINE PONT.

 

„Sinter Klaas! goed heilig man!

  Trek jou beste tabbert an,

  Rijd er mee naar Amsterdam,

  Van Amsterdam……”

Ja, waarheen niet ? Men kan zonder aarzelen zeggen, de heele wereld rond; want hij heeft een paard, een mooien schimmel, die hem, over den schoorsteen heen, door de lucht rijdt, zoo snel als ooit een paard gereden heeft. Op een enkelen avond toch bezoekt hij niet alleen alle huisgezinnen in de stad waar wij wonen, maar zelfs door het geheele land; wij zouden het den goeden heilige ten minste wel willen smeeken dat hij de armen niet oversla op zijn tocht. Die mooie schimmel! Hoe dikwijls hebben wij hem bewonderd op platen, vlaggen en uithangborden, hoe dikwijls hebben wij onze schoenen, met hooi gevuld, onder den schoorsteen gezet, opdat het goede dier wat mocht uitrusten en een lekker hapje meenemen op zijn verdere reis. Zelfzuchtig als wij waren, hoopten wij op de een of andere belooning, echter steeds voor deze zorgvuldigheid wat speelgoed of wat lekkers, dat dan ook zelden uitbleef.

Behalve dat paard en de tabbert, is Sint-Niklaas nog in het bezit van een zwarten knecht. Dezen is het opgedragen, om de kinderen, die in het afgeloopen jaar hun plicht niet hebben gedaan, te straften; hij draagt de vreeselijke roe met zich en den zak, waarin hij de ergste onder de bengels stopt en met zich naar Spanje voert, welk land zich. de meeste kinderen dan ook voorstellen als een reusachtige strafgevangenis. De heilige zelf stelt het zich tot taak om de zoete kinderen te beloonen en suikergoed, appelen en moppen voor hen te strooien, te onderzoeken hoe ver zij zijn gevorderd in de wetenschappen die bereikbaar zijn voor hun leeftijd, en hun geschenken te overhandigen, of die voor hen te verstoppen in alle hoeken van het huis.

Maar — zoo vraagt zeker menigeen zich af — wie is die Sint-Niklaas geweest? Wat heeft hij gedaan om, eeuwen na zijn dood, nog zulk een rol te spelen in kinderen menschenwereld ? Op het oogenblik heb ik voor mij liggen een woordenboek uit de vorige eeuw, dat met zijn weidschen titel in roode en zwarte letters gedrukt, en zijn eerbiedwaardigen omvang een aardige tegenstelling vormt met de kleine, eenvoudige zakwoordenboeken onzer dagen. Het is het groote algemeene woordenboek van Van Hoogstraten en Nidek, en wijdt bijna anderhalve kolom aan onzen heilige. Het meldt dat hij in het begin der vierde eeuw bisschop van Myra, in Lycië, geweest is en op bovennatuurlijke wijze tot dat ambt geroepen zou zijn. De bisschoppen namelijk wisten niet, wien zij zouden kiezen, toen zij een goddelijk bevel ontvingen om diengene te ordenen, dien men daags daarna, bij het openen der kerk, het eerst aldaar zou vinden. Door de geest Gods werd Nikolaas er heen geleid, en schoon hij zich heftig tegen zijn ordening verzette, had deze toch plaats onder de toejuichingen van het volk. Bisschop zijnde, maakte hij zich algemeen bemind door zijn zachtmoedigheid en liefdadigheid. Ook was hij beroemd om zijn ijver voor den christelijken godsdienst en zijn rechtzinnigheid in de leer. Hij vernielde zooveel tempels en afgoden als hij maar vond, en stelde zich bij het concilie van Nicea in 325 krachtig tegen Arius. Zelfs na zijn dood hield hij niet op met weldoen, en uit zijn graf vloeide een vocht dat vele ziekten genas. In de elfde eeuw werd zijn lichaam overgebracht naar Bari in Italië, waar hij voortging met wonderteekenen te doen.

Nadat zij dat alles vermeld hebben, beginnen de schrijvers van het woordenboek hunne berichten in twijfel te trekken. Het is jammer, . zeggen zij, dat men zoo weinig met zekerheid weet van een der voornaamste heiligen der Roomsche kerk, wiens feest hier in Nederland alle jaren met zooveel luister wordt gevierd. Het overbrengen van het lijk naar Bari is nooit gebeurd, en de schrijvers, die een volledige lijst maakten van de bisschoppen die het concilie van Nicea bijwoonden, noemen Nikolaas niet daaronder. Zelfs in een opnoeming van de vrome bisschoppen, die in den tijd waarin hij geleefd moet hebben, deel hadden aan de regeering der kerk, komt hij niet voor. Heeft er wel ooit zulk een heilige Nikolaas bestaan? zoo vragen zij zich af.

Nog erger is het gesteld met de berichten die omtrent hem in ons land in omloop zijn. Hij is een der voornaamste schutsheiligen van Friesland en de steden Staveren, Kampen en Amsterdam; de eene voor en de andere na, de voornaamste koopsteden van ons land, kielden hem voor haar patroon. Bovendien was hij de beschermheilige der zeelieden, en schipbreukelingen riepen hem aan. Een man die in een storm op zee zijn vaartuig en zijn zoon verloor, kreeg door de verdiensten van Sint Nikolaas zijn schip althans terug. Hiermede brengen zij in verband, dat de heilige soms wordt afgebeeld in gezelschap van kinderen, soms zelfs van drie kinderen in een vat. Zij ergeren zich er een weinig aan, dat den vromen bisschop zoo veel macht over wind en golven is gegeven. Een heilige die, zoo hij al bestaan heeft, wel nooit de zee bevaren, of ter zee gehandeld zal hebben! Zij zijn volkomen bereid om deze en andere verhalen te rangschikken onder de rubriek „misselijke legenden” waaraan men geen geloof mag hechten.

Sinterklaas- avond.
Voor „Eigen Haard” ontworpen en op hout geteekend door CH. ROCHUSSEN.

Krijgen wij dus niet veel licht door het lezen van de levensbeschrijving van Sint Nikolaas, misschien zal het beschouwen van den tijd, waarin zijn feest valt, ons eenige helderheid brengen omtrent zijn bestaan en wezen.

December was van oudsher een heilige maand. Nauwelijks was zij aangebroken (de eigenlijke heilige tijd liep van 6 December tot 6 Januari) of alle veldarbeid, alle akkerbouw rustte. Het vee stond rustig in de stallen, zelfs het gewone huiswerk mocht niet worden aangeroerd. Wee hem, die onvoorzichtig of moedwillig de rust van den heiligen tijd verbrak: allerlei ongemak, plagen, zelfs zware straften werden zijn deel. Men mocht gedurende een gedeelte der maand bakken noch dorsehen, het land bemesten noch het linnen wasschen, anders bracht men ongedierte over het vee. Het vlas, dat men op den spinrokken het staan, werd door de dwergen afgesponnen of door vrouw Holle bedorven. Die zijn tuin bekleedde (door het drogen en ophangen van de wasch) moest weldra het kerkhof bekleeden. Het scheen dat de menschen zich door een volmaakte, plechtige rust moesten voorbereiden voor het groote drama in de natuur, dat zij weldra zouden aanschouwen.

Want daar buiten rust de natuur ook. Dood en koud ligt daar het veld, door een kille sneeuwlaag bedekt. Het water vloeit niet meer; de vogels hebben het woud verlaten. De wind beweegt de takken, die hun rijken bladerdos hebben laten neerzinken. En de zon, die op dat treurig tooneel nederziet, wordt door nevelen bedekt, die haar hare warmte en haar licht ontnemen en haar bestaan bedreigen, zou men zeggen. Inderdaad, zij schijnt zwakker en zwakker te worden. Dagelijks verschijnt haar licht korter, en hare schuine, roode stralen hebben hunne kracht verloren. Zij zal sterven, binnen weinige dagen. Maar dan. Zal er een nieuwe zon geboren worden? Zal zij de oude, de nu wegstervende, evenaren in heerlijkheid en kracht ?

In die dagen verlieten ook de onsterfelijke goden den hemel. Zij daalden neder, in den storm, in den donder boorde men het getrappel van hunne paarden, het geratel van de wielen hunner wagens. Als een wilde jacht suisde hun stoet door de lucht, en de aard-bewoner sloot zijn deur, vol angst voor den machtigen god, wiens toorn hij vreesde. Soms echter verschijnen zij in vriendelijker gedaante. Wodan, de heer des hemels, de heer van wind en lucht, klopt als een vermoeid reiziger aan de deur der menschen. Als een oud man verschijnt hij; een breed gerande hoed (zijn wolkenhoed) bedekt zijn baardig gelaat bijna geheel; een donkerblauw gevlekte mantel (wolkenkleed) omhult zijne gestalte.1 Zijn uitzicht is onaanzienlijk, armoedig bijna, en hij die hem in zijne woning opneemt, is verre van te vermoeden dat hij een god herbergt. Wel hem, zoo hij den gast nochtans goed ontvangt en blijmoedig van het zijne aanbiedt, want even zeker als hij den booze straft, overlaadt Wodan den goede met zijn rijkste zegeningen.

Niet altijd echter verschijnt hij op aarde als een hulpbehoevende. Soms rijdt hij op zijn wolkenschimmel2 door de lucht, over de woningen der menschen, over het dorre woud, over het slapende veld. Met aandacht luistert de landman in de heilige nachten naar het geheimzinnig mischen in zijn boomgaard, en als de takken door de lucht zwiepen of rammelend tegen elkander slaan, springt zijn hart op van vreugde. Wodan trekt voorbij, hij zegent de boomen, hij maakt ze vruchtbaar voor het volgend jaar. Één slag met zijn tooverstaf, zijn tooverroede,3 brengt wasdom en gedijen aan. Want hij is de milde, de zegenende, de genadige god, die de wenschen zijner schepselen verhoort. Met vroolijke feesten vierden zijne aanhangers den tijd van zijne komst. Maar hij zelf scheen hen te hoog, te verheven toe om hem gaven aan tc bieden, en de eenvoudige landman bracht hem slechts een klein offer voor zijn paard. Vroeger heeft hij dat ook gedaan. Toen de oogst rijpend op het veld stond en Wodan over het golvend graan reed en de aren vol en vruchtbaar maakte, heeft de maaier bij den oogsttijd niet al de volle schoven naar zijne schuur gebracht. Een enkele heeft hij laten staan, opdat Wodan’s ros zich aan het voedzame koren mocht verkwikken.4 Nu, in den barren wintertijd, brengt hij het dier slechts een bosje stroo, een handvol hooi.

Zijn komst stemde ook de menschen gul en vroolijk. Zij vierden feest; zij reikten elkander in zijn naam allerlei geschenken, zooals onze duitsche naburen elkander nog op het kerstfeest met giften en gaven beschenken en zeggen dat die door het Christuskindje zijn gebracht.

De predikers, die onze heidensche voorouders tot het christendom bekeerden, hebben in vele opzichten menschkundig gehandeld. Het is waar, zij zochten zooveel mogelijk de oude goden in duivels te herscheppen en zooveel kwaad van hen te vertellen als zij goeds van hen vernamen uit den mond des volks; maar waar de liefde en de dankbaarheid van hunne aanhangers te diep ingeworteld waren, berustten zij in dat feit en trokken er partij van. Op de heilige plekken in bosschen en op bergen, waarheen het volk eeuwen lang gewoon was op te trekken en te aanbidden, werden de boomen, aan de oude goden gewijd, uitgeroeid, wel is waar, maar Christenkerken verrezen in hunne plaats en de plek bleef heilig gelijk weleer; het water in de gewijde bronnen en stroomen bleef zijn kracht behouden, maar het werd gezegend door den god der Christenen in plaats van door de dwergen, godinnen en feeën, die het vroeger bewoonden. De aloude natuurfeesten bleven in zwang, maar zij werden gewijd aan de nieuwe heiligen of aan voorvallen in de Schrift vermeld; de herinnering aan de oude goden eindelijk bleef bestaan, maar hunne namen werden vergeten en het waren christenmannen en jonkvrouwen, die werden aangeroepen in hunne plaats.

Ons volk is van oudsher een volk van schippers en kooplieden. Over het water, in uitgeholde boomstammen, zijn onze voorouders, volgens de overlevering, in ons waterland aangekomen en sedert dien tijd hebben zij tallooze malen op minder of meer volmaakte vaartuigen de zee en de loeiende stormen getrotseerd. Geen wonder dus, dat Wodan, de oppergod der Germanen, bij hen in hoog aanzien stond. Hij bewoonde de lucht, beheerschte den storm, sloeg de wolken om als een kleed of bereed ze als snelle (achtvoetige) rossen. De zeeman, die zijn dobberend vaartuig aan de golven ging toevertrouwen, smeekte hem om gunstigen wind en behouden terugkomst; de schipbreukeling riep hem aan om hulp en uitredding.5 De middelste dag der week werd dan ook naar hem Woensdag (Wodansdag) genoemd en in sommige plaatsen van ons land, bijv. Woensdrecht (Wodan’s overtocht) en Woensel (Wodan’s sale, een oude tempel misschien) vinden wij zijn naam terug.

Na deze beschouwing twijfelen wij er niet langer aan of de oude god heeft onder de doorzichtige vermomming van den bisschop van Myra tot onze dagen voortgeleefd. In een der oude Edda-lioderen6 lezen wij hoe onder zijne bijnamen voorkomen de namen Hnikar en Hnikudr. Kan dat verwant zijn ons Nikker, bet duitsche Nixe en het noordsche Neck, alle benamingen van watergeesten? Kan die naam aanleiding hebben gegeven tot het voortbestaan van den ouden germaanschen god onder den naam van den christenheilige Nikolaas ? Helaas, wel is hij diep gevallen! De alles doordringende, alles bezielende luchtgod is geworden tot de boeman der kinderkamer! Lezen wij hoe de jongere Edda en de meeste liederen der oudere hem beschrijven. Hoe hij troont in zijn heerlijk paleis, de hoogste van de woningen der goden en hoe hij van daar uit alle werelden overziet. Hoe hij zijne raven Hugin en Munim, het geheugen en de gedachte, uitzendt over de aarde en hoe deze, terugkomende, zich op zijne schouders neerzelten en hem in het oor fluisteren wat er is geschied. Hoe hij gericht houdt over de dooden, hoe hij uittrekt aan het hoofd zijner heldenschaar, met zijn gouden helm, zijn schitterend harnas, zijn stralende speer. Hoe hij de wilde wolven temt tot jachthonden, die hem gehoorzaam volgen. Hoe hij heerscht over al het geschapene en de andere goden, schoon zij ook macht hebben, hom dienen zooals kinderen hun vader. Hoe diep is hij gezonken, zeg ik nogmaals. Nog is hij alwetend, maar slechts van wat in de kinderkamer voorvalt en… door te luisteren aan de deuren. Wat hij niet gehoord heeft, vertelt, hem zijn knecht, zooals het aardige Sint-Niklaasboekje zegt. Zijn achtvoetig ros dat, door den stormwind gedragen, voortijlde, klautert nu over daken en schoorsteenen. Zijn onzichtbaarmakende mantel is een „beste tabbert” geworden, zijn vreeselijke, nimmer falende speer veranderd in een roede. Toch mogen wij blijde zijn dat de kinderkamer de gestalte van den ouden god voor ons bewaarde, zoo als zij reeds zoo menige sage en mythe tot ons overbracht in volkssprookje en kinderlied. En ook, door menige scheur in den tabbert van den bisschop schittert nog de heerlijkheid van den god. Hij is de beschermheilige der Friezen, die al vroeg als zeelieden en…. roovers bekend waren, de patroon der koopsteden Kampen, Staveren en Amsterdam, die allen over de zee hare handelswaren ontvingen, en zijn feest wordt door ons volk, het zee- en handelsvolk bij uitnemendheid, met meer luister en eigenaardiger gevierd dan eenig ander der groote christenfeesten.

De zwarte knecht, die den heilige vergezelt, kan men als zijne schaduwzijde beschouwen. Hij straft, terwijl Sint-Nikolaas zegent en beloont. In Duitschland is zijn naam bekend: hij heet er Rupert of Ruprecht, een naam die verwant is aan het oude Hruodperaht, dat „van roem stralende” beteekent en een der bijnamen is van Wodan zelf.7

Het woordenboek maakt ook melding van eene schilderij, waarop Sint-Nikolaas wordt afgebeeld in gezelschap van drie kinderen in een vat gezeten. De legende luidt als volgt: Drie koningsdochters uit Zweden namen tegen den zin barer bloedverwanten het christendom aan, en werden tot straf daarvoor in een vat, mand of kuip in zee gestooten. In dezen nood beloofden zij, dat zij, zoo zij gered werden, ieder een kerk zouden bouwen, wat dan ook geschiedde. Sint-Nikolaas redde haar (somtijds wordt hij voorgesteld terwijl hij haar een goudklomp toereikt) en het broze vaartuig dreef aan wal bij het stadje Kaub, waaraan het zijn naam gaf. De drie zusters in het vat, met of zonder den heilige, komen nog in het zegel van die stad voor. In hoeverre de zweedsche prinsessen verwant kunnen zijn aan de drie Nomen, de schikgodinnen van onze voorvaderen, in wier gezelschap de oppergod zoo dikwijls vertoefde, kan ik hier niet nagaan. Het zou mij te ver voeren. In elk geval verschijnt Sint-Nikolaas hier weder als beschermer der jeugdigen van jaren, als belooner van het goede, als redder van hen, die door de gevaren der zee worden bedreigd, in een. woord, als de goede, de helpende, de zegenende heilige, een karakter dat hem door tijd en overlevering gegeven is, en dat hij wel zal blijven behouden, zoolang zijn naam hier op aarde zal worden genoemd.

 

Het lijk en de voet van St. Nikolaas.

DOOR

P. H. WITKAMP.

 

Wie het lijk van St. Nikolaas wenscht te zien moet zich naar den zuid-oosthoek van Italië, naar Bari, begeven. Wie zich met den voet tevreden stelt, kan reeds te Amsterdam terecht.

 

De ingezetenen van Bari deelden met de Amsterdammers en met de bewoners van zoovele andere koopsteden, de vereering van den grooten heilige, die te Myra, in Klein-Azië, zijne loopbaan besloot. Zoo ver ging zelfs hun verlangen om St. Nikolaus hulde te bewijzen, dat zij het besluit namen om zijn lijk te stelen.

Voorzeker heet het de vereering te ver drijven om daartoe een diefstal te begaan, maar al is die daad niet goed te keuren, eenige gronden tot verontschuldiging laten zich wel aanvoeren. Myra was sedert vijftig jaren in de macht der Saracenen gevallen, en de kerk, waarin het stoffelijk deel van St. Nicolaas was bijgezet, door hen geschonden, verkeerde in een bouwvalligen staat en werd nog slechts weinig bezocht. Daarbij hunkerden ook andere italiaansche steden naar het bezit van wijlen St. Nikolaas, en eindelijk waren niet al de ingezetenen daadwerkelijk aan den roof schuldig, maar alleen de bemanning van drie Barische vaartuigen.

Deze schepelingen stevenden in het voorjaar van 1087 langs de lycisehe kust, op eene vrachtvaart naar Antiochië. Bij het aanschouwen van het landschap, waar de groote heilige had geleefd, konden zij niet nalaten het lot der kerk van Myra te beklagen, die, al mochten eenige kloosterbroeders zich in hare gewelven ophouden, toch in de macht was gevallen der ongeloovigen. Zij spraken ook van het lichaam van St. Nikolaas, en welk eene heerlijke onderneming het zou zijn, dit weg te voeren. Allen oordeelden dit bedrijf hoogst loffelijk, en na eene langdurige beraadslaging besloot men het anker uit te werpen, en een man, die als pelgrim mede reisde, als kondschappcr naar Myra te zenden. Zóó gebeurde het ook. Doch toen de man, na teruggekeerd te zijn, verklaarde dat de onderneming onuitvoerbaar was, zetten de Barezen de reis naar Antiochië voort.

In de syrische hoofdstad ontmoetten zij venetiaansche makkers, die zich over eene zelfde onderneming heten verluiden als de Barezen opgegeven hadden. Dát ging de teleurgestelden aan het hart. Nu of nooit, gold het thans om zich van het vereerde lijk meester te maken. Zij haastten zich dus met ’t lossen en laden, en, alvorens de Venetianen het ruime sop konden kiezen, waren zij reeds weder tegenover de lycische kust.

Ook ditmaal zonden zij op kondschap uit. Een drietal der manschappen begaf zich op weg en vond de kerk op eene eenzame plek, zonder parochiegeestelijke, zonder volk, en alleen door vier monniken bewaakt.

Ten getale van zevenenveertig personen, begaven zich de stoutsten der schepelingen, welgewapend, op weg, alleen de zwakste broederen op de schepen achterlatende.

Toen de schaar bij het kerkje aankwam, verborg zij hare wapenen en verhaalde den kloosterlingen, aan wie de hoede was toebetrouwd, dat zij derwaarts gekomen waren om hun gebed bij het lijk van den heilige ten hemel te zenden. Uit dien hoofde verzochten zij naar zijne laatste rustplaats gevoerd te worden. Hier gaven zij voor, dooiden Paus zelven gezonden te zijn om het lijk weg te halen en beloofden de inwilliging van hun verlangen ruim met goud te betalen. Daar geen van beide redenen op de monniken indruk maakte, gingen de schepelingen tot geweld over. Van hier een hevige strijd.

Spoedig ondervonden de monniken, dat zij de minderheid uitmaakten. Zij werden gekneveld, met de wapens bedreigd en bewaakt, tot de aanvallers het lijk uit de marmeren sarkophaag en de heilige manna hadden gelicht en op het altaar nedergelegd.

In het gezelschap der schepelingen bevond zich ook een Barezer priester, wiens taak het was in den dienst aan boord te voorzien. Deze spreidde zijn kerkelijk gewaad uit, om het lijk te ontvangen, en onder stille gebeden droeg men St. Nikolaas naar de vaartuigen, die onmiddellijk het anker lichtten.

Te laat vernamen de inwoners van Myra den gepleegden roof: de schepen waren reeds in volle zee.

Deze wegvoering vond den 20sten April plaats. Negentien dagen later (derhalve den 9den Mei 1087), liepen de schepen de oude haven van Bari, die van San Giorgio, binnen. Reeds na weinige minuten was de zegepraal bekend, en alle Barezen in verrukking. Onder een luid gejubel, onder tranen en gebeden, stormden oud en jong naaiden Lido. Wie kon voer, ja, zwom naar de gezegende barken. Ook de geestelijkheid begaf er zich heen, in vol ornaat. Maar de zeelieden hadden de gelofte gedaan, het lijk slechts aan een opzettelijk daarvoor te bouwen kerk af te staan, en eerst op de verzekering hunner geestelijken, dat dit geschieden zou, droeg men het gebeente aan land en gaf het voorloopig eene plaats op het hoogaltaar van St. Benedictus.

Niet zonder strijd, zelfs niet zonder bloedstorting, kon de belofte der geestelijkheid vervuld worden. Maar toch, de nieuwe basilica verrees, en paus Urbanus II wijdde haar in, bij welke gelegenheid hij, nevens den 6den December, den 9den Mei tot een plechtigen feestdag instelde. „San Nicolo” werd de schutspatroon der stad, en zijn beeld kwam in het stadswapen.

Hoe ook in de burgertwisten en oorlogen en door aardbevingen geschonden, verheft de kerk van St. Nikolaas te Bari fier haar hooge tinnen, en nog altoos komen jaarlijks duizenden pelgrims naar Bari, om hun eerbied aan den heilige te betoonen. Ook hier ligt het gebeente in een harslaag, of liever in heilig vocht, la santa manna, dat bestendig vloeit. Het vloeit uit de beenderen van den heilige en brengt zijn grootste wonderwerk voort, want het bestaat uit een geneeskrachtig water, machtiger dan alle gezondheidsbronnen, machtiger zelfs — zooals de geestelijken en het volk van Bari verzekeren — dan het water van Lourdes.

De St. Nikolaastoren te Amsterdam.
Geteekend door JOH. BRAAKENSIEK, naar den plattegrond van het jaar 1536.

Wie meer ten aanzien van dit water wenscht te weten, leze de Vindiciae Vitae et Gestorum S. Thaumaturgi Nicolai Archiepiscopi Mirensis: de Sacro Liquore ex ejus ossibus manante.

Het water ziet wit en helder, zonder bijsmaak of reuk en wordt door de geheele katholieke wereld verzonden. In Apulië vindt men geen huis waar het niet bij ziekte of verwonding allereerst wordt aangewend, en de italiaansche landverhuizer, die zich naar Amerika inscheept, vergeet niet gemakkelijk één of meer flesschen van dit heilig vocht mee te nemen.

In de flesch vertoonen zich na eenigen tijd algen, een soort van groene zeetang, maar het water bederft nooit, ook na honderd jaren niet, zooals ieder u te Bari verzekert.

 

En nu de voet van St. Nikolaas ? Hebben de Amsterdammers dien aan de Barezen ontroofd ?

Toch niet. Onze voorvaderen hebben de Italianen niet daarin nagevolgd. Zij bouwden eene St. Nikolaaskerk, tusschen den Ooster-Amsteldijk (later de Warmoesstraat) en de eerste stadsgracht (den Oudezijdsburgwal), stichtten een „casse oft huysken” op den hoek der straat, die zij hem ter eere, de St. Nikolaasstraat noemden, en bekostigden een zilveren beeld van dien heilige, alles uit hun eigen beurs, met welverdiende penningen. Daarmede niet tevreden, bouwden zij, ten tijde toen Maximiliaan van Oostenrijk hunne stad versterkte, op den wal, waar deze de St. Nikolaas- of Oudekerk het meest nabij kwam, een St. Nikolaa-storen.

Van de talrijke vesttorens die Amsterdam eens telde, zijn nog slechts een drietal over: de Schreijerstoren, de toren Swyeht Vtrecht en de Montelbaanstoren — de laatste de eerste bij het uitleggen der wallen. Tot de gesloopten behoort de St. Nikolaastoren — waarvan wij hier eene afbeelding geven; — maar toch, zijn grondslag is behouden en zal nog lang behouden blijven, want juist nu (November 1880) wordt de brug, die aan de westzijde daarop leunt, vernieuwd en bij die vernieuwing de halfronde voet behouden.

Die voet van St. Nikolaas, vóór de Stormsteeg en tegenover de Binnen-Bantammerstraat, is geen roof, maar met amsterdamsch geld betaald.

 

AMSTERDAMSCHE SINTERKLAAS-HERINNERINGEN.

DOOR

Mr. N. DE ROEVER.

 

Zoo er een Sankt is, die in Amsterdam aller harten is blijven innemen, ondanks beeldenstorm en hervorming, ondanks den scherp geteekenden afkeer van „paapsche stoutigheden” bij onze voorvaderen uit den gouden tijd, en den geest van scepticisme, die in den pruikentijd uitbotte, dan is het zeker St. Nicolaas.

En inderdaad, wanneer hij in den guren December-tijd uit het verre oosten opdaagt, en het purper van zijn mantel in de verbeelding zoo schitterend afsteekt èn tegen het sneeuwwitte paard, dat hij berijdt, èn tegen den pikzwarten knecht, die hem verzelt, dan daalt er eene verkwikkende zomerwarmte in de gemoederen der Amstelaren neer. Dan zet St.-Nicolaas een ieder, de loomste niet uitgezonderd, in beweging, om zich à prix d’or een buit van fraaiigheden voor vrienden en magen aan te schaffen, dan weet St.-Nicolaas het zoo aan te leggen, dat ieder, de meest prozaïsche er onder begrepen, zijn geest bezwaard gevoelt met een schuldbrief, goed voor één of meer dozijnen van bon-mots en gelegenheidsversjes, welke op den 5den December — zij het op een eenigszins buitengewoon uur — vervalt, en dan blijkt het steeds weder, dat de oude, goede heilige even onbelemmerd zijn staf zwaait over al de verschillende elementen, waaruit een volk in de negentiende eeuw is samengesteld, als hij het eeuwen geleden deed over een kuddeke van goedgeloovige katholieken.

Wie er oog voor heeft, kan hierin opmerken hoe traditiën, mits ze iets bekoorlijks en aantrekkelijks hebben, de wisseling der tijds-omstandigheden wederstaan, en — gelijk de rots te midden der branding — het hoofd weêr opsteken, al is de stortvloed der meest radicale revolutie over dat hoofd heengegaan.

Er leeft nog zoo menig overblijfsel uit dien goeden ouden tijd van kinderlijk geloof en oprechte devotie, zij het ook onder eenigszins gewijzigden vorm, in onze maatschappij voort, dat we, zoodra wij slechts een boek over oude volksgebruiken ter hand nemen, aanstonds bemerken dat we er de levensgeschiedenis van menigen ouden vriend in terugvinden. Wij herkennen zijn trekken, maar den man van wetenschap danken wij het, dat we ook iets omtrent zijn oorsprong te weten kwamen. Met zijn ruimen historischen blik, met zijn critische gaven en kennis van het volksleven, kon deze in het doolhof van geloofbare en twijfelachtige overleveringen den weg vinden, en de vruchten van zijn arbeid bood hij ons op de gulden schotelen van zijn schrijvers-talenten aan.

Het hoekhuis van Dam en Damrak in 1604, later „genaempt Sterclaes”.

De oorsprong der Sinterklaas-vereering behoeft niemand diep te zoeken, die zich binnen de perken van het christelijk tijdperk wil blijven bewegen. Of Sinterklaas bij het volk al des ouden germaanschen Wodans plaats innam, is een vraagstuk waaraan hij zich niet behoeft te wagen, maar dan ook is het zoo eenvoudig om de Sinterklaas-vereering uit de geschiedenis — of de legende, zoo ge wilt — van onzen Sanct af te leiden, dat ge wel aanstonds kunt zien, dat St.-Nicolaas een kindervriend is, die geen aanleiding tot lange wetenschappelijke vertoogen heeft willen geven. Men kent het verhaal van de drie dochters des verarmden edelmans te Myra in Anatolië, den zetel van bisschop Nicolaas, die door hem op eene recht grootmoedige wijze van de schande werden gered, door dat hij haar achtereenvolgens ongemerkt een beurs met goud als bruidschat door het venster wierp. Wat wonder dat onze voorouders, die gewoon waren de voorvallen uit het leven van geliefde heiligen aanstonds in herinnering te brengen als ze iets dergelijks ondervonden, den naam van St.-Nicolaasgaven toekenden aan alles wat hun als het ware uit de lucht of door den schoorsteen kwam vallen, of dat ze vonden zonder te begrijpen hoe het daar ter plaatse gekomen was! Wat wonder, dat zij St.-Nicolaas hunnen kinderen voorstelden als den beschermheilige van het jonge volkje, dat ter zijner tijd van hem eene welkome belooning voor deugd, een verdiende straf — want ieder moest wat hebben — voor ondeugd had te wachten!

Sint-Nicolaas moet dus wel een heilige zijn, wien eene recht kosmopolitische vereering is ten deel gevallen ? Toch niet. Althans niet voor datgene, wat wij Nederlanders, en Amsterdammers in het bizonder, het best van hem weten. Eigenbaatzuchtig als we zijn, kennen wij hem immers bijna alleen omdat hij ons een van de gezelligste avondjes verschaft, die we aan den huiselijken haard kunnen doorbrengen en — heb ik het mis, jeugdige Amsterdamsche schoonen ? — omdat ge aan hem de vergunning dankt om de week, die zijn gedenkdag vooraf gaat, op alle uren van den dag de Kalverstraat door — moet ik eerlijk zijn en zeggen op en neer ? — te wandelen.

Ook elders vereert men Sint-Nicolaas, maar uit anderen hoofde. Onze Sankt was van ouds de beschermheilige van den koopvaarder op het woedende element, en daarom werden hem kerken en kapellen gewijd in zee- en havensteden, waar de koopman en de zeerob beiden er belang bij hadden om op goeden voet met hun patroon te blijven. Zoo is het ook hier gegaan. Van uw oudste bedehuis, Amsterdammer! dat prachtige gedenkteeken van de vroomheid van uw krachtig, degelijk voorgeslacht, in wiens tijd de grondslagen van Amstel’s wereldhandel werden gelegd, dat schoone bouwwerk dat door ontsiering, verbouwing en aanbouwing zooveel geleden heeft, maar toch nog fragmenten van hoogen ouderdom naast andere van uitnemende kunst vertoont, van die kerk, de oudste, de merkwaardigste, was Sint-Nicolaas de schutspatroon en daarmede van de geheele parochie, welke onder die kerk behoorde. Zoolang de parochie van „Sinter Claeskercke” en „de stede van Amestelredamme” nog één was, kon men dus zeggen, dat de heilige bisschop van Myra de schutspatroon was van de stad. Maar toen een tweede parochiekerk werd gesticht en de stad daarmede in een oude en een nieuwe zijde werd verdeeld, toen moest Sint-Nicolaas de helft van zijn rijk aan Onze Lieve Vrouwe afstaan. Daarom werden de nieuwe parochianen den beschermer der oude zijde nog niet kwalijk gezind. Als herinnering aan St.-Nicolaas, bleven zij op den hoek van den Nieuwendijk, een der hoofdstraten aan hunne zijde, een beeldje, dat zijn naam droeg, in zijn „casse” of „huysken” in eere houden; ja het geschiedboek meldt, dat de kapollaan, wanneer het lof in de Nieuwe kerk op zijn naamdag uitgezongen was, met een deel der scholieren zich daarheen begaf om hem een „deuntgen te schenken”, waarna alle zangers zich op den grond wierpen en de kapellaan het „oremus” zong.

Sint-Nicolaas was te Amsterdam in de eerste eeuwen van zijn bestaan de populaire heilige, onder wiens schut men allerlei takken van het openbare en bizondere leven stelde. Daardoor was hij de vriend van iedereen, van rijk en arm, van jong en oud. Men hield niet minder van hem dan van de „claeskoecxgens” en „slickerdemick”, die in allerlei vormen, van de groote vrijers in de gedaante van St-Jan af, tot de kleine „claesmannetjes” — in 1663 stonden ze blijkens eene keur van Mijne Heeren van den gerechte als „poppegoed” bekend — en varkentjes toe, die rijk met echt ducatengoud door een behendig goudslager tot een minimum van dikte uitgeslagen, belegd, de begeerlijkheid in ieders oog deden schitteren.

De hulde aan Sinterklaas heeft zich van lieverlede een weinig verplaatst van de kerk of het beeld aan hem gewijd, naar de banketbakkerswinkel waar „de olifant” of „de vergulde japanees” uithangt, en waar tal van lekkernijen van in- en uitheemsch fabrikaat in concurrentie met het eenvoudige maar niet minder smakelijke sinterklaasgoed durven treden. En ook dit feit heeft zijn voorbode gehad in de oudheid, want niet zoodra was de dienst in de kerk afgeloopen, of de kerkgangers verzamelden zich op den Dam, die in die dagen niet alleen in naam het middenpunt der stad was. Daar hield men Sinterklaasmarkt. Daar stond het vol van kraampjes. Daar was van alles te koop. Daar kon men zijn vrienden en vriendinnetjes, die er met hetzelfde doel kwamen als gij, vinden. Of meent ge, dat er dagelijks feest was op ’s Heeren straten tot lang over het middernachtclijk uur? Meent ge, dat er altijd zooveel te zien was op den Dam als op kermis of Sinterklaas? Maar rekent ge dan den koopman en zijn waren voor niet ? Hij moest toch ruimte hebben. En wat het ergste was, ge zoudt buiten zulk een feesttijd ook geen licht hebben gevonden, dat u na zonsondergang het zien zou hebben mogelijk gemaakt. De lantaarn, die ten stadhuize uitstak of onder de vierschaar brandde, spreidde zijn stralen niet over den geheelen Dam. Nu is ’t evenwel de vijfde December, en zoo ge een bezoek aan de St. Nicolaasmarkt wilt brengen, sla dan Ter Gouw’s „Amsterdamsche kleinigheden” op, waar ge u een tafereeltje voor de oogen zult zien getooverd, zoo vol van geest en leven, als we dat alleen van onzen Ter Gouw kunnen verwachten.

Nu we toch op den Dam zijn, slaan wij de oogen even naar een ander gedenkstuk van Sinterklaas op.

Ieder weet, dat het een goed, ik zou zeggen een poëtisch gebruik was van onze voorouders, om voor hun huis of winkel een uithangbord te hangen of op den luifel een uithangteeken te zetten, waardoor huis en bewoner gemakkelijk te vinden waren. Tegenwoordig doet men het eenvoudiger en droger met een naam of ook wel zonder naam en, o schrik! met een nummer af. Waren vroeger de groote uithangborden de beste, omdat men er veel op te kijken of te lezen had, het tegenwoordige geslacht zou dit van de groote nummers niet durven zeggen.

In den poëtischen tijd nu woonde er eens op den hoek van den Dam en het Damrak een man, die, waarschijnlijk omdat de Sinterklaasmarkt in zijne onmiddellijke nabijheid .gehouden werd, op een ovaalvormig bord, dat aan een ijzeren stang aan de tweede verdieping van zijn huis hing, (zie de afbeelding op blz. 473), een Sinterklaas had laten schilderen zijn handen zegenend uitstrekkende over de tobbe met in stukken gehakte kinderen. Vraagt ge het bewijs? Loop dan even naar het stadhuis en vraag de hoogst merkwaardige, maar weinig bekende rariteitenkamer te zien. Daar hangt, vlak bij Goliath, dien ge u uit den doolhof nog wel zult herinneren, een schilderij van Adriaan van Nieuwland, voorstellende „De ommeganeke der leprozen op copperties maendag” omstreeks 1604. De schilder vertoont u den Dam, en de schepen ziet ge in het Damrak liggen.

Het schijnt dat de zaken in de „Sinterclaes” goed gingen, want weinige jaren later verscheen er in den gevel een sierlijk gebeitelde steen, waarop ge dezelfde voorstelling terug vindt. Terwijl vroeger het huis moest worden aangeduid met de woorden „waer Sinterclaes uythangt”, werd het nu het „Huys genaemt Sinterklaes”, en ik ben in staat u wederom het bewijs daarvoor te kunnen geven, want op den 16den Februari 1613 namen burgemeesteren en oud-burgemeesteren het besluit om de „cassen”, staande op den Dam tegen het „huys genaempt Sterclaes” met 1° Mei te laten wegbreken. Wat er in die „cassen” alzoo te krijgen was? De schilderij, van Nieuwland laat er ons een zien, dat wij haast een pothuis zouden noemen, waarin ham, spek en worst te koop hing.

Gevelstecn van het huis „genaemt Sterclaes”.

Den steen kunt ge nog, maar nu in den zijgevel, gaan bezichtigen. Hij prijkt er nog, in weerwil dat het huis kortelings is verbouwd. De eigenaar van het huis gaf daarmede een beschamend voorbeeld aan de velen, die dergelijke gedenkteekenen van den kunstlievenden zin van het voorgeslacht vernietigen.

Het brandpunt der vereering van Sinterklaas zoeke men natuurlijk aan de Oude Zijde, in de hem gewijde kerk. Daar stond zijn beeld, gegoten van louter zilver, dat den kerkmeesters in 1522 op de kapitale som van 948 guldens was komen te staan; daar prijkte hij, ofschoon in iets kleiner formaat, in het St. Sebastiaens- of Handboogschutters-choor; daar hing ergens in een nevenvertrekje zijn in olieverf geschilderd portret, zoodat zijn vereerders ’s mans vriendelijke trekken van aangezicht tot aangezicht konden zien; daar bewaarde men eene serie van tafereelen uit zijne levensgeschiedenis, welke in 1561 „onverbeterlyek door den vermaerden konstenaer Marten Heemskerk op pappier getekend” waren; daar werkte onze heilige in het belang van allen, die hem aanriepen; maar als het er op aan kwam en gevaar dreigde, dan nam Sinterklaas een werkdadig aandeel aan de verdediging der stad. Immers bij de bemuring van Amsterdam, in 1481, werd voor de Stormsteeg een zware ronde steenen verdedigingstoren gemetseld, die Sinterklaas werd toegewijd en diens naam droeg.8 Men begrijpt, dat de bisschop er nu belang bij had, zijn goeden naam als beschermer der Oude Zijde te handhaven en de Amsterdamsche „scutterien” even nabij te zijn in de ure des gevaars, als hij het eens was geweest der bemanning van het schip, dat hem naar Palestina bracht. De geschiedenis meldt niet, dat de stad nu ooit van die zijde is ingenomen. Hadden onze burgemeesters, met Dirk Heymansz. Ruysch aan het hoofd, in 1481 maar een oogenblik in de toekomst kunnen lezen, dan hadden ze Sinterklaas voorzeker de wacht over de Haarlemmerpoort opgedragen. Ik wed, dat kapitein Helling met zijn bende, in 1577, er dan niet ingekomen was.

Toen Sinterklaas zich, lang na de alteratie, niet meer met de verdediging der veste tegen uitwendige vijanden bemoeide en evenmin zich inliet met het beslissen van vechtpartijtjes tusschen de Amsterdammers onderling, toen stond er een andere Sinterklaas op. Het was de bijnaam, dien Vondel aan den burgermajoor Claes Hasselaar gaf, nadat hij dapper had medegeholpen om, op den 12den Februari 1629, het gemeen te verjagen van het West-indischehuis, waar de schatten, door Piet-Hein buitgemaakt, werden bewaard. Het gemeen wilde natuurlijk de rol van Piet-Hein ten nadeele van de West-indische compagnie overnemen, maar op de enkele verschijning van dien Sinterklaas sloeg het gemeen op de vlucht, precies of het stoute jongens waren.

Middellijk danken we nu aan dezen Klaas-man onze vestiging in Brazilië. Want van Piet-Heins buit werden de kosten van de verovering van Brazilië in 1630 grootendeels goedgemaakt. Jammer maar, dat de vreugde van het bezit van het diamantenland zoo kort was en wij het in 1654 weer moesten overgeven.

Doch keeren we naar de Oude kerk terug!

Het spreekt van zelf, dat een der vele altaren in die kerk dat van den patroon was; en dat de priester, die er den dienst verrichtte en al de altaarbenoodigdheden werden bekostigd door het gild, dat zich bizonder onder de bescherming van dien heilige had gesteld, lag zoo geheel in den geest der middeneeuwen, dat het geen nader bewijs behoeft. Nu zou men allicht denken, dat de gilden van kooplieden en zeevaarders onzen Sankt tot patroon gehad en zijn altaar in de kerk onderhouden hadden. Dit is in den eersten tijd, wat de kooplieden aangaat, ook inderdaad zoo geweest, maar zoo het ook voor de zeevaarders geldt, dan zijn beide ontrouw geworden aan hun schutspatroon. Reeds in 1421 wordt het comannen- of koopmansgild het St. Martijnsgild genoemd9 en de buitenslandsvaarders hadden ziph lang vóór 1473 reeds onder de bescherming van St. Olof geschaard. In 1371 waren deze onder het St. Nicolaasgilde niet begrepen. Alleen de kleermakers of wantsnijders, die althans nog in 1390 met de droogscheerders en kooplieden onder het Sinte-Nyclaesgilde stonden, bleven St. Nicolaas getrouw, ter wiens eere zij in beide kerspelkerken een dienst onderhielden. Nu was in de vijftiende en zestiende eeuw het ambacht van kleermaken lang geen verwerpelijk ambacht. In 1541 zat wel Claes Vechtersz., een kleermaker, op het kussen in de schepenbank. Sinterklaas behoefde zich dus over zijn kleermakers niet te schamen, die in een stad als Amsterdam wel tot een van de welvarendste gilden zullen hebben behoord.

Doch St. Nicolaas vervulde in het middeneeuwsche Amsterdam meer dan de functiën van beschermheer van koophandel en zeevaart, verdediger der stad, marktmeester en belooner van kinderdeugd. Hij was er nog ziekenverpleger bij en….. nu raad eens! tkeologiae et philosophiae professor op den koop toe. Om u van het eerste te overtuigen gaan we even de vijftiende-eeuwsche St. Anthonispoort uit, waar ge aan de buitenzijde van den dijk een gesticht ziet staan, dat velen zich nog onder den naam van Leprozenhuis zullen herinneren. Oorspronkelijk was het een ziekengasthuis en proveniershuis. De verpleging der zieken is waarschijnlijk het eerst uitgegaan van eene vereeniging, die zich onder het patronaat van den kerkheilige en van den heiligen Anthonius had gesteld. In 1402 wordt het hospitaal althans met den naam van deze twee heiligen genoemd. Maar in 1415 treden Onze Lieve Vrouw en St. Nicolaas beiden als beschermheiligen van het gasthuis op. Bij de verdeeling der stad in twee kerspelen schijnen de gasthuismeesters het billijk te hebben geacht het gasthuis ook onder de bescherming van de schutspatronesse der Nieuwe Zijds hoofdkerk te stellen, en uit schepenbrieven van 1415 tot 1428 blijkt het, dat St. Nicolaas nu de ziekenzorg met Onze Lieve Vrouw deelde. Toen eindelijk, tegen ’t einde van de vijf iende eeuw, de leprozen in dit gasthuis overgebracht werden, was het St. Anthonius alleen die zijne oude rechten vindiceerde en zich het lot dier arme zieken bleef aantrekken.

Nog eenmaal naar de kerk terug!

Ge kent de schoone geschilderde glazen, die door den burgemeester Jan Claesz van Hoppen en door eenige leden van de familie Brundt omstreeks het midden der zestiende eeuw aan de kerk geschonken zijn? Welnu, ge bevindt u in ’t voetboog en Lieve-Vrouwen choor. Aan uwe rechterhand ziet ge een deur, die vroeger toegang gaf tot de kapel van het heilige graf. Daar was, zegt men, de plaats waar de bijeenkomsten werden gehouden van het St.-Nico-laas-college, de oudste instelling van hooger onderwijs die Amsterdam heeft gekend, en die ingericht was op de wijze van de theologische en philosophische colleges te Parijs en te Brugge. Deze stichting was haren oorsprong verschuldigd aan de begeerte van Jan Eggert Willemsz, heer van Purmerend, welke door zijn neef, Jan Eggert Hartgerszoon, werd nagekomen in 1450. Ze droeg geheel en al een kerkelijk karakter. Een rector met minstens vier priesters waren er aan verbonden en hielden dagelijks lezingen „in der schole”. Nog in 1478 wordt van dit collegie melding gemaakt, en er is reden om aan te nemen dat het langer heeft voortbestaan; er waren althans vrij wat inkomsten aan vermaakt. Nu wane men niet dat deze gelegenheid voor hooger onderwijs de eenige was, ’t welk het oude Amsterdam heeft gekend. Geenszins. De voorliefde voor hooger onderwijs zat evengoed in het bloed van den magistraat van de eerste helft der zestiende eeuw, als ze gevaren is in ’t gemoed van onze tegenwoordige stadsregeering. Naast de theologische en philosophische colleges, die men in de oude kerk kon volgen, heten Burgemeesteren dagelijks twee openbare lessen in het grieksch en hebreeuwsch geven. Van 1582 tot 1535 werden de colleges gegeven door mr. Wouter van Deelen of Delyen, die echter om onbekende redenen in een proces werd gewikkeld, waardoor hij genoodzaakt schijnt te zijn geweest het onderwijs te laten varen. Waar deze lessen gegeven werden, wie hem voorafgingen, en of hij nog andere opvolgers dan den door Pontanus genoemden Johannes Sartorius heeft gehad, is mij nog niet gebleken.

Veel nieuws, waarde lezer, kon ik u niet geven. Waar Wagenaar, Ter Gouw en Verwijs, met achterlating van een lichtend spoor, voorgingen, vervalt men al spoedig in oude nieuwtjes. Toch is het niet kwaad ze van tijd tot tijd eens op te halen. Een kleine Sinterklaasverrassing heb ik u wellicht toch nog bereid. Of hadt ge wel eens van dien amsterdamschen litterarum professor uit de eerste helft der zestiende eeuw gehoord?

Eén wensch, één bede tot besluit.

Onze tijd legt zulk een kennelijke voorkeur aan den dag voor alles wat nieuw is, en bij ons te lande aanbidt men zoozeer alles wat uitheemsch is, dat het oude en inheemsche, hoe eerwaardige traditie het ook hebbe, gevaar loopt van òf plotseling over boord geworpen te worden, òf door gebrek aan belangstelling’ langzamerhand te verdwijnen. Driekoningen, hartjesdag, kermis en zoovele feesten meer, alles afgeschaft! Daar planten de ondernemende zonen van het sterk bevolkte Germanje den kerstboom op onzen vaderlandschen bodem over. De lichtjes schitteren zoo bekoorlijk tusscken het donkere groen, de arme Sinterklaas-vrijer heeft al lang al het goud op zijn jas moeten derven, zoodat hij niet meer schitteren kan; en waarlijk, het oude getrouwe hollandsehe hart begint reeds zijn ouden eenvoudigen vriend te verlaten en de handen uit te strekken naar alles wat aan dien kerstboom hangt. Maar moeten we dan alle nationale traditiën langzamerhand verliezen ? Daar behoede de hemel ons voor! Neen, het nationaal bewustzijn moet op dit punt levendig gehouden worden. „Eigen Haard” moge daarin door ieder gesteund worden. Dan zullen de feesten, die we aan onzen eigen haard vieren, ook waarlijk eigen feesten zijn en alles wat er niet echt nationaal is verdwijnen van den dierbaren geboortegrond. Neme daarom niemand, die nog een hart heeft, dat warm klopt voor onze nationaliteit, voor de herinnering aan een groot voorgeslacht, de met goud gevulde beurzen weg, die als eene herinnering aan de drie bruidschatten bestendig op de slippen van het kleed van den heiligen bisschop van Myra liggen, om ze te hangen aan den kerstboom die uit de wouden van Germanje is gerukt.

’t Zou een diefstal zijn aan ons nationaliteitsgevoel gepleegd.

 

Uit de Legenden yan Sint-Niklaas.10

DOOR

J. A. ALBERDINGK THIJM.

 

Het amsterdamsehe buurtjen, dat, in mijn kindsheid, naar eene der meest bekende kuipersfamiliën genoemd werd, ziet er tegenwoordig vrij wat minder welvarend en gezellig uit dan in het eerste derde dezer Eeuw. Gebruik makende van de voorrechten, die het vaderlijk regeeringsstelsel in de steden der Republiek den wakkersten gildebroeders allicht inwilligde, omdat men, waar bedrijf en vruchtbaar leven bij enkelen gespeurd werd, allicht vermeerdering van welvaart voor de gemeente durfde voorspellen, — hadden reeds grootvader en overgrootvader het eind gracht om zoo te zeggen verbeurd verklaard, waar zij hunne natte en droge fusten kuipten, hunne vatten blakerden, hunne delen tot duigen verkapten, en dissel en baards, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, tot ongehoorde plichten gedrongen werden. De verschillende perceelen op de gracht tussehen de (N.-Z.)Kolk en Dirk-van-Hasseltsteeg, werden, naar gelang’ van hun aanleg en grootte, verschillend gebruikt. Het breedste huis, met den mooisten gevel, die nog door mijn grootvader gebouwd was (weinig gedachtig, dat het puritanisme van 1820 zijn ornamenten voor „stofnesten” zou uitmaken), bewoonde mijn oom, die de meeste kinderen had; het aangename huis, met de twee ingangen en het kantoortjen, waar de voorkamer of bel étage over-heen-liep, beschaduwd door vier vrij dikke boomen, bewoonde het hoofd der familie, met zijne tweede vrouw. Aan de smaakvolle zorgen dezer grootmoeder dankten wij een vrolijk morgenuur op 6 December, als de talrijke kleinkinderen er den St.-Niklaasplicht vervullen gingen, dien men met het werkwoord zoeken aanduidde. Wij—mijns vaders gezin — bewoonden het huis „mittit hekkie”, het kleinste van de drie woonhuizen (de smaller gegevelde van den onsterflijken Bartman, meesterknecht der kuiperij, en van den geelachtigen sleeper Barend Stolp, reken ik niet mee). Ons huis leverde, in plan, een onberispelijk trapezium op. Deze vorm, in de zijkamer, door de inrichting der gang eenigszins verzacht, bleef, op de voor- of gewone huiskamer volkomen herkenbaar. Den kinderen toonde ’t huis vrij groot; het wás inderdaad bizonder klein; de porte-brisées, boven en beneden aangebracht, mochten een eenigszins gekleed voorkomen aan die kamers geven, — ze waren en bleven voor volwassen menschen klein: een voordeel, bij den aankoop van tapijten; een ongerief, bij het geven van kinderpartijen.

Op den strooiavond trouwens ging het zeer zedig bij ons toe. Sinter Niklaas11 verwaardigde zich niet in eigen persoon ons met een bezoek te vereeren. De kinderen, wier zestal versterkt werd door een paar nichtjens en een paar vrindtjens, dansten onvermoeid hun ronden, zingende van

Sint Niklaas, goed heilig man,

Trek je beste tabbert an,

Rij er meê na Amsterdam,

Van Amsterdam na Spanje,

Appeltjes van Oranje,

Peertjes van de boome,

Rijke, rijke oome,

Rijke, rijke juffertjes,

Die drage lange mouwe, enz.

of

Sint Niklaas, bonne bonne bonne,

Gooi wat in de leêge tonne,

Gooi wat in de huize,

Dan zelle we grabbelen as katten en muize.

of

Sinter Niklaas, Bisschop,

Zet je hooge mus op,

Geef de kleine kindere wat —

en een slotregel, min vleyend voor de oudsten onder ons.

Het St. Nicolaasfeest naar JAN STEEN.
N° 377 van den Catalogus van ’s Rijks museum te Amsterdam.

Op een gegeven oogenblik, als we’t ’et minst verwachtten, tastte onze moeder heimelijk naast haar stoel in een grooten zak met „moppies”, „suikerde bonen”, „kappittelstokkies” en „suikerde errete”, ook wel ulevellen en platte chokolaadtjens, en het hagelde ons om de ooren.

Op zekeren Sint-Niklaasavond zoû echter een schoolmakker van onzen oudsten broêr, een jongeheer van 14 jaar, die Jufvrouw Perk geen oneer aandeed (de douairière, voor wier rekening de leer- en kweekschool van het „Amsterdamsehe 2e Departement” gedreven werd) bij ons eens een kijkjen komen nemen. Hij heette Jan Rijke en trof nóg een gast bij ons, een zindelijk oud dik mensch, met een frisch gezicht, een zilveren bril en een vrij ontwikkeld talent van vertellen. Zij was zoo iets als huishoudster geweest bij den adjunkt-Maire in de fransche tijd; zij sprak echter zoo goed Hollandsch als haar voormalige Heer12 en was dan ook Hollandaise, ofschoon zij Betje Uljé heette (waar ik later wel eens een œillet achter gezocht heb).

Het gezelschap bestond verder uit mijn zoo even aangeduiden broeder, die mij zeven jaar in leeftijd vooruit is, mijne drie jaar en zeven jaar jongere broers, en mijne beide zusjens, die zoo wat 3 en 6 jaar oud waren; eindelijk onze nichtjens, die, langs verschillenden kant, iets van den type hunner schoone moeder, van italiaanschen bloede13, in hunne fyzionomiën vertoonde.

Na de thee of water-en-melk zoû er net het feest een begin worden gemaakt. Van zijn binnenkomen af, had echter de vriend van onzen broer al zoo wat gemeesmuild over den held van den avond.

„Komt Sinter Nikláas zelf niet hier, Jufvrouw?” vroeg hij aan mijn moeder.

— „Neen andwoordde deze, hem een wenk gevende, „hij heeft ’et te drok… hij kan overal niet komme.”

— „Ik geloof nie meer an Sint Niklaas,” blies een van ons den jongenheer in het oor.

„’Et is ook alderdolst,” zeide hij, half luid, „dat de kindere geloove, dat die goeje bisschop de tijt hêt, om honderde, ja duizende famieljes op éen avent te bezoeke. ”

— „Hij komt hier toch van nacht rijje!” verzekerde een der jongste; „ik heb m’n schoen al onder de schoorsteen gezet…”

— „Nee maar,… hoe zit ’et nou eigentlik in mekaâr ?” vroeg een ander. „Is Sinter Niklaas in den Hemel, of woont ’i in Spanje?”

— „Ik hep ’em gezien,” verzekerde éen heel ernstig, „verlede jaar, bij nicht Arata; daar geve ze alle jare zoo’n mooye partij… en daar strooit i niet maar, maar daar geeft ’i al de kinderen een mooi dingetje met bonbons prezent…”

— „Ja,” merkte de jongeheer op, „en op ’et zellefde oogenblik, was ’i nog in twintig andere huize…”

„Hoe kán dat?” riep een der kleintjens.

Betje Uljé en Mama hielden heur hart vast, dat de logika der kinderen de weldoende fabel, die het straften en beloonen zoo veel vruchtbaarder maakt, geheel onttakelen zoû…

„Wil ik je-luî de ware geschiedenis van Sinter Niklaas ’ereis vertellen?” vroeg Betje, terwijl ze van haar breikous opkeek en haar zachte vingers met haar brillehuisjen speelden… „Wat ’em zoo al overkommen is, toen ’i nog hier op de waereld leefde, as een gewoon mensch?”

— „Och ja, Betje, och ja! dóet u dat!” riepen de jongeren.

„Ja, da’s goed, Betje,” zeide onze moeder, die zoo even gehoord had, dat de lading strooigoed nog niet was gearriveerd. „Sint Nikláas zal, geloot ik, een beetje later as anders komme strooye.”

— „Nou,” zeide Betje, terwijl ze met een breipen een beweging maakte, die aandacht beval: „Sinter Niklaas was tan gebore in de stat van Pattras. Z’n vader hiette Epifanes en z’n moeder Johanna. Het ware heele rijke luî, en ze hieuwe zoo veul van de kleine Sinter Niklaas, dat ze afsprakke, om toe ze hém hadde, geen kindertjes meer te kópe.” (Jan Rijke meesmuilde.) „Toen ’i nog klein was, zagge ze al dadelik, dat ’et ’n buitegewoon kint was; want toen ’i gewasse wier — ze deje dat in dat lant in een groot kopere bekke, zoo’n soortement badkuip, gong ’i direkt recht óp in ’et bekke staan; en as et Woensdag of Vrijdag was en hij kreeg de borst, dan nam ’i ’em maar ééns;” (Jan Bijke meesmuilt op nieuw) „en alleen teuge den avent; zoo vroeg wendden ’i ’em al an de vastendage. Hij was tan ook heel braaf en godvruchtig, gong graag na de kerk, en wat ’i der uit de H. Schriftuur hoorde voorleze, brocht ’i allemaal netjes ten uitvoer. Hij hat een oome die Bisschop was; die raadde z’n, ouwers an hem te late studeere. Deuze hadde daar nies teuge, en zoo wier Sinter Niklaas Priester, en naderhant maakte zijn oome-n-’em nog kloosteroverste-n-ook. — Toe nou z’n ouwers doot ware, kwam ’i geducht an ’t erreve en maakte d’r z’n eigen een heele dingsigheit uit, hoe of ’i ’t meeste ter eere Gos z’n gelt zoû kenne besteje. Nou hat ’i een buurman, die in der tijt een rijk en vornaam Heer was geweest, maar die heel arrem was geworde, zóo arrem, dat ’i waarlik hallef van plan wier om op een heele zondige menier an z’n broot te komme, Hij hat drie dochters, mooye meisies, maar die geen huwelik konnen doen, om dasse geen duit in d’r zak hadde. En wat overleit me nou die vader? Hij rezolleveert, om z’n dochters deur slechtigheit an de kost te hellepe.”

— „Moste ze dan gaan stele?” vroeg een der kinderen.

— „Ze mosten ’et beste wat ze hadde op een zondige manier an de man brenge,” zeide Betje haastig, „en dan van de opbrengst leve… Om kort te gaan, ze waren op ’et punt in groot kwaat te vervalle, — toe Sinter Niklaas d’r achter kwam, dat ze zoo bitter behoeftig ware. En wat doet me de goeje man ?… hij was toe noch geen Bisschop. Hij gaat ’s nachs in de maneschijn na ’t huis van z’n buurman en doet een goeje hoop dukaten in ’n doek en gooit me die deur een ope venster in de kamer van de vader…”

— „Ja…, ik hep ook welgeleze, dat ’et ’n bolvormige klomp goud was,” merkte de 14-jarige schoolmakker aan.

„O, daarom hêt Sinter Niklaas op een printje dat ik hep, een boek in z’n hant, daar drie ballen op legge,” zeide een der kleinen.

„Da’s mogentlik,” zeide Betje, „ik hep altijt gehoort van goudgelt.

— „Ga voort, Betje,” zei Mama.

„Toe de vader dat geit vont, was ’i uit de noot. Hij kon zich maar nie begrijpe, wie zoo goet over ’em docht; maar hij gaf dadelik z’n toestemming tot ’et huwelik van z’n ouste dochter, dat maar op die bruitschat gewacht hat. Een poosie later herhaalde Sint Niklaas, op dezellefde menier, z’n prezent. Nou wou de vader toch opsluut wete, wie ’t zoo goet mit ’em meende, en toen ’et gooye mit dat geit voor de 3e maal gebeurde, sprong de vader uit z’n bet en liep Sint Niklaas, die beene maakte, as een pijl uit ’n boog, na. „Meester!” riep ’i, „pak toch zoo je bieze niet! laat ik zien wie je bint.” Toen haalde-n-i ’em in, en herkende Sint Niklaas. Hij gong voor ’em op z’n knie legge — zoo as tat ’et gebruik in die lande was — en wou ’m z’n voete kusse.”

— „Kusse, kusse!” riepen de kinderen.

„Nou ja, zoene,” zeide Betje. „Maar Sinter Niklaas die zeê, dat ’i ’t niet gedaan hat, en het ’em belove van die heele historie nooit ies te verteile…”

— „Maar dan jokte Sinter Niklaas toch!” zeide een der nichtjens.

„Och, Mimi, hou je stil!” riep een der onzen… „Wat gebeurde d’r toe verder?” Betje?”

— „Toe gebeurde-n-’et, dat in de stat van Myra de Bisschop gesturreve was, en al de Bisschoppen uit dat lant kwamme bij mekaar, om ’en opvolleger te kieze. En toe was-t-er dan een, die ze allemaal dochte dat ’et worde zou; maar die hoorde juist in z’n slaap ’en stem, die ’em ’et gebot gaf fan an de deur van de kerk te gaan staan teuge de Mette, en de eerste persoon, die na ’et slaan van twaleven in de kerrek zoû komme, en die Niklaas zou hiete, tot Bisschop te wije. Dat deet ’i; en wie komt daar an zette? Onze man. De Bisschop, die op z’n post was, hout ’em staande en vraagt: „Hoe hiet je?” — „Nikolaas,” zeit Sint Niklaas, zoo maar simpel wech. En de Bisschop neemt ’em bij de hant en zet ’em op de eereplaas in ’et kappittel.”

„Kappittel! wat is tat kappittel?” vroegen de kinderen. „Hier héb ik ’en kappittelstokkie!” roept er een. „Och, hou je toch stil!” roept een ander: „laat Betje voortgaan!” en de vermaning ging met een knorrigen blik en een elleboogstootjen gepaard.

„Kappittel is zoo veul as te vergadering!” zegt Betje.

„Ja, maar toch niet van Bisschoppe,” merkt Jan Bijke aan.

„Nou, anfijn! hij wier dan Bisschop van Myra,” zegt Betje, „en was ’en voorteelt van goedheit en nedrigheit en fermiteit. Ze verteile nog een heele boel van de wonderlikke gevalle, die d’r mit ’em gebeurd binne. De goeye Got het ’em mit verscheye mirakele verheerlikt. Zoo ware d’r reis een partij varenslui op zee, en ’et storremde versohrikkelik. Ze voere na de stat van Myra, en ze ware erg benouwt. „Late we Sinter Niklaas anroepe”! zeye ze, en dat deje ze: en daar verschijnt in eens een persoon an boort, precies as Sinter Niklaas. „Heb jeluî me geroepe?” zeit ’i. „Ja,” zegge ze, „we binne zoo bang om te verdrinke,” en wat doet ’i? Hij gaat mit ’erlui an ’t werrek, mit riemen in mit boomen in al dat gesnor…, en de storrem gong legge. Ze kommen an wal en loope wat ze loope kenne na de kerrek. En wie staat daar in het koor ’et officie te zinge ? Sinter Niklaas, die ze voor die dag eigentlik nooit gezien hadde. Zij valle voor ’em op derlui kniën en bedanken ’em, en hij zeit: „Geeft God de eer; ik bin ’en zondig menseh: maar met-een las ’i d’rlui netjes de les en openbaarde an sommige d’rlui geheime zonde, en zeê, dat dat levensgevaar ze most opwekke tot bekeering. Want dát kon ’i! — as ’i iemant in z’n gezicht zag, wist i’ direkt wat er in z’n hart omgong…”

Een der kinderen, op de uitredding te-rug-komend, zeide, dat waarschijnlijk daarom Sint Niklaas als palroon van de zeevarenden14 vereerd werd.

„En waarom is ’i dan de patroon van de koophandel?” vroeg een ander. „In ’n preek op z’n patroonfeest zeê de kappelaan dat ten minste.”

„Ja,’ zei Betje aarzelend, „dat is misschien om ’t geval van de vermeerdering van het koren.”

— „Hee, wat was dat?” vroeg men.

„Daar was in ’t lant een groote hongersnoot,” zei Betje, „en de mensche wiste maar geen middel te bedenke om d’rlui leve nog een beetje te verlenge. Nou hat Sint Niklaas gehoort, dat er eenigte schepen in de have gekomme ware mit tarrewe gelaje. Hij gaat er na toe en verzoekt de schippers om uit elk schip honderd mud koren te geve an de arreme nootlijdende burgers; maar de schippers zeje: „Vader, da’ kenne we nie doen: want het koren is ons in Alexandrië toegeniete, en we motten ’et in de schure van de Keizej; uitlevere.” — „Gaat gerust je gang, en doet wat ik je zeg, zeit Sinter Niklaas, „en ik beloof je, dat je an s Keizers rentmeester niet minder zeit uitmete, as je toegemeten is. En ze dejen ’et, en Sinter Niklaas verdeelde de tarrewe onder die arreme hongerlijers en hielt nog genoeg over om d’r twee jaar lang ’et lant mee te bezaje.”

— „En d’r kwam bij de rentmeester nies te kort!” verzekerde een der kinderen.

„Maar Betje, ” vroeg een ander, „waarom wordt Sint Niklaas altijd afgebeelt mit een tobbe mit nakende kindertjes bij ’em ?”

— „Niet altijt!” orakelde de scholier.

— „Nou, neen, maar toch wel ’ereis…”

— „Ik heb een boekie gezien mit ’en printje, daar ’et wel drie patertjes lijke, die uit de tobbe komme,” zei een der anderen.

„Ja, zei Betje, een weinig verlegen: „Bosweide, daar ik m’n wijsheit over Sinter Niklaas eigentlik uitheb, spreekt ’r nie fan…”

— „O, dat is dat groote, dikke boek mit tie kopero slote ?” zei ons nichtje Cato vragend.

„Ja,” zei Betje, „en in dat zellefde boek wordt Sint Niklaas toch wél mit de kindere ófgeboelt… Ik wil ’et jelui wel verteile… maar ik bin bang, dat jelui d’r van zelt drooine….”

— „Neen, Betje, hè, Befje!” klonk ’et, en Betje, door een verschoonend mondgebaar van onze moeder gemachtigd, ging voort:

„’Et is eigentlik een akelig praatje… ’t Komt hierop neer. D’r was ’en loziementhouwer, die zullek fijn vléesch an z’n gaste voorzett’e, en ze toch goejekoop bediende. „Wat of dat toch foor vleesch is?” zeje ze. En nou wiered’r in die stat, van tijt tot tijt, kleine kindertjes gemist. De mensche gonge daar d’r noot over klage bij Sint Niklaas. Die goeje vader beloofde d’rlui de zaak te zelle exammeneere. En Sinter Niklaas gaat op staande voet na de kasteleiq: „Waart!” seit ’i, „waar haal jij je vleesch?” De kastelein was op tie vraag van de vrome Bisschop niet verdacht; hij wier zoo bleek as een doek. Sinter Niklaas stapt daarop na achtere in ’t loziement, en vindt me daar, in een kelder, een tobbe staan, waar drie ’an stukke gesneje kindertjes in lagge…15

— „Hè, hoe akelig!” riepen de levende enbloeyende rondom Moeders tafel.

„En Sinter Niklaas,” gaat Betje voort, „zette z’n staf in de tobbe, en de kindertjes wieren weer springievendig en bedankte de goeje Bisschop — ’ n weldoener, zoo as d’r niet feel geweest binne.”

Betje was nog aan ’t spreken, toen Naatje Egers, zonder dat er veel op gelet werd, achter Mama heen, een grooten zak met strooigoed aan haar rechter hand had neergezet, en er plotselijk een massa van die lekkernijen dooide kamer dwarrelden en ons de eigenlijke plichten van den zoeten strooiavond welsprekend te-binnen-brachten.

 

MIJN EERSTE INDISCHE SINT-NICOLAAS

DOOR

SALLY.

 

Sedert zes weken was ik in Indië en hoewel het in de regenmousson was, had ik mij nog geen oogenblik te Batavia verveeld.

Alles was nieuw, alles was aardig. Wij — mijn man en ik — leefden als vorsten, of liever, hadden een in onze oogen vorstelijk leven, zooals wij gelogeerd waren bij den heer Varens, den ehet van een der grootste handelskantoren, die een der mooiste huizen op Salemba bewoonde. Karei, mijn man, wachtte op een plaatsing bij het gouvernement, en wij genoten en attendant de gastvrijheid van de familie Varens, welke familie bestond uit mijnheer, zijne echtgenoote, eene dame van ’t land, en drie aardige kinderen, die reeds binnen kort mijn beste vrienden werden.

„Heb je wel eens van St. Nicolaas gehoord?” vroeg ik hun een der eerste dagen van December.

„Sinteklaus!” riep nonnie (’t kleine meisje), verschrikt omkijkende.

„Dat is een genderoehoe” (spook of booze geest).

„Wie zegt dat?”

„O! baboe!” antwoordde de oudste jongen voor haar.

„En wat zegt mama?”

„Ma? — wel, ma zegt Sinterklaas is een „dag”. Dan krijgen wij presenten, zoo als de kindertjes van mijnheer Stanley hier naast ze op kerstmis krijgen. Anders niks.

Ik, echt kind van Holland, voelde dat ik de eer van onzen goeden Sint op moest houden, die door de eene voor een spook, en door de andere voor een „dag, anders niks” werd uitgemaakt en vertelde hun haarklein, wat mijn goede moeder en mijn kindermeid mij van hem hadden verteld. En ik was over mij zelve voldaan, toen ik de kinderen ’s avonds naar bed zag gaan en hen overtuigd had, dat Sint Nicolaas met mij op het stoomschip was meegekomen, om alle zoete kinderen een presentje en alle stoute kinderen straf te brengen.

„Wij moeten eens een echten St. Nicolaas-avond voor hen maken, Karei,” zei ik den dag van den vierden tot mijn man.” Jij moet St. Nicolaas zijn, ik zal wel een mijter voor je maken en een mantel ook van rood katoen. Als je dan een witte kabaai en een laken als rok aandoet, met een sjerp om je lijf en een valschen baard, zal je er volmaakt goed uitzien. Gelukkig, dat ik al de presentjes voor de kinderen, die ik uit Holland meenam, nog niet gaf. We kunnen er meer genoegen van hebben.”

Maar daar er gestrooid moest worden, gingen wij dien morgen toch nog met een huurwagen uit. Wij vonden bij Leroux en Cavadino alles even duur. De hollandsche gewone pepernoten en moppen, die in glazen stopflesschen uit Holland waren gekomen, kostten ons evenveel guldens als daar stuivers. De ulevellen en suikerboonen eveneens; zoodat we met heel wat lichter beurs terug kwamen, dan wij gegaan waren.

De avond brak eindelijk aan. Wie de meeste verwachting daarvan had, de kinderen of ik, weet ik niet. Maar ’t kwam mij toch zoo oneigenaardig voor, die groote open galerijen, de lauwe drukkende warmte buiten. Geen vroolijk vuur, al was er verlichting genoeg door de vele schitterende gasvlammen, die in de wit marmeren voorgalerij en in de binnengalerij waren ontstoken. Mijnheer en mevrouw Varens zaten elk in een schommelstoel in de voorgalerij en mevrouw lachte mij uit om mijn animo bij dat kinderspel en noemde mij gila-gila.

Maar ik het haar vrij lachen en bleef bij de kinderen. Daar kwam Sint Nikolaas op een heusch paard het hek inrijden, gevolgd door zijn zwarten knecht, naar wien we niet lang hadden te zoeken gehad, daar hij in natura op het erf zelf was te vinden geweest in den persoon van den afrikaanschen mandoor, die dolle pret in de heele geschiedenis had en met zijn grooten toedoeng (chineeschen j hoed) en de sapoe lidi er zoo afschuwelijk uitzag, dat hij mij, laat staan de kinderen, naar bed zou jagen. Maar toen Sinterklaas, die was afgestegen, na de gebruikelijke vragen, in zijn zak tastte en aan ’t strooien ging, was ’t een pret en gejuich zonder eind, een gekrioel en gerol en gekruip over de gladde rotban matten der binnengalerij, dat’ ik mij bijna voor een oogenblik in Holland waande en zag, dat alle kinderen, ’t zij in Oost of West, toch de zelfde zijn. Althans in sommige opzichten. En na mij hadden de inlandsche bedienden, die in de achtergalerij verzameld waren en stonden te grinniken bij dit hun ongewoon tafreel, er zeker ’t meeste pret van.

Maar aan al dat gejuich kwam een einde, toen mevrouw Varens riep: „Soedah, kinderen, nu naar bed!

Mevrouw hield niet van luidruchtigheid. Indische moeders, die nooit hebben geweten wat een kinderkamer is, wier kinderen nooit stoeien dan achter op het erf bij de bediendenkamers, zijn aan dat woelig leven in haar onmiddellijke nabijheid niet gewoon en kunnen er ook niet tegen.

„Als je nu nog wat wilt gaan nontong, Marie,” — zei mevrouw Varens, „wij gaan.” En daar men in Indië zich den vijfden December niet hoeft in te pakken om eens winkels te gaan zien, zooals ten onzent, trok ik mijn witte handschoenen aan, sloeg de kanten sjawl om mijn luchtig kleedje en wij stapten in den open vis a vis die gereed stond. Weinige oogenblikken later reden wij wegnaar de Bazaar, het middelpunt waar alle „chic” zich op Sint Nikolaas concentreert.

’t Was er waarlijk prachtig! Het voorste gedeelte wasvoor stoffen en modeartikelen, het achterste gedeelte echter, eene groote zaal, voor luxe-artikelen en speelgoed ingericht. Wij konden haast niets zien en ons niet verroeren, zoo vol was het er. De meeste dames waren in groot toilet of hadden althans veel toilet gemaakt, daar het dien dag tot nog toe droog was gebleven. Wij raakten zoetjes aan van onzen gastheer en zijn vrouw at. Maar ik zag mijnheer Varens toch met een ander heer druk aan ’t discussieeren over brieven, die zij met de mail ontvangen hadden, en mevrouw praatte met andere dames.

Precieus en moois was er genoeg bij die uitstalling. Maar toen ik naar eenige stukken speelgoed vroeg en de ongehoorde prijzen hoorde, die deze dingen daar kostten, zonk mij de moed in de schoenen en dacht ik met weemoed aan mijn laatsten St. Nicolaas thuis, toen wij met zoo weinig kosten zooveel aardigs verzonnen hadden. Kleine plagerijen, piquanterieën, insinuaties, waarvoor men met een paar gulden al heel ver kwam. En hier ? Ik zag met de grootste verbazing jonge officiers en ambtenaarsvrouwen luxeartikelen koopen, daar ik niet eens naar durfde vragen. Trouwens, zij vroegen er ook niet naar, althans niet naai den prijs, en kochten ’t maar. Après nous le déluge!

En al meer en meer nam het gedrang toe, al meer en meer verlangde ik naar frissche lucht of een huiselijken St. Nicolaas. Daar weten de indische families op Batavia echter niet van af. Voor hen bestaat die avond in een bezoek aan de Bazaar on Cavadino.

„Ajo!” riep mevrouw haren echtvriend toe, „ben je klaar, Varens? Wij willen naar Cavadino!”

Mijnheer, die nog steeds zijn mailpraatje met zijn vriend hield, schrikte op. „Ja dadelijk, Mina,” antwoordde hij. „Eerst wat koopen voor de kinderen.”

Nu, dat kon hij vlug. In vijf minuten was hij klaar.

„Juffrouw! dit en dat, en dan zoon’n stoeltje en tafeltje en dat tuinmansgereedschap en die aap met mecanique en… en, ja ook goed,” zei hij tot de juffrouw, die hem een prachtig wagentje met twee paardjes voorhield, waarvan ik daareven had gehoord, dat het dertig gulden kostte. „Doe er dat maar bij.”

De juffrouw lachte witjes. In minder dan vijf minuten had zij aan mijnheer Varens voor eene som verkocht, die een hollandsche huisvader zoowat in tien jaren voor zijn kinderen op St. Nicolaas besteedt. Maar hij kon ’t lijden.

Dat dacht mevrouw vast ook, toen we bij Cavadino waren en daar een uur zoek brachten met ijs eten, proeven, snoepen en marasquin drinken. Het was beginnen te regenen. Kletterend plaste de regen in stralen neer. De koetsiers en palfreniers der rijtuigen zaten in hun lange blauwe, roode, rose of gele toros, met de verlakte hoeden boven op den hoofddoek, in de voorgalerij neergehurkt, hun „roko” te verorberen.

Ik begon me vreeselijk te vervelen en was blij toen mijnheer het rijtuig, dat hem naar de Harmonie had gebracht, terug zond om ons te huis te brengen. Mijnheer zou tegen elf uur wel uit de roemah bola terugkomen met het rijtuig van mijnheer Stanley, onzen buurman.

Maar ach, wat zag de boel er uit! De kap was niet tijdig en niet goed opgezet, en het water droop van de kussens; een groote plas lag in het rijtuig en verschafte ons een ongewenscht voetbad. Wij zaten in ons doornat voertuig te rillen van de kou. En thuis komende moest ik mij dadelijk verkleeden, want ik wilde niet naar bed gaan zoolang mevrouw Varens er geen lust toe toonde.

Het St. Nikolaasfeest naar CORNELIS TROOST.

Mijnheer kwam een uur later thuis: ’t was een „saaie boel” op de societeit geweest. Een paar baarsche officiertjes en ambtenaartjes hadden, ter eere van St. Nicolaas, een leven gemaakt dat een fatsoenlijk man zijn partijtje whist niet maken kon.

„Spada! kassi sopi-ajer,” riep hij den toesnellenden jongen toe. En met de beenen op het hekje van de pendoppo, achterover in zijn karossi Soerabaya geleund, besloot mijnheer den St. Nicolaas-avond met klimaat schieten. Mevrouw ging naar bed en wij rukten ook spoedig naar onze kamer, waar ik drie kleine schoenen vond, die ik had besteld. In elk zat eene ketella of een pizang voor ’t paard van St. Nicolaas. Ik schikte mijn nederige presentjes met wat klaasman en suikergoed netjes op de tafel, waarbij ik met eene vrijster en een vrijer in de hand onwillekeurig naar een schoorsteenmantel rondkeek, maar ze bij gebrek aan beter op mijn toilettafel nederzette.

„En heb je voldoening van je Sint Nikolaas, lieve?” vroeg Karei mij.

Ik kon mijn tranen haast niet weerhouden. „Ach, Karei! ik vind hier alles heerlijk en goed. Onze gastvrouw en gastheer lief en hartelijk, behalve op Sint Nikolaasavond. Ik begin ook te begrijpen, waarom de kinderen „Sinte Klaas” tot nog toe een „spook” vonden. Ja, hier is hij een spook, een matte, bleeke schaduw van onzen lieven ouden geestigen Sint.”

Karei lachte vriendelijk. „Kind, hij hoort hier in Indië niet thuis, zooals de topeng, het Tjap Gomeh en een rampok-partijtje in ons land misplaatst zijn. Elk land heeft zijn heiligen en feesten.”

„Maar als wij ooit kinderen krijgen,” riep ik, „zal ik ze, al zijn zij in Indië, toch Sint Nikolaas laten vieren. Ik zal het den ouden Sint zóó thuis maken, dat hij elk jaar liever terugkomt!”

„De tijd zal ’t leeren,” zei Karei.

En de tijd heeft het geleerd.

 

Sint Nicolaas in België.

DOOR

M. H. v. L.

 

Wie de „Levensbeelden” van Van Beers .kent — en welke Noord-Nederlander kent dien bundel van den gemoedelijken, keurigen belgischen zanger niet? — heeft ook zijn „Sint Niklaas” gelezen, en er niet alleen uit geleerd dat ook in Zuid-Nederland de naamdag van dien heilige het feest der jeugd bij uitnemendheid is, maar tevens dat het aan gene zijde van den Moerdijk, in hoofdzaak, op dezelfde wijze als aan deze zijde wordt gevierd. Zoo als hier, ziet ook daar het kind reeds lang te voren in zijne verbeelding den bisschep van Myra ’s nachts, op een ezel of een wit paard gezeten, met twee volgepropte korven ter weerszijde van den viervoet vastgehecht, over de daken rennen, en de schoorsteenen als de geleibuizen voor de belooningen van goed en kwaad bezigen. Ook in België vallen òf lekkernijen en speelgoed, òf eene roede in het schoeisel, naar gelang de schutsheer der kleinen al of niet redenen had over zijne kleine beschermelingen voldaan te zijn. Toch bestaan op dat laatste punt eenige afwijkingen. Eerstens schrijft de allereerste les van de belgische St. Nicolaas-belijdenis voor, dat schoen of klomp door het kind met eigen hand moeten zijn gereinigd, en die regel wordt dan ook vrij algemeen geëerbiedigd. Ten tweede worden in enkele deelen des lands òf korfjes, of kousen, òf groote, van handvatsels voorziene papieren zakken tot het opvangen van des bisschops gaven gebruikt. En zonderling is het wel, dat zelfs in deze de gevoelens omtrent de eischen der ware vereering lijnrecht tegenover elkander staan. Hier bijvoorbeeld, zoo als in sommige streken der provincie Luik, mag alleen schoon of klomp dienst doen; daar, zooals in Henegouwen, de Ardennen of de Vlaamsche provinciën, is de keus uitsluitend tusschen klompen en korfjes beperkt, of kan men met de twee liturgieën op goeden voet blijven en beide voorwerpen onder de schouw plaatsen.

Daarentegen is men, evenals in Noord-Nederland, ook in in een aantal streken van België van oordeel, dat het paard van den heilige evenmin als deze mag worden vergeten. Daartoe dienen de bosjes hooi, die in een of anderen hoek nedergelegd worden, de schotel haver, die voor den schoorsteen is geplaatst, of het hooi, het broodje, de wortelen of de aardappelschillen, die het schoeisel of het korfje vullen.

Wie ooit na de lezing der „Oude Vlaemsche Liederen” van Willems, en zelfs der „Chants populaires des Flamands de France” van de Coussemakers tot de slotsom kwam, dat de muziek niet alleen het verstdragende voertuig der volksoverlevering vormt, maar deze bovendien eeuwen schijnt te helpen trotseeren, kan in het kindergebed der kleinen op den vooravond van den St. Nikolaasdag, een nieuw bewijs voor zijne stelling putten. Immers, de omwenteling van ’30 moge het koninkrijk der Nederlanden gesplitst en een nieuwen troon opgericht hebben, het nederlandsche St. Nikolaaslied te vernietigen, daartoe blijkt zij onmachtig te zijn geweest. Of wie onzer lezers herkent niet in het St. Nikolaasgebed der kinderen van Lier, enkele wijzigingen ten trots, een stuk zijner kindsheid:

Sinte Niklaas kapoentjen

Rijd wat in mijn schoentjen,

Een appeltjen of een limoentjen,

Een nootjen om te kraken,

Het zal zoo lekker smaken.

En wie ontdekt niet, door het vlaamsche mom-aangezicht heen, de hollandsche tronie van het volgende, in Opst-Vlaanderen inheemscke kindergezang:

Sinte Niklaas, o heilige man,

Met uwen gespikkelden talfaard aan;

Wij rijden meê naar Spanje,

Om appelkens van Oranje,

Om appelkens van Condé,

Breng er mij een g’heel schootjen meê.

De eenheid van St. Nico laas’ psalmboek is echter, niet overal even volkomen. Als voorbeeld diene de Brugsche zang:

Kousen en schoenen staan te pronken,

Al in den heerd;

De kindekens slapen, dat ze ronken,

Daar komt een peerd;

’t Is een peerd gelijk eenen ezel.

O, heilige man!

’k Zal een deuntje voor u lezen,

Breng mij wat dan.

Zooals in Noord-Nederland, vormt ook in België het zoogenaamde St. Nicolaasgoed schering en inslag der snoeperijen ad hoc. Het verschil tusschen dat en de zuid-nederlandsche „spikkelatie” en „speculatiemannen” bepaalt zich echter niet uitsluitend tot spelling en uitspraak. Over het gemis van klatergouden reepen kan zich de nederlandsche emigrant allicht troosten; maar dat de amandelen, de sucade, de specerijen ontbreken, daarover kan hij zich lang zoo gemakkelijk niet heenzetten. Daarentegen kennen Antwerpen en Brussel de „schepen van marsepein”, waarnaar het arme Mieken van Van Beers zoozeer verlangt: ovale, met suikerbonnen enz. beplakte, en door twee kruislings, door linten verbonden vlaggestokjes versierde vaartuigjes, die echter alleen nog bij de kleine burgerklasse tusschen de klippen van den modernen unificatiegeest hebben weten door te laveeren. Wie weet echter, binnen hoe korten tijd ook die ranke bodems, tegelijk met het geheele St. Nicolaasfeest, in den orkaan zullen zijn ondergegaan, die reeds zoo menige nationale eigenaardigheid verzwolg, al getuigen ook ruim 100, in België aan den kindervriend gewijde kerkgebouwen er voor, dat hij ook door de grooten en kleinen in den lande in eere wordt gehouden.

 

Een Sinterklaasviering te New-York.16

 

Onder de brieven, die mij opwachten, vind ik een, die mij op dezen 5 December een ongedachte, maar hoogst aangename St. Nicolaas-verrassing bereidt — het bericht van mijn benoeming tot doctor honoris causa, door „N.ew-Brunswick College”. Ik weet, dat die onverdiende eer meer mijn vaderland geldt dan mijn persoon, en in mij eigenlijk de Evangelische Alliantie huldigt. Onwillekeurig herinner ik mij bij het ontvangen van dit eerbewijs het woord van een vroeger collega, die, na een bezoek van den Koning aan de stad onzer inwoning, als oudste leeraar met het ridderkruis begiftigd, op de audientie zijn dank uitdrukte door te zeggen: „ik koop dat Uw Majesteit eens even groote genade zal bewezen worden als mij thans betoond is.” — Maar took ontveinzen wil ik niet, dat mij deze verrassing welkom was, te meer, daar ik reeds zoo menigmaal den mij in brief of gesprek toegekenden doctorstitel had moeten afwijzen.17 Onze gastheer verblijdt zich in de mij ten deel gevallen onderscheiding, alsof die een eigen zoon ware weêrvaren.

Den Heilige, die mij ditmaal zoo verrassend bedacht had, zou ik des anderen daags mede mijn hulde helpen brengen, ’t Geen, onder de mij wachtende papieren, nog eer mijn oogen had getrokken dan de pas vermelde kennisgeving, eerst later door een doctorale bul in forma gevolgd, was — een groot couvert van helle oranjekleur, inhoudende een drietal gedrukte stukken van dezelfde schitterende tint: het éene een uitnoodiging van: „The Saint Nicholas Society of New-York requesting the pleasure of the Company of… to their Anniversary Dinner at Delmonico’s on Saturday 6 December, at Six o’clock”, het tweede een gedrukte lijst der officiëele toasten, het derde het „menu” van het feestmaal. — Op den omslag stond een figuurtje (blz. 482) van een man in een ouderwetschen leuningstoel gezeten en een lange pijp rookend, met het onderschrift: „Non fumum ex fulgore, sed ex fumo fulgorem dare, cogitat.” — Zijn bedoeling is niet uit den gloed rook, maar uit den rook gloed te doen voortkomen.

Dat beeldje moest een der burgers van het oude Nieuw-Amsterdam voorstellen, aan wier herinnering de „Sint Nicholas Society” is gewijd. Deze is een soort van historisch-literarisch-philanthropische club, die haar ontstaan, in 1835, voornamelijk aan Washington Irving verschuldigd is. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

St. Nicolaas was de bekende beschermheilige van Amsterdam, schuts-patroon van den handel en de zeevaart, niet minder dan van de kinderen, en hij werd ook als de patroon van Nieuw-Amsterdam gehuldigd. Terwijl overigens in geheel Amerika, evenals in Engeland en Duitschland, het Kerstfeest het kinderfeest is; hier in New-York wordt de vaderlandsche heilige evenzeer geëerd, en de winkeliers dragen zorg, dat de oude, eerwaardige overlevering niet versterve. In meer dan één speelgoedwinkel zagen wij een prachtige pop, soms levensgroot en met kunstig bewegende ledematen, van „Sante Klaus”, gelijk hij hier genoemd wordt, en — merkwaardig voor de historische overlevering hier aan zijn persoon verbonden, — hij is geen vrome bisschop, maar een soort van hollandsch matroos, even populair in New-York als in Engeland de britsche „Punch” en min of meer aan dezen verwant.

„Sante Klaus” als patroon van Nieuw-Amsterdam.

Zeer natuurlijk was het onder zijn naam, dat de „Society” werd opgerieht, bestemd to be composed of old residents of the city of New-York and their descendants. — Geen wonder dat wij op de naamlijst van vroeger en later leden een aantal namen aantreffen, die, hoewel soms min of meer in spelling verbasterd, het kennelijk merk van hun hollandschen oorsprong dragen. Daar zijn: Abeel, Van Antwerpen, Van Asch, Beekman, Bleecker, Bogardus, Brevoort, Brouwer, Breuker, Van Buren, Van Duzer, Gouverneur, Hardenbrook, Hoffman, Huser, Kip, Lang, Van Neet, Onderdonk, Oothout, De Peyster, Pierson, Van der Poel, Remsen, Boosevelt, Turk, Van der Voort, Van Wagenen, Wessels, Westervelt, Van der Wijck, Wijckhoff, Wijnkoop, Van Zandt enz. — De eerste voorzitter was een Peter G. Stuyvesant en de eerste vice-voorzitter Washington Irving zelf. Het doel der vereeniging zou zijn het aandenken van de grondleggers der stad te bewaren, en ’t geen in hen goed en navolgenswaardig was, aan te kweeken en te bevorderen. Historische voorlezingen en geschriften zouden worden uitgegeven om de kennis van al wat op de voorouders betrekking had, te vermeerderen, en een fonds gevormd om daaruit hulpbehoevende stadgenooten te ondersteunen. — Bovendien zouden er jaarlijks twee feestelijke samenkomsten plaats hebben, eiken 6 December, op den naamdag van den heilige, en een „Paas Festival”!18 omtrent Paschen.

Als banier der maatschappij koos men de oud-hollandsche driekleur, en in het witte middenveld het vroeger wapen der stad: een schild, waarop twee gekruiste molenwieken; daartusschen ter zijde twee tonnen; van boven en onder bevers, en als tenanten aan den éénen kant een Indiaan met boog en pijl, aan den anderen een matroos met anker en roeispaan.

Doch mijne lezers zullen, hoop ik, verlangend zijn iets te vernemen van het eigenaardig festijn op dien St. Nikolaasavond. In mijn dagboek teekende ik aan van dien avond: „Een interessant hoofdstuk voor het boek, dat ik schrijven wil.” — Wat ik hier te verhalen heb, zal, naar ik vertrouw, bij nederlandsche lezers eenige belangstelling kunnen wekken.

Met mijn gastheer, een van de steunpilaren der „Society”, begaf ik mij op den feestelijken avond, in groot tenue, naar Delmonico, den Véfour of Tortoni van New-York, den prins der restaurateurs. Wij vonden in een groote receptiezaal een aantal heeren bijeen, allen met zwarten rok en witte handschoenen. Na een korte poos werden twee vleugeldeuren opengeslagen, en nu traden wij in de groote, feestelijk gedecoreerde banketzaal, die een waarlijk verrassenden aanblik bood. De wanden waren aan alle zijden behangen met hollandsche, amerikaansche en oranje vlaggen. Eenige groote tafels stonden aangericht. Tegen den achtermuur, achter de presidiale tafel, hing een groote oranje-banier, waarop met reusachtige letters stond: Oranje Boven, — en daaronder, op zijn schoorsteentroon gezeten, een meer dan levensgroot beeld van den gevierden Sint, met de korte Goudsche pijp in den mond. Vlak voor dat afgodsbeeld nam de voorzitter plaats, met een grooten driekanten hoed op het hoofd en een breeden oranjebandelier schuin over het witte vest. Rechts naast hem zat de nederlandsche gezant, de minister-resident van onzen koning, in Washington: mr. Westenberg. Mij was een plaats aangewezen tusschen hem en mijn vriend James W. Beekman. Op ’t midden van deze eeretafel stond als piece de milieu de groote vergulde weerhaan van een kerktoren, overblijfsel uit den „goeden, ouden tijd”, vroeger door Washington Irving aan de vereeniging ten geschenke gegeven, en als een heilige reliquie in eere gehouden. Verder op deze en de andere tafels zag men, tusschen fraaie bloemvazen en ruikers, op taarten en koeken, allerlei kunstig gemaakte voorwerpen van suikergebak, ontleend met min of meer geschiedkundige trouw aan de herinneringen uit het voorgeslacht: Hudson’s „Halve Maan”, een huis van Nieuw-Amsterdam, een groepje hollandsche schaatsenrijders, een huisman en zijn vrouw uit de 17de eeuw, enz. enz. — Achter de tafels stonden een aantal negerbedienden in een kostuum, dat meê den „ouden tijd” herinneren moest en dien zeer algemeenen term niet weêrsprak, maar toch eenigszins een anachronisme was, als ’t de dagen van Nieuw-Amsterdam moest herinneren. Het was een achttiende-eeuws kleeding: blauwe gekleede rok, lang zijden dij vest, korte fluweelen broek, gestreepte kousen, schoenen met zilveren gespen. — In een nevenzaal, waarvan de deuren geopend waren, bevond zich een muziekkorps, dat zich hooren het bij ons inkomen en nu en dan eenige stukken speelde. Dat de gerechten uitstekend waren, behoeft nauwelijks te worden gezegd. De oude Hollanders hebben terecht of ten onrechte den naam bij wijlen overvloedig te hebben kunnen gastreeren. Voor hun vereerders was ’t dus conscientiezaak, mede in dit opzicht hun nagedachtenis te huldigen, en Delmonico had een welgevestigden naam op te houden en deskundige patronen te voldoen. Daar waren: Consommé à la Saint Nicolas, Tymbales a la Stuyvesant, Bass à la Knipperhausen, Riz de Veau à la Rip van Dam, Filet de Boeuf à la Hendrik Hudson, Dutch Cauliflower, Salad à la Oulesticker, en andere bekende en onbekende gerechten onder nieuwe of juister gezegd oude namen. — Zoo haast aan de eerste, meest dringende eischen eenigszins voldaan was, begonnen de voorgeschreven offieieele toasten. Ik laat de onderwerpen, zoo als zij te lezen waren op de schitterende oranjelijst, hierachter volgen.

REGULAR TOASTS.

SAINT NICHOLAS FESTIVAL.

DECEMBEB 6, 1873.

1.  

Saint Nicholas. — The sweet delusion of our infancy, and the Adored Saint of our old age.

Music: „MYNHEER VAN DONCK”.

2.  

The President of the United. States.

Music: „PRESIDENT’S MARCH”.

3.  

The Governor the State of New-York.

Music: „GOVERNOR’S MARCH”.

4.  

The City of New-York. — May she always practise those principles of virtue and honesty bequeathed by her Dutch founders.

Music: „HOME, SWEET HOME!

5.  

The Union. — Created in wisdom, and cemented with blood — it can only perish with the annihilation of all earthly things.

Music: „STAR SPANGLED BANNER”.

6.  

The Army and Navy. — In the future, as in the past, may their deeds be their greatest glory.

Music: „BALLY ROUND THE FLAG”.

7.  

Holland. — The land of dams and solid principles. Ocean’s waters have heretofore failed to destroy the one, or time to weaken the other.19

Music: „WILHELMUS VAN NASSOUWEN”.

8.  

Our Sister Societies. — We greet them as coworkers in the noble cause of charity, and bid them a hearty welcome.

Music: „WE ARE A BAND OF BROTHERS”.

Men ziet het: reeds in den toon hier aangeslagen, wordt de hooggestemde toastklank niet gemist, en dat deze den grondtoon bleef van alle toespraken, nu en dan het toppunt bereikend van die eigenaardige tafelwelsprekendheid, die Dickens soms in zijn romans zoo geestig heeft weten weer te geven en die een volkomen nuchter oordeelende bijna in den waan zou brengén, dat hij een bladzij hoort lezen van Victor Hugo uit diens later periode; dat dit nog meer het geval was, toen na de regular toasts de stroom van de geheel vrije uitboezemingen volgde.; dat ook dáár redenaars waren, die beter wisten te beginnen dan te eindigen, en die in eigen volzinnen en tusschenzinnen verward raakten; dat dit evenwel weinig schaadde, waar de invallende muziek en een daverend handgeklap met cere eiken aftocht dekte; dat een enkele vurige Hollandervriend zich waagde aan een nederduitsche toast, waarin de heer Westenberg en ik, de eenige aanwezige Nederlanders, eenige moeite hadden onze taal te herkennen; hoe echter ook dat niet schaadde, en de redenaar te levendiger werd toegejuicht, naarmate hij minder werd begrepen; hoe de geestdrift eindelijk tot haar zenith steeg, toen, overeenkomstig het laatste artikel van het menu, na dessert en ijs, pipes and tobacco” verschenen, en lange Goudsche pijpen werden rondgedeeld van geelachtig oranje aarde gebakken en voorzien van een kop in den vorm Ván een menschenhöofd met driekanten steek, — al deze dingen zal men wel op mijn verzekering willen gelooven.

 

 

1 Simrock, Mythologie, 173.

2 Het achtvoetig ros Sleipnir. Zie de Edda, enz.

3 Wünschelrute, Wenschroede, zeiden de oude Duitschers.

4 Grimm, Mythologie, 140.

5 Grimm, 35 enz.

6 Grimnismal, 47 en 48.

7 Simrock, Handbuch, S. 230 en 437.

8 Deze toren (zie de afbeelding op blz. 472) werd ook wel de Heyman Ruysschentoren genoemd. Dirk Heymansz. Ruysch was in 1481 juist Burgemeester. Wellicht is de eerste steen van dien toren door des burgervaders zoon, die wel Heyman Ruysch zal geheeten hebben, gelegd, zoodat daarom de toren dien naam gekregen heeft.

9 In 1404 bestaat het St. Nicolaasgiide alleen nog uit de „sniders” en de „sceerres”. De „maersluyden”, die in een brief van 1371 en de „coemannen”, die in een anderen van 1390 worden genoemd, hebben zich dus voor 1404 uit het St. Nicolaasgiide begeven en een nieuw gilde opgericht. Dit was Wagenaar niet bekend, omdat hij de archieven van het Sinterklaas-gild niet had gezien, die thans op het Amsterdamsche archief bewaard worden.

10 Bronnen: Breviarium Romanum. Antv. 1748. Pars hiem. Festa Dec. — Jacobus a Voragine, Legenda aurea. Straszburg, 1518. — Eene Nederlandsche bewerking van deze, HS. van 1338, vroeger in ’t bezit van Le Long, thands in ’t mijne.— ’t Passionael twinterstuck Datmen hiet die gulden legende, Antwerpen, Henr. Eckert van Homberch, 1505.— Matthias Lambrecht, D’leuen, doot ende lijden der Heyligen… Louen, 1590, 1610. — Henr. Adriani, Legende oft d’Leven… o. l. H. Iesu Chr. ende van de alderh. Moeder Godts… ende alle Godts lieue Heylighen. Antw. 1609. — P. Petr. Ribadineira ende P. Heribertus Rosweydus, Generale Legende der Heyligen. Antwerpen, 1649. — Werfer, Steck en Lander, Grosse ill. Heiligenlegende, 2e Aufl. — J. v. Radowitz, Ikonographie der Heiligen. — Pr. Ch. Cahier, Caractéristiques des saints dans l’art populaire, Paris, 1867, I.

11 In onzen stand heb ik nooit „Sinterklaas” hooren zeggen: doorgaands „Sint Niklaas”, of „Sinter Nikláas”; „Sint Nikolaas” was uitzondering. De meiden moesten al van zeer geringe afkomst zijn, om „Sinter Kláas” of „Sunter Kláas” te zeggen.

12 De tamelijk aristokratiesch voelende Heer Petrus Paulus Charlé, van Andwerpsche en ridderlijke herkomst.

13 Een Jufvrouw Cavalini.

14 ”S. Nicolaus van Bari oder Myra — drei Kinder in einem Taufbecken vor sich tragend — zuweilen als Bischof eine Kirche tragend — Buch mit 6 Kugeln bezeichnet in der Hand — oft auch drei Brodte auf einem Buche oder in der Hand tragend — zuweilen mit einem Anker zur Seite — Patron des Wassers, der Fischer, Brauer, Schiffer, Kaufleute, Reisenden und Schulkinder — Schutzpatron gegen Diebe (hij had er eenige genoodzaakt het gestolene terug te geven) — Patron von Moskau, Laybach, Freiburg in der Schweiz, Berlin, Enghien, Venedig, Greifswalde, Stendal, Stralsund, Amsterdam, Calcar, Meran’ Znaym, Feldkirch, Bari, von Griechenland und Litthauen.” V. Radowitz, t. a. p. bl. 97.

15 ’t Is opmerkelijk, dat de algemeen verspreide afbeeldingen van den Heilige, althands hier in ’t Westen, een tobbe met drie kinderen (ook wel twee jonge klerken) naast hem plaatsen en dat de legendeuboeken in ’t algemeen van het geval zwijgen. De geleerde Ch. Cahier deelt mede, dat het oudste bericht omtrent dit mirakel gevonden wordt in een aan den H. Bonaventura toegeschreven preek, maar hij geeft als zijn gevoelen op, dat dit gantsche (schilderachtige) geval niet anders is dan eene door de volksverbeelding ontworpen redaktie van een beter gestaafde gebeurtenis: namelijk het redden van de dood van drie belasterde Prinsen of krijgsoversten door den vromen Bisschop, die hunne genade van Keizer Constantijn verkreeg. Cahier t. a. p., bl. 354.

16 Het volgende is ontleend aan Dr. M. Cohen Stuart’s „Zes maanden in Amerika”, Haarlem, 1875; tweede, goedkoope druk, 1879.

17 Mij is dat eeredoctoraat thans dubbel welkom, nu ik die eer deelen mag met twee broeders, die beiden daarop meer recht hadden dan ik. Mijn broeder, de Director der Polytechnische School, ontving ze reeds voor jaren; een ander, de linguïst, onlangs bij het gedenkfeest der Leidsche Academie.

18 Het Paasch voor het Engelsch Eastern heb ik alleen door St. Nicholas-leden hooren gebruiken. Overigens zijn in New-York, uit den ouden tijd, nog zeer enkele Hollandsehe woorden in zwang gebleven. De koetsier zal er spreken van span, niet van team, en het woord stoep wordt vrij algemeen verstaan. Geheel burgerrecht verkreeg ons oliekoek. Dat gebak wordt nooit met een anderen naam genoemd en is zeer populair. Zeer menigvuldig wordt gebruik gemaakt van de uitdrukking baas, gespeld en uitgesproken: boss. Al wie eenigszins meer dan gewoon is, in goed of kwaad, is een boss. — William Tweed, de millioenendief en eminente schurk, wordt in de couranten zelden anders genoemd dan „boss Tweed”.

19 „Nederland, het land van dijken en vaste beginselen. De oceaan heeft tot heden de eerste niet verwoest, noch de tijd de laatste verzwakt.” — Mocht het waar zijn!