„DE MEESTE VAN DEZE IS DE LIEFDE.”

DOOR

J.J.L. TEN KATE.

 

Is er zaliger vreugd

En die langer u heugt,

Dan een zorgelijk voorhoofd te ontplooien,

Een goede Engel te zijn,

En in ’s armen woestijn

In de stilte wat manna te strooien ?

 

Door den traan, dien gij wischt,

Wordt u w ziele verfrischt;

En de glimlach, dien gij doet herleven

Op des lijders gezicht,

Wordt een straal van Gods licht

Ook U-zelv’ tot verkwikking gegeven!

 

Ach, hoevéel, dat een tijd

U in ’t leven verblijdt,

Is bij ’t sterven voor immer vergeten!

Was de Liefde u het meest’,

Zijt ge een zegen geweest,

Deze vreugd mag ònsterfelijk beeten!

 

Ze is een Hemelsch genot:

Ze is geboren uit God,

Die een God is van Eeuwig Erbarmen,

Die de kruisdragers kent,

Die zijn Engelen zendt

Tot de schamele kribbe der armen!

 

OP GLAD IJS

DOOR

W. P. WOLTERS.

 

Het waren ongemakkelijke hagjes, die twee jonge mannen, die eenige jaren geleden, op een vreeselijk konden wintermorgen aan het Leidsche Galgewater hunne schaatsen aanbonden. He een, nogal donker van uitzicht, een zoon uit een der edelste geslachten van ons land, was student in de rechten; de ander, wat blonder, Leidenaar van afkomst en geboorte, was een kunstschilder; hij had door zijne landschappen in de kunstenaarswereld reeds een goeden naam verworven en was ook met vele studenten bevriend; sommigen gaf hij les, en in vernuft en vroolijkheid deed hij voor weinigen onder.

Beiden waren stevig gebouwd. Zij zouden het anders ook wel gelaten hebben op dien dag naar de sluis te Katwijk en van daar terug naar de Sleutelstad te rijden. De wind woei namelijk zoo fel. en snijdend uit het oosten met een streekje van het noorden, dat de liefhebbers van schaatsenrijden uit het studentencorps, die gewoonlijk tusschen tien en elf uur des voormiddags op de „kroeg” bijeen kwamen tot het beramen van tochtjes en het vormen van partijtjes, eenparig hadden besloten binnen de muren te blijven. Naar Katwijk heen, dat kon misschien nog, hoewel de wind rug en lenden teisteren zou, maar de terugtocht zou eene inspanning van krachten vorderen, waar borst en longen niet aan mochten gewaagd worden.

De bedachtzaamheid der academische jeugd laat natuurlijk soms iets te wenschen over, maar de wind blies zoo kwaadaardig fel langs de Breestraat en het Rapenburg, langs de Botermarkt en den Nieuwen Rijn, dat zelfs de wakkerste liefhebbers van schaatsenrijden besloten, een uurtje te wachten of de wind ook een weinig bedaren wou.

Pruttelend stonden er eenigen voor één der societeitsramen, toen de kunstschilder voorbijkwam met de schaatsen onder den arm.

„Gaat ge rijden?” riep men hem toe.

„Zeker!” klonk zijn antwoord. „Wie gaat meê?”

Bij die vraag zag hij er één bijzonder aan en wenkte hem om buiten te komen. De student stond spoedig op de stoep.

„Rijdt ge niet?” vroeg de schilder. „Gaat ge niet meê naar Katwijk?”

„Het waait te hard,” zei de ander klagend.

„Och, vergeet den wind en kijk eens naar de zon,” hernam de schilder. „Er is bijna geen wolkje aan den hemel te zien. Ik ga stof opdoen voor het wintergezicht, dat uw oom mij besteld heeft; van de week heb ik de schets al gepakt; gij moet mij eens zeggen of ik goed gekozen heb.”

De student was de stoep van de „kroeg” reeds afgestapt; pratende en overleggende liepen zij voort, en toen zij hunne schaatsen aanbonden, vonden zij het ook wel aardig, dat zij een tocht ondernamen, voor welken de anderen terugdeinsden.

Er was ook op het Galgewater bijna niemand te zien. In de verte aan den stadskant, in de luwte van de kazerne, stond een bibberende baanveger; éér zijn overleg, of hij een aanval op de barmhartigheid der jongelui beproeven zou, ten einde was hadden zij reeds de schaatsen onder. De student reikte den schilder zijn haakstokje; beiden namen het stevig onder den rechterarm en voort gingen zij.

Het was nog het oude Galgewater, niet versperd dooide spoorwegbrug van de lijn Leiden-Woerden, en in onbelemmerde vaart konden de jongelui dus voortzwieren tot „de Vink.” Zij waren er vliegensvlug. Toen naar het Haagsche Schouw. De felle wind dreef, joeg, zweepte hen voort; indien zij niet zulke goede rijders geweest waren en elkander niet krachtig hadden gesteund, zij zouden telkens van de been zijn geraakt, en waren zij op een open wak geloopen, zij zouden onder het ijs weggeschoten en reddeloos verloren zijn geweest. Telkens moesten zij zich voorzichtig laten voortdrijven, en op de hoogte van Valkenburg gekomen, deden zij het nog eens weder opzettelijk.

„Zie eens,” zeide de schilder, zich van het genoemde dorp afkeerende, „zie eens, welk eene prachtige ijsvlakte bij deze kromming van den Rijn! Merkt ge wel op, hoe de rulle sneeuw en het vijlsel van onze schaatsen van het ijs naar den wal is weggewaaid! Hoe schitterend en hard, hoe naakt en koud het ijs zich onder dit scherpe zonlicht vertoont!”

„Ja!” merkte de student aan, „en het vergezicht over het land is ook bijzonder helder.”

„Niet waar? Er ligt niet veel sneeuw en van de hooger gelegen akkers is zij weggestoven! Welke grillige figuren! Is het ginds niet, alsof op den zwarten bouwgrond eene reusachtige veer ligt uitgespreid? Merk ook den toren van Rijnsburg op en het dak van de kerk, schoongeveegd van sneeuw, waar zij niet door het een of ander voor den wind beschermd werd.”

„’t Is evenzoo op den kap van die hooiberg, daar bij dat kleine boerenhuis, dichter bij ons,” zei de student.

„Ik heb er niets van op mijne schets vergeten!” riep de schilder.

„Dan maar weer vooruit,” hernam de student, en voort vlogen zij tot de eerste sluis. De schaatsen afgebonden, de duinen opgeklauterd, naar de Zwaan.

Zij vertoefden daar echter niet lang, want zij moesten naar Leiden terug. Het was een zware tocht, maar zij waren jong en vlug, krachtig en goed gespierd, sterk van borst en longen. Ongehinderd konden zij dus, hoewel de inspanning hun, ondanks de nijpende koude, de zweetdroppels langs nek en wangen deed rollen, dien tocht volbrengen en ook nog een derde helpen.

Zij ontdekten hem, toen zij weder ongeveer op de hoogte van Valkenburg gekomen waren en, door een steenbakkersoven beschut, een oogenblik stilstonden.

„Die vordert ook niet vlug met zijn slee,” merkte de schilder aan.

„De man komt er niet, als wij hem niet helpen,” zei de student.

Zij reden stilzwijgend weder voort en weldra hadden zij den man met de slede ingehaald. Hij stond stil; eigenlijk poogde hij stil te staan, want hij was ook op schaatsen, en hoewel hij de slede voor zich uit, tegen den wind in, trachtte vast te houden, dreef de snijdende wind hem en zijn slede zachtjes aan terug op zijn pad.

De jongelui kwamen hem op zij.

„Dat gaat niet vlug, oude heer!” zei de een.

„Ook naar Leiden?” vroeg de ander.

„Ik weet waarachtig niet hoe ik er kom.” De man veegde met de wanten de tranen, hem door den scherpenoostenwind uit de oogen geperst, af, maar keek daarna vriendelijk en glimlachend de jongelui aan.

„Toen ik zoo oud was als de heeren, zou het beter zijn gegaan,” zeide hij, „maar ik heb de zeven-en-zestig al achter den rug.”

„Gemakkelijk gaat het ons ook niet,” verzekerde de schilder, en door een feilen windstoot verrast, kwam hij plotseling op het ijs te zitten. Vlug sprong hij echter weer op.

„Houd u aan de slee vast!” vermaande de oude boer.

„Aan de slee vasthouden en stilstaan!” riep de student. „Gekheid, oude heer! gij gaat met ons op sleeptouw mede naar Leiden. Vooruit!”

Hij had reeds een stevig koord uit den achterzak van zijn jasje te voorschijn gebracht en het aan de slee vastgebonden. „Zie zoo! Nu wij met ons beiden vooruit! Gij achter aan de slee! Begrepen?”

„ Asjeblieft, heeren! ”

Voort gingen zij, niet vlug, maar toch onophoudelijk voort, weer het Haagsche Schouw voorbij, eenige minuten later de spoorwegbrug aan „de Vink” onderdoor. De jongelui zwaaiden naar het logement.

„Dan zal ik de heeren bedanken!” riep de oude man.

„Waarachtig niet, man! ge gaat meê!”

Hij moest wel, want zij gingen met zijn slee voort, tot zij den wal voor de koepelkamer bereikt hadden.

„Laat de slee hier maar staan,” vermaande de schilder, „wij behoeven onze schaatsen niet los te maken.”

De oude man stapte over de stroobossen, die van het ijs naar de deur der koepelkamer lagen gespreid, achter de jongelui aan, en toen zij binnengekomen waren, had hij „als het dan toch zoo wezen moest en hij volstrekt met de heeren een oogenblikje moest uitrusten,” geen bezwaar tegen een kom warme melk.

„Rookt gij ook?” vroeg de student, die een sigaar had opgestoken.

„Liefst dan twaalf blaadjes!” antwoordde de boerenman en haalde een half gestopt kort goudsch pijpje uit den borstzak van zijn duffelsch buis.

„En als ge nu wat bekomen zijt,” zei de student weer, „dan moet gij ons eens vertellen, wat gij toch vandaag op het ijs doet? Ge moet naar Leiden,, dat weten wij al; maar waar komt ge van daan ?”

Het boertje zette de kom met warme melk, waaraan hij juist begonnen was, neer, trok eens aan zijn pijpje en antwoordde vriendelijk:

„Ik woon eigenlijk te Katwijk-Binnen, heeren!”

„En wat hebt ge in Leiden te doen?”

„Een beetje negotie, heeren! Ik heb mijne vaste klantjes.”

„Gij hebt vroeger zeker best kunnen schaatsenrijden ?”

„Wat dat aangaat, tegen den beste; en mijne zuster kon het nog beter!”

„Woont die ook te Katwijk-Binnen?” vroeg de student.

„Dood, mijnheer! maar nu ik aan haar denk en mijnheer aanzie, nu denk ik ook weer aan eene oude geschiedenis.”

„Uit uw eigen leven?” vroeg de schilder plotseling. „Vertellen, man! Komaan! Begin maar!”

„Ik weet niet, of het aan de heeren wel bevallen zal, maar, ” de boer keek den student vriendelijk en tegelijk uitvorschend aan. „Heet mijnheer misschien de Ruiter?”

„Neen”, was het antwoord; „ik heet van Galen!”

„Nu, dan kan ik het wel vertellen,” zei de boer, die de blikken van verstandhouding, welke de jongelui wisselden, niet opmerkte; „niet dat er anders kwaad in steekt, maar ik heb eens met mijne zuster en met een Leidsch student door het ijs in het water gelegen, en eenigen tijd daarna heb ik dienzelfden jongen mijnheer knapjes afgeranseld.”

„Drink eerst die melk op,” zei de schilder, „en dan het verhaal!”

Het boertje gehoorzaamde gaarne en begreep vervolgens, daar zijne pijp ook was uitgegaan, dat hij het wel eens met een sigaar beproeven kon. De student bestelde „boerenjongens” (rozijnen met brandewijn) en vroeg toen: „Waart gij zoo’n vechterbaas, of wat was er voorgevallen?”

„Hebben de heeren,” vroeg de niets kwaads vermoedende boer, „op de hoogte van Valkenburg, maar aan den overkant, dicht bij Rijnsburg, ook een klein boerenhuis opgemerkt met eene hooge kapberg?”

„Ja!” was het antwoord; „waarom?”

„Daar woonden wij in dien tijd; mijn vader, die weduwnaar was, mijne zuster en ik. ’t Was midden in den winter; weer, bijna zooals nu, maar niet zoo’n felle oostenwind; wel oostenwind, maar stadigjes aan, zoodat er dagelijks kon gespuid worden. De heeren weten, wat dat beteekent?”

„Dan wordt het ijs door het wegloopen van het water hol en slecht,” zei de student.

„Juist, mijnheer! Op een middag, wij hadden gegeten, ’t was twaalf uur, half één; mijn vader deed een dutje; mijne zuster wou een uurtje schaatsenrijden. Zij moest en zij zou het leeren. Kwalijk nemen kon ik het haar niet, want zij was al zoowat aan ’t vrijen met denzelfden, met wien zij later ook getrouwd is; hij was de beste rijder uit de buurt en als hij soms met een andere meid, die beter dan mijne zuster reed, eens oplei, dan brandde haar dat het hart af. Maar dien middag — „Jans,” zei ik, „ga niet op schaatsen. Ik blijf ook thuis, ’t Is gevaarlijk ijs! Zij spuien alle dagen te Katwijk.” — Maar jawel! Zij ging dwars de akkers over en bond hare schaatsen aan. Ik vertrouwde het spul niet en daarom, een kwartiertje later stond ik ook op den wal. „Mooie slagen, Jans!” zei ik, want zij begon werkelijk al beter te rijden! Maar daar komt op eens een troep studenten uit Leiden aan. Ik hoorde: rik, rik! rik, rik! en geen minuut later: krak, krak! Het holle ijs boog en kraakte en barstte. De studenten vlogen naaiden Valkenburgschen wal en klauterden aan land, op één na, die het dichtst bij mijne zuster was. Met hun beiden bleven zij nog even op ééne schots staan, maar ook die brak en zij zakten in het water. De student, want hij was een flinke kerel, steunde, zooveel hij kon, met zijn linkerarm op een schots; hij haalde een touw uit zijn zak, greep het eene einde tusschen zijne tanden en wierp mij het andere toe. „Help!” riep hij, „help!” Ik stond al tot mijne knieën in het water, maar ik moest verder. Mijne zuster raakte onder het ijs, maar de student vloog als een hond door het water en de schotsen heen. Ik ook tot mijn hals toe er in en wij grepen haar, en hoe wij het klaar kregen, weet ik eigenlijk niet, maar wij kwamen met ons drieën aan wal, en toen liepen we, mijne zuster in het midden, naar ons huis! Mijn vader keek eerst wat knorrig, maar dat liep nog al goed af; wij moesten droge kleeren aantrekken en ons verwarmen, en toen kwamen die andere studenten, die alles van den overkant gezien hadden, met een rijtuig van het Haagsche Schouw en namen hun kameraad meê en alles was ten beste beschikt!”

„En daarom hebt gij dien student later afgeranseld?” vroeg de schilder glimlachend.

„Waarom? dat zullen de heeren nu hooren. Den volgenden dag, daar kwam de student weer aan. Hoe het met mijne zuster, met Jans ging? Nu, wij hadden haar vieren-twintig uur in bed gehouden en heete zure wei laten drinken, zooveel zij bergen kon. Dus, de heeren begrijpen, de koude was er uitgedampt. Hij bleef wat zitten praten en daar hadden wij ook nog geen erg in. Maar de volgende week, daar kwam hij alweer aan en dat ging zoo om den dag of vier, vijf, telkens weer kwam de baron; want het was een baron, moeten de heeren weten. Dat was dan, zoolang mijn vader en ik er bij waren, vertellen allerlei grapjes uit Leiden en den Haag; maar als het een beetje mooi weer was en hij kon met Jans de werf eens op en neer kuieren of bij haar staan, terwijl zij vaten waschte, dan sprak hij zachtjes; dan hoorden mijn vader en ik er niets van, al liepen wij ook af en toe; maar wij zagen wel waar dat heen wilde. Toen het voorjaar was geworden en hij eens met Jans bijzonder lang had loopen keuvelen, zei mijn vader tot mijne zuster: „Ik geloof niet dat die jonker De Ruiter buiten komt om kievitseieren te zoeken; Jans, meid, pas op, hoor!” Nu, mijne zuster hield zielsveel van Dries, haar vrijer, maar zij had er, geloof ik, wel aardigheid aan, dat een baron telkens naar buiten kwam om met haar een praatje te verleenen, en dan, hij had haar ook uit het ijs gered. Maar zij zei tot mijn vader: „Wees gerust; als het noodig wordt, zal ik Dirk waarschuwen.”

„Dirk, dat zijt gij zeker?” vroeg de student scherp.

„Goed geraden, mijnheer,” antwoordde het boertje, altijd nog zonder erg. „Dries en ik, wij hadden natuurlijk al lang de gal tegen den baron, maar wij moesten met Jans voorzichtig zijn, want, zoo jong als zij was, zij was de vrouw in huis en zij had haar eigen zin. Eindelijk was de baron er weer eens geweest en had lang en breed met haar geredeneerd; toen riep zij mij. „Dat’s voor ’t laatst geweest,” zei zij. „Hij niet meer op de werf of in huis.” Best, dacht ik, en ik vertelde het aan Dries, die in de wolken was. Ik paste op, en jawel! een dag of wat later — mijn vader en mijne zuster waren juist van huis — daar kwam hij weer aan, netjes te paard. Ik liep naar het hek en trok het dicht. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en wou binnenkomen, maar ik zei: „dat hoeft niet, de jonker heeft hier niets meer te maken!” Als hij toen weg was gegaan, zou er niets gebeurd zijn, maar ik zag wel, dat hij op zijn manier erg ontroerd werd. „Laat mij door,” zei hij; „ik wil en ik zal je zuster spreken.” Toen werd ik boos. „Denk je, dat jij een boerenmeisje verleiden moogt,” zei ik, „omdat ge haar uit het ijs hebt gered. Blijf bij je sloeries in de stad!” Wat werd hij kwaad! „Vlegel!” en ik had een striem met de karwats beet. Als een weerlicht ik het hek over en toen ging het er op los! Hij was ook niet zwak; eerst lag ik onder, maar tegen mijne boerenkneukels was hij toch niet bestand. Ik roste hem dapper af, en toen hij zijn bekomst had en zonder iets meer te zeggen zijn paard losmaakte en er meê voortstapte, riep ik hem nog na: „hier niet meer, of nog eens zoo’n pak!” En dat’s nu mijn historie.”

Lustig had het boertje zitten te vertellen, maar hij verschrikte niet weinig, toen de student, trillend van gramschap, opstond en met eene donderende stem hem toesprak. „En dat is dan gebeurd, zegt gij, met baron Jan Frederik de Ruiter ?”

„Ik heb den naam genoemd,” zei de boer onthutst; „dat’s waar ook, dat’s dom.”

„Woudt gij ons zulk een historie vertellen van mijn oom, van den besten edelman, van den trots onzer familie?” De student stampvoette en de schilder scheen niet veel minder verontwaardigd.

„En ik heb nog naar uw naam gevraagd,” hernam de boer beschroomd, „en u zei: Van Galen.”

„Mijn moeder was eene De Ruiter en mijn oom…”

„Dat ik u in de rede val,” — de boer schoot zijn stoel wat achteruit, —„dan heb ik toch geen ongelijk gehad met eenige gelijkenis op te merken.”

„Geene praatjes!” riep de student. „Gij hebt gezegd, dat mijn oom uwe zuster heeft willen verleiden, en dat gij hem daarvoor hebt afgeranseld! Gij liegt!”

Hij greep den boer in zijn kraag. „Erken, ellendige ploert, dat gij liegt! Gij kunt het niet waar maken!”

Zij zaten met hun drieën in de koepelkamer, zoodat heer noch burger den man te hulp kwam, maar de schilder trachtte toch zijn vriend eenigszins tot bedaren te brengen. Het was echter nauwelijks noodig, want de student liet zich verbaasd op zijn stoel nedervallen, toen het boertje zei: „Laat mij maar los! Ik zal alles waar en goed maken.

„Vertel dan gauw!” beval Van Galen.

„Dat ik den baron een pak slaag heb gegeven, dat’s waar en dat kan ik niet ongedaan maken, maar hij had ook eerst geslagen,” zei de boer; „dat wij van zijne handelwijze jegens mijne zuster slechte gedachten hadden, het was niet anders, maar dat wij ons daarin hebben vergist, dat is ook waar.”

„Hoe weet je dat? Jij zoekt uitvluchten. Lieg niet!” riep de student.

„Uitvluchten ?” — en het boertje, van den schrik bekomen, glimlachte bemoedigend — „neen! maar de heeren zullen nog heel anders staan te kijken, als ik verder vertel. Mijn vader stierf, niet lang nadat de baron het laatst bij ons geweest was; wij verhuisden naar Katwijk; Jans trouwde met Dries; zij leefden recht gelukkig, zij hadden één kind, een meisje. Toen kwam de cholera en nam Dries weg. Ik was niet getrouwd, ik had mijn portuur niet kunnen vinden; ik trok dus bij mijne zuster in. Dat heeft geduurd tot nu een jaar geleden ongeveer en toen is ook Jans gestorven, en daar zat ik toen met haar dochter, een beste meid, ook al aan het vrijen; maar het is bij ons altijd met kerstmis geweest, mal uit, mal thuis, en ik begin een dagje ouder te worden. Maar wat gebeurt? Om den baron dachten wij nooit; wij wisten niet of hij dood of levend was al die jaren; het kon ons ook niet schelen. Maar in het najaar, op een middag, terwijl Griet, de dochter van mijn zuster, de buurt was opgeloopen, daar wordt de deur opengeduwd en ik hoor roepen: „Woont Dirk van Tienen hier?” — „Ja!” zeg ik, en daar staat een heer voor me en kijkt mij strak aan.— „Ook oud geworden,” zegt hij, „maar toch best te herkennen. Kent ge mij nog?”— „Neen,” zeg ik, maar ik geef hem een stoel. „Mijn haar is wit,” zegt hij, „en mijn knevel ook, maar kijk mij eens in de oogen.” — En daar zie ik die oogen, ’t wee bruine bliksems weer, juist als die van mijnheer,” —de boer knikt den student toe — „en ik zeg: baron De Ruiter!”

„Kwam oom te Katwijk ?” vroeg de student.

De schilder wenkte zijn vriend om stil toe te luisteren, en de boer ging voort:

„Jans is dood?” vraagt hij. „Ja,” zeg ik. „En zij is gelukkig getrouwd geweest?” vraagt hij weer. Nu had het mij eerst volstrekt niet opgevroolijkt dat ik hem weer zag; wij waren beiden zoo oud geworden. Dus ik zeg: „Zeker, zij had in den baron geen zin, maar met Dries is het tot zijn dood toe best gegaan.” Ik had terstond spijt van die woorden, want hij keek eenige oogenblikken zoo ernstig door het venster naar de lucht, dat ik er meê te doen kreeg. „Kom,” zeg ik, „de baron heeft haar toch niet ongelukkig gemaakt.” — „Wou ik haar dan ongelukkig maken? Ik zwijg, want ik denk: nu, oude heer! dat weet ge ook wel! Maar wat zegt hij? „Gijlieden zijt dwaas geweest, maar in uwe dwaasheid toch nog verstandiger dan ik.” — „Zoo,” zeg ik, „dat begrijp ik niet…” — „Het behoeft ook niet, zegt hij; „dat van de duizend kansen negen honderd negenennegentig tegen ons zouden geweest zijn, en dat, als ik een boerenmeisje tot vrouw had genomen, wij waarschijnlijk toch op den duur elkander niet gelukkig zonden gemaakt hebben, dat kunt gij waarschijnlijk moeielijk begrijpen; als gij maar gelooft dat ik het eerlijk met uw zuster meende.”

„Ik geloofde hem eerst niet, maar toen hij mij vertelde, dat hij nooit gehuwd was, omdat hij Jans niet had kunnen vergeten, en dat hij heel Europa door, tot in de Oost toe geweest was, nooit Katwijk of Rijnsburg weer bezocht had, telkens zijn vaderland was ontweken, om Dries en Jans maar uit den weg te blijven, toen moest ik hem wel gelooven. En nadat wij nog een kwartiertje gepraat hadden, begon ik hem zoo goed te begrijpen, dat ik hem vergiffenis vroeg voor het pak slaag. Maar hij zei, dat had hem goed gedaan! en toen kwam Griet binnen. Zij moest vertellen van haar ouders en van haar zelf, alles maar, en de baron wist verwonderlijk gauw, dat zij een vrijer had en dat het bij ons niet te breed was om te kunnen trouwen, en toen kwam het mooiste. Hij kreeg toch een boerderij onder Wassenaar leeg, en hij kwam vragen of Griet en haar vrijer, als jonggetrouwden, haar voor een matigen prijs van hem huren wilden, en dat alles ter wille van haar moeder, voor wie hij niets geweest was, zei hij, en dat was waar ook, maar die hij steeds had liefgehad, en ik geloof hem nu waarachtig.”

Ijsvermaak op de Maas en de Kralingsche Plas te Rotterdam, December 1879.

Naar de natuur geschetst en op hout geteekend door P. A. SCHIPPERUS.

„Dat zijn dus de jongelui, die op Duinzicht komen!” zeide de student, die natuurlijk volkomen was tevreden gesteld en den boer vriendelijk op den schouder klopte. „Kerel, hadt ge dat terstond gezegd, ik zou niet zoo boos zijn geworden.”

„Dat maakt niet uit, mijnheer!” antwoordde de boer, „maar de heeren kunnen nu begrijpen hoe ik zoo gemakkelijk over die zaak aan het praten raakte. Ik heb in mijn slee wat eigen negotie. Daarmêe ga ik eens in de week naar de stad, want ik blijf bij de jongelui in wonen en ik wou op de bruiloft niet graag met leege handen staan.”

„Hoor eens,” noodigde de schilder, „op den gelukkigen afloop van ai deze dingen nog één glaasje boerenjongens?”

„Ik zal de heeren bedanken,” verzekerde het boertje; „ik moest al lang in Leiden zijn; anders haal ik den vrachtwagen, waarmee ik terug moet, niet meer.”

Vroolijk ging thans het drietal weer op weg; het was nog een zware ruk, maar zij kwamen er. Bij de Beestenmarkt nam de boer afscheid, maar de heeren moesten beloven, dat zij spoedig eens op Duinzicht zouden aankomen.

Op de „kroeg” werden de verdiensten van den tocht naar Katwijk wel een weinig verminderd, omdat die tocht geenszins vlug was volbracht, maar Van Galen en de schilder, die er ’s avonds aan de biertafel ook nog het noodige over hooren moest, namen al de plagerijen vroolijk op.

Eer de maand Mei ten einde was, had de kunstenaar zijn wintergezicht voltooid en afgeleverd. Van Galen had het zien bewerken en er niet aan getwijfeld, of het zou worden goedgekeurd.

Hij vond er bovendien iets aandoenlijks in, toen hij het eindelijk op de kamer van zijn oom boven de schrijftafel zag hangen.

„Ei,” vroeg hij, „heeft dat stuk zulk een eereplaats gekregen, oom?”

„Waarom niet?” vroeg de baron; „is het niet heel mooi geschilderd ?”

Oom en neef gingen vertrouwelijk samen om; de afstand van jaren en verdiensten werd niet vergeten, maar neef mocht toch de schalksche opmerking wagen: „’t Is als- of aan die plek eene gedachtenis verbonden is.”

Hij had daarmede echter aan den ouden diplomaat zijne kennis verraden.

„Vertel, wat gij weet!” klonk het hoog. Maar weldra waren zij in een vertrouwelijk onderhoud verdiept, vriendschappelijker dan ooit jegens elkaar gestemd. Neef vertelde zijne ontmoeting met Dirk van Tienen, en oom had slechts nu en dan iets aan te vullen of het verhaal van den boer te bevestigen.

Een paar weken later reden, met prachtig zomerweder, een drietal ruiters het Haagsche Bosch uit, den Leidschen straatweg op: Baron De Ruiter in het midden, rechts van hem zijn neef, zijn toekomstige erfgenaam, dien hij als een vader liefhad, links de jeugdige schilder, van wien hij veel verwachtte en die zijn gast was. Zij reden stapvoets en in hunne gesprekken, in den toon welken zij, in scherts of ernst sprekende, aansloegen, kwam de genegenheid van den ouden vriend voor de jongelui, en de hoogachting van de jongelui voor den ouden vriend telkens uit. Bij eene kromming van den weg — de toren van Wassenaar rees tusschen de boomen op, en zij waren in de nabijheid van Duinzicht — zweeg de oude heer eenige minuten, en toen scheen hij ook door eene snellere beweging aan zijne gemoedsaandoening lucht te moeten geven. „In galop!” riep hij en gaf zijn paard de sporen.

O, het deed hem zoo goed! „De jongens”, zoo als hij die jonge mannen, die naast hem voortgaloppeerden, gaarne noemde, de jongens hadden het merkwaardigste voorval uit zijne jeugd, zij hadden het geheim van zijn leven ontdekt. Goddank! Goddank! Hij had zich niet voor hen te schamen!

 

DE NARRESLEDEN

DOOR

D. VAN DER KELLEN Jr.

 

Wij zijn midden in het jaargetijde, waarin gewoonlijk onze stroomen met een ijskorst, onze wegen en straten met een sneeuwlaag bedekt zijn; ten minste zoo behoort het te zijn, zal de winter op den naam van een ouderwetschen winter aanspraak kunnen maken. De schaatsen en sleden van allerlei aard, van groot en klein, van arm en rijk, zijn voor den dag gehaald en wachten slechts naar het geschikte oogenblik om in dienst gesteld te worden.

Over de schaatsen en de kunststukken door de liefhebbers op schaatsen uitgevoerd, is reeds zóóveel geschreven en gedrukt, dat wij niet in herhalingen zullen treden, evenmin als over de verschillende sleden, die door menschen geduwd of getrokken worden, of die vrachtkar of schuit moeten vervangen, maar ons bepalen tot de aristokraten in het rijk der sleden, de narresleden.

Wanneer zij eigenlijk in gebruik zijn gekomen, verklaren wij niet met juistheid te weten. Wij hebben vruchteloos getracht er in de middeleeuwen eenig spoor van te vinden, ofschoon het toch wel waarschijnlijk is, dat men ze, zij het dan ook in meer bescheiden vorm dan in lateren tijd, reeds voor eeuwen gekend zal hebben. Immers wat is natuurlijker en eenvoudiger, dan dat men een kar van hare wielen ontdeed en ze op houten, later op ijzeren schaatsen plaatste en er een paard voor spande.

Pracht- en pleizierrijtuigen had men in de middeleeuwen nog niet veel; dus ook de eerste narresleden zullen meer tot nut dan tot vermaak geweest zijn. Toch is het wel waarschijnlijk, dat bij het Bourgondische hof, dat in het laatst der 15e eeuw zooveel weelde tentoonspreidde, zoovele grootsche feesten hield, de versierde narreslede ook wel bekend zal zijn geweest.

Sommige schrijvers willen, dat we de narresleden te danken hebben aan de narren en hunne optochten bij de vastenavond- en andere feesten, waarbij de gemaskerde narren dikwijls op groote sleden hunne grillen vertoonden.

Meer juist dunkt het ons, dal de narreslede haar naam te danken heeft aan de bellen en klokjes, die zij met de narren van vroeger gemeen heeft, en die zij draagt met dezelfde bedoeling als de narren, die door hun gebel de opmerkzaamheid op hun persoon en op de aardigheden dooi hen vertoond, zochten te trekken, evenals de narreslede dit zoekt te doen tot waarschuwing van den voetganger, die zonder dat, ten gevolge van de sneeuw, hare nadering niet zou bemerken.

De eerste narresleden, ons voorgekomen, vindt men op de bekende sledevaart, in hout gesneden door Hans Sebald Beham, een van de belangrijkste werken van dezen grooten kunstenaar, die in de eerste helft der 16e eeuw leefde.

In de voorste narreslede zit een nar, die behalve de zweep ook een arlekijnsplak in de handen heeft, zeker om door zijne tegenwoordigheid den aard van het sledevermaak, volgens de denkbeelden van dien tijd, te karakteriseeren. Achter op het bankje zit een burgerman, die de teugels voert, geheel zooals dit thans nog geschiedt.

In de volgende zitten twee personen, een heer en een dame: de laatste met pelshoed en mantel rijdt achteruit.

In de derde zitten een tamboer en pijper; muziek ontbrak er dus ook niet aan.

In de drie verdere sleden hebben drie dames plaats genomen, waarvan de tweede een aapje bij zich heeft, een der speeltuigen van de dames van dien tijd.

De sleden zelf zijn vrij eenvoudig, niet veel meer dan vierkante bakken, waaraan van voren een hooge versierde leuning is aangebracht.

De paarden zijn met dekken behangen, de stellen met bellen voorzien. Ze dragen gareelen, die van boven met groote wijdgetakte hertengeweien zijn versierd, en loopen tusschen boomen.

Narreslede uit het Museum de Cluny, te Parijs.

Uit weinig lateren tijd vindt men op een hollandsche prent een narreslede, waarin een dame gezeten is. Hier rust de bak op pooten en heeft van achter een hoogen versierden rug; de voorzijde, iets lager dan die rug, doch hooger dan de bak, vertoont het wapen van den eigenaar in gebeeldhouwde omlijsting, met een houten zwaan op den top. De zijden zijn met beeldwerk versierd.

Het paard is hier aangespannen eenvoudig zonder boomen of gareel; het draagt een fraai dek, evenals het tuig met bellen voorzien. De heer, die ment, heeft een soort van langen tabbert aan met lussen over de borst.

Een schat van modellen van narresleden wordt gevonden in een boek, dat in 1609 en 1610 gedrukt is, en dat den titel voert van „Della Cavalleria, Gründtlicher Bericht von allem, was zu der Reutterie gehörig und einem Cavallier davon zu wissen gehurt.”

In het laatste gedeelte van dat werk ontmoet men een zestigtal afbeeldingen van narresleden, deels door den schrijver zelf ontworpen, deels door hem gezien in de stallen van den keizer en andere vorstelijke personen.

Aan de sleden zijn de meest fantastische vormen gegeven. Hier is het een draak, wiens geopende rug een zitplaats voor een persoon aanbiedt, terwijl de koetsier een plaats op zijn staart vindt. Een ander heeft den vorm van een schip met mast en zeilen; een derde, nog dolzinniger, stelt een oranjeboom voor, in een kuip of tobbe staande, waarin ook de dame plaats kan nemen.

Ook de mythologie speelt daarbij geen geringe rol. Zoo bijvoorbeeld bestaat eene slede uit rotsblokken, op wier top Orpheus zijn lier bespelend, met de getemde dieren aan zijne voeten. Een ander vertoont eene nabootsing van de golven van een stroomend water, waarin twee gekroonde zwanen, in wier staarten de zitbank is aangebracht, zwemmen, terwijl een beeld van de fortuin tusschen de halzen der zwanen op een bol zweeft. Gewoonlijk is het hoofdmotief van de versiering der slede, zooals bijvoorbeeld hielde zwaan, ook op het gareel der paarden, op kleiner schaal, herhaald.

Het bijgaand houtsneedje geeft ons een denkbeeld van de pracht en weelde dier sleden. Het origineel, waarnaar dit geteekend is, berust in het museum de Cluny te Parijs. Deze draak is geheel en al verguld, behalve de tong, die scharlakenrood gekleurd is en de oogen, die uit rood kristal gevormd zijn. De sleden en de pooten zijn rood en verguld. De kuip van binnen en het zitbankje van achteren zijn met blauw satijn met geborduurde ruiten bekleed. Om den hals draagt het monster een blauw glazen bol aan een dito lint. Moeielijk valt het te beslissen, of hier sprake is van fransch dan wel van ander fabrikaat.

Dat die sleden ook in Frankrijk vervaardigd werden, ten minste in de volgende eeuw, blijkt, als we het niet ook reeds wisten, uit een vers van Leonard, getiteld: l’Hiver, waarin de schoone Eliante in haar slede stijgt, die het werk is van Morel naar een teekening van Bouchardon, en een door dolfijnen gedragen schelp voorstelt.

Hetzelfde motief, schelp en dolfijn, vinden we reeds vroeger gebruikt op een prent van Jan van de Velde, omstreeks 1650. Veelvuldig zijn de hollandsche schilderijen en prenten, met welker beschouwing de narresledeliefhebber zich kan verlustigen. Van zwanen, meerminnen enz. vindt men onder anderen exemplaren bij Rom. de Hooghe in ’t laatst der 17e eeuw.

Uit het hiervolgend uittreksel uit een brief van Mr. de Collières, ambassadeur van Frankrijk voor de vredesonderhandelingen te Rijswijk, aan de markiezin van Hucelles op 20 December 1696 uit Delft geschreven, zou men opmaken, dat de narresleden destijds in Frankrijk nog weinig bekend waren en tevens dat de weelde en de pracht, die men hieraan de narresleden besteedde, zóó groot waren, dat zelfs een Franschman zich er over verwonderde. Hij schrijft:

„Ik was gisteren in den Haag, waar ik met de zwierigheid en de hoffelijkheid van den Hollander in dit jaargetijde kennis maakte. Men rijdt daar over de zee op de zee in kleine onverdekte en vergulde sleden, waarvan de een de gedaante van een grooten vogel heeft, de andere op een klein schip gelijkt. Men vindt er van allerlei vorm. Die kleine sleden worden door één paard getrokken, dat geheel behangen is met strikken van linten en banden van verschillende kleuren en dat bellen draagt. Het wordt bestuurd met gouden en zijden leidsels door een heer, die achterop de slede staat. De dame, die er in zit, is geheel in ’t bont gekleed met een fluweelen muts op; sommige onder haar dragen pluimen, evenals bij ons de tooneelspeelsters. Twee ruiters rijden vooruit aan weerszijden van het paard, dat de dame als in triomf de stad rondvoert. Men brengt er zelfs bij toortslicht den nacht in door.”

Daar de narresleden niet alledag dienst deden en zelfs, als de winter goedaardig was, in een geheel jaar haar bewaarplaats niet verlieten, versleten ze weinig en bleven bij de voorname familiën in gebruik bij vader, zoon en kleinzoon. Daardoor behoefden er in de vorige eeuw bijna geen nieuwen bijgemaakt te worden en hebben wij er in onze jeugd nog wel gezien, die meer dan 100 jaar oud waren. Wat er nieuw gemaakt werd, was wel eenigszins gewijzigd en eenvoudiger, doch toch behield de narreslede haar oude type.

De lust om van deze winteruitspanning gebruik te maken, schijnt in de laatste tijden veel verminderd; wij herinneren ons ten minste niet in de laatste jaren zulke lange schakels van narresleden gezien te hebben als in onze jeugd, toen wij ons zoo vermaakten met zulk een kleurigen sierlijken stoet, die steeds grooter en grooter werd door de aansluiting van alle sleden, die de stoet op zijn weg ontmoette. Hoe schoon, vooral wanneer dat vermaak bij fakkellicht kon genoten worden!

En hoe prettig, wanneer de studenten, in een in der haast vervaardigde groote slede, soms met hun vijf-en-twintigen gekostumeerd in één slee, voorafgegaan door een corps muzikanten, hun tocht door de stad maakten en allerlei grappen vertoonden, die ons geheel aan de narrefeesten herininnerden. In lang zagen wij het niet.

Van narresleden en andere soorten van sleden zijn alle noordsche volken uit den aard der zaak steeds groote liefhebbers geweest, vooral de Bussen, die een groot deel van hun leven in hunne sleden slijten. Hoewel het niet rechtstreeks behoort bij een geschiedenis van de narresleden. meenen wij, om het vreemde en bespottelijke, de beschrijving te moeten laten volgen van een sledevaart door czaar Peter den Groote in Maart 1722 gehouden, en door hem zelven gearrangeerd.

Narreslede, volgens overlevering voor Prins Maurits vervaardigd.

Zestig sleden stelden te zamen een vloot voor, van het grootste keizerlijk fregat tot de kleinste sloep toe, en wel in de volgende orde:

1°. De slede van Bacchus, geleid door den in een berenhuid gekleeden hofnar Witaschi en getrokken door zes beren.

2°. Een slede met muzikanten, door zes zwijnen getrokken.

4°. De zoogenaamde patriarchen van den Knees-paus in kardinaalskleederen, op zes sleden, met honden er voorgespannen.

3°. Een Circassier, van tien honden getrokken.

5°. De groote slede van den Knees-paus, die in groot ornaat op zijn troon zat, met zijne uitverkorenen om zich heen.

6°. De Knees-czaar, als vertegenwoordiger van het russische rijk, met de kroon op het hoofd en van twee beren getrokken.

7°. Neptunus met zijn drietand, op een naar een schelp gelijkenden wagen, van twee zeegoden begeleid.

8°. Het fregat des keizers, waarop twee verhevenheden van 30 voet en met 32 kanonnen bewapend, waarvan 8 van metaal, de overige van hout — verder uitgerust met 3 masten, vlaggen, zeilen en touwwerk zoo als ’t behoorde. Dit gevaarte werd door 16 paarden getrokken. Op dit schip bevond zich de keizer, als een zeekadet gekleed.

9°. Een soort van schip, ongeveer 100 voet lang, dat 24 kleine sleden achter zich sleepte, die met allerlei soort van volk beladen waren.

10°. Een groot verguld schip, versierd met spiegelglas, waarin zich de keizerin bevond, gekleed als een friesche boerin.

11°. Een bark, waarin vorst Mentschikoff, als abt gekleed, met zijn gevolg.

12°. Een dergelijke, waarin de vorstin Mentschikoff met gevolg, in spaansche kleeding.

13°. Een bewapend fregat, waarop de als burgemeester gekleede admiraal Aprakin.

14°. Een schip, waarop de hertog Van Holstein met 20 personen, allen als holsteinsche boeren gekleed.

15°. Een sloep van den minister van buitenlandsche zaken, als priester gekleed en van zijn bediende te paard vergezeld.

16°. Een schip met den vorst van Moldavië, Casimir, in Turksche kleeding, zittende onder een baldakijn.

Verder volgt een menigte grootere en kleinere sloepen en andere schuiten.

Het bovenstaande plaatje is genomen naar eene narreslede, ingezonden op de Delftsche tentoonstelling van oudheden in 1863 door den eigenaar, den heer J. C. Dolk, uit Rotterdam.

Volgens overlevering zou deze slede voor prins Maurits vervaardigd zijn. Dit is echter, zoo als de meeste overleveringen, eene onwaarheid, daar de slede stellig niet ouder kan zijn dan uit de laatste jaren van de 17de eeuw. Ze is, evenals het beeld van Diana en de jachthond, geheel en al verguld, terwijl het er bij behoorend paardentuig rijk geborduurd is met zijden en fluweelen bloemen, met zilverleder omzoomd. De bellen en verdere vercieringen zijn van massief zilver.

 

AAN NEDERLAND.

 

Worstelende met de waat’ren

Hebt ge, in heldenmoed en. kracht,

Zee en stroom in band geslagen,

En getemd door de overmacht

Van den geest, die de elementen

Tot gehoorzaam dienen bracht.

 

Uit de diepten opgerezen

Brak de stroom uw banden door,

Baande door uw dijken henen

Zijn geweld ’t geweldig spoor:

In de losgebroken waat’ren

Ging uw kracht, mijn land! te loor.

 

Als bij ’t woeden der verdelging

’t Kloeke leeuwenharte beeft,

Daar ’t zijn kracht ziet omgeworpen, —

Nederland, uw liefde leeft,

Die langs hooggestegen waat’ren

Levenbrengend henenzweeft.

 

Loeit dan in de zwarte golven

Ook de nederlaag der kracht,

Boven ’t buld’ren, boven ’t bruisen

Ruischt een hymne teêr en zacht:

Nederland, gij hebt verwonnen,

Liefde blijft de hoogste macht!

Dr. SCHAEPMAN.

 

De nestor der schaatsenrijders uit het Noorden van Nederland.

 

De nestor der schaatsenrijders uit het noorden van Nederland, Menno Alberts Buiskool, werd den 1sten Februari 1787 te Beerta geboren. De breede watervlakten, die zich in die dagen, toen de afvoer van het water in deze streken nog zooveel te wenschen overliet, tusschen Finsterwolde en Beerta uitstrekten, verschaften aan den flinken knaap en jongeling de schoonste gelegenheid om zich bij het invallen van het barre jaargetijde in de edele kunst van het schaatsenrijden te oefenen. Hoewel hij op de baan zijn man zeer goed durfde staan en meermalen onder vrienden de schaats heeft opgehangen, om den vriendschappelijken wedstrijd onder een glas heet bier voort te zetten, heeft hij zich toch meer op het schoon-, dan wel op het hardrijden toegelegd.

Nog steeds is in den wakkeren grijsaard de geestdrift voor het schaatsenrijden onverflauwd, en slechts de voorzichtigheid en de gehoorzaamheid aan den raad van goede vrienden houdt hem van verre tochten terug. Om dezelfde reden heeft hij ook het jachtvermaak, waarvan hij van 1805—1855 een hartstochtelijk liefhebber was, vaarwel gezegd, ofschoon hij nog pas vijf jaren geleden, zijn zoon op de jacht vergezellende, over een breede sloot sprong.

In den mannelijken leeftijd was de heer Buiskool landgebruiker en bierbrouwer. Thans leeft hij van zijne overgespaarde penningen in den kring van kinderen, klein- en achterkleinkinderen, welke laatste ook reeds toonen niet van hunnen stamvader te ontaarden!

De heer Buiskool is in het gebruik van spijs en drank hoogst matig en eenvoudig. Tabak gebruikt hij nimmer. In zijne jeugd leerde hij ten tijde van de fransche overheersching de vreemde taal, die hij nog immer vloeiend en met voorliefde spreekt. In muziekuitvoeringen vindt hij een groot genot. Zijn sterke lichaamsbouw laat hem toe, bij alle weer en wind te wandelen, en zijn onverzwakte zintuigen bewaren voor hem een gezellige plaats in alle kringen.

Moge de heer Buiskool nog gedurende menigen winter voor het nederlandsche volk een toonbeeld zijn van jeugdigen ouderdom, moed en lichaamskracht!

 

TWINTIG GRADEN ONDER NUL

DOOR

Jo. DE VRIES.

 

Wij hebben als echte Hollanders gebaad in den regen, maanden lang, wij hebben gewaad door de plassen, gebaggerd door de modder. Wij hebben dag aan dag de goten hooren loopen, vochtige laarzen gedragen, de boomen druipend en de straten blank gezien bij de groote schoonmaak van boven. Toen is de bron van al die weldadigheid, de vale kille wolk, door de koude lucht als van den hemel gejaagd en in eigen persoon nedergedaald, en hebben wij geloopen in mist en nevel, met een roode zon er in en een wonderbaren glans rondom gaslantaarns en verlichte winkelruiten. Vervolgens is, bij deze gedurige vocht- en dampverhuizing, een nieuwe macht op het tooneel verschenen, de Noord-Ooster. Hij heeft den mist weggejaagd over zee en alle vochten en dampen, die overbleven, als sneeuw uit zijn mantel geschud. Zie, op de daken, op de straten, in de vensterbanken — alles sneeuw; op de velden, op de takken, in de kruinen der boomen: — sneeuw; op de vloermat, bij alle kieren en reten: — sneeuw. Dan vaart de Noord-Ooster rustig door zijn wingewest. Hij slaat de luchtdeeltjes, die angstig samenkruipen… ’t vriest! Hij slaat de waterdeeltjes, die van schrik verstijven en bijeenkrimpen op de ramen tot regelmatige figuren en zich groepeeren tot bloemen en kelken, of wit gepluimd riet, of tintelende sneeuwvelden of sterrenhemels of fijngeteekende mastbosschen en sparren. Straks slaat de vorst het water in de slooten en vaarten, wier oppervlakte krimpt tot een vlies, straks tot een kristallijnen vloer. En de gracht, en de plas en het meer, alles slaat de Noord-Ooster tot het verstijft, en als alles onderworpen, als alles, behalve de groote vrije zee, geboeid is, als alle stoute golfjes, alle vlietende stroompjes geraakt en gekneveld zijn, als alles genepen en strak staat, dan gaat hij liggen in zijn winterpaleis… en als gij in die richting gaat, voelt gij zijn konden adem, twintig graden onder nul!

Nu verschijnt de Mensch op het tooneel dezer herschepping. Kleine straatjongens trappen met de klompen het broze ijs der bevroren plassen in. Heel de schooljeugd komt met een gevoel van verrassing en blijdschap buiten. IJs! De jongens ijlen naar de slooten en begroeten en beproeven den vastgeworden spiegel met steenen, en staan verbaasd, en deelen elkander hun bewondering mede, wanneer het ijs de klinkers houdt als een man. Nu gaan zij aan den kant en stampen met de hakken op het ijs. ’t Biedt weerstand — en als een vlucht vogels strijken zij er op neer, stappend, glijdend, suilend, hoera! Zij zijn op het ijs, de pioniers van het ijsvermaak! Van de slooten gaat het naar de grachten, en na de jongens komen de jonge mannen, slagersknechts en hunne volgelingen. Zij beginnen allen met aan den kant te stampen en als zij eens zoover zijn, dan… Als er Zeemeerminnen zijn, die met zoet gezang, zacht en diep en droomerig als het ruischen der baren, arme varensgezellen betooveren en in den diepen schoot der golven lokken, dan is er ook een IJsjonkvrouw. Zij komt met den wintervorst en de sneeuwkoningin mede en houdt haar verblijf in de kille wateren. Daar trekt zij haar doorzichtigen en glanzenden sluier om zich heen en wikkelt zich er verleidelijk lokkend in. Zij steekt de hand uit naar den kant en trekt de knapen zacht naar zich toe, met zoo zoeten drang, dat zij het niet weerstaan; zij leidt hen en draagt hen naar het midden, en daar opent zij den sluier en neemt hen in haar armen en trekt den sluier weer dicht en sleept hen mee, zoo onzichtbaar, verraderlijk en wreed, dat niemand het spoor kan volgen. Geen waarschuwingen baten tegen de zoete IJsjonkvrouw. Jaarlijks vraagt zij hare offers, ’t Is een hartstocht, dien zij inboezemt, en als andere hartstochten, heerscht ook deze tegen raad en redeneering in. Moeders staan handenwringend aan den kant en vloeken de verleidster; vaders staren versuft voor zich heen, waar zij haar offer, bleek en levenloos, wedergeeft; jongens en jonge mannen staan verslagen en brengen het schrikkelijk gerucht door stad en dorp — en het volgend jaar zal hetzelfde treurspel, worden opgevoerd! Wanneer zullen wij wijs geworden zijn?

Maar de lichte sluier wordt een vloer van glanzend graniet. De slooten, de vaarten worden paden en wegen, de plassen en meren zijn herschapen in vlakten. Oude grenzen worden uitgewischt, als bij plotselinge omwentelingen. De ongenaakbare bewoner van een vrij erf, veilig tusschen slooten gelegen, ziet zijne grachten beklommen door een jonge schare, die zijn achterhuis bespiedt en zijn erf o versteekt, als de Franschen het onze in het jaar 1795. Waar wij rechts of links plachten om te loopen, bruggen zoekend, steken wij nu stoutweg over. Wat weerhoudt ons ? Met versmading van platgetreden wegen en paden en banen, gaan wij dwars over vaarten en weilanden, door tuinen en boomgaarden heen, snijden hoeken af. ’t Is alles het onze! Wij breken met alle tradities, recht op ons doel afgaande, frank en vrij, alsof wij niet de oude, voorzichtige, langs afgebakende wegen voortstappende wandelaars waren, die wij zijn, alsof wij jonge avonturiers waren, wien alle paden, wien ook „geen paden” goed zijn, alsof wij holden waren, voortschrijdende in kloeke minachting voor alle wegwijzers, o weelde!

Op de straten ligt een kleed van glimmende sneeuw, gepolijst door de gedurige wrijving van schuivende voeten. Waar wielen rolden, daar sullen de sleden en prikjes. Tusschen de boomen, over de pleinen stuiven zij voort, met lachende ingebakerde meisjes er in en dappere ridders er achter. Zij zwieren, zij stooten, zij tuimelen, zij duwen en hijgen, totdat zij met roode wangen en als een uurwerk afgeloopen, thuis komen en plannen voor morgen maken. Ginds zijn blinkend gladde sullebanen getrokken, donkere strepen op de sneeuw, waarover jonge kunstemakers glijden en buitelen, en overal heeft de anders zoo stroeve en veilige straat van die verraderlijke plekken, waar plotseling alle adhaesie ophoudt. Alles sult, tot onzen deftigen buurman toe, dien wij steeds in denzelfden pas onverstoorbaar zien voorbijgaan, en die nu, als hij zijn stoep voorzichtig is afgeklommen en met bezorgdheid over de onderdeur wordt nagekeken, een vrij gemeenzaam trippelgangetje aanneemt en straks zelfs in een gansch burgerlijk drafje vervalt, en dan plotseling een komischen krijgsdans begint uit te voeren, met zwaaiende armen en slingerende beenen, zoo vlug en rad, alsof hij aan de lucht was opgehangen, totdat hij op eens wordt losgelaten en de goede man plat op de straat zittend gevonden wordt. Wat staat er vast, wat suit er niet, wat verandert niet bij die algemeene omwenteling? Terwijl het bosch herschapen is in een tooverpaleis, waar de wintervorst troont, te midden van dof zilver en kristal, tintelt de stad van leven en komt alles buiten. De bellen rinkelen vroolijk en de koetsiers hebben hunne hooge bonte kraagjassen aan. Schaatsen liggen overal te koop. De straten loopen leeg naar singels en vaarten, waar de schuiten weerloos en roerloos vast liggen, wijl de mensch den rug van zijn erfvijand en belager, het water, met zijne scherpe schaatsen doorploegt.

O schrander dier, dat mensch genaamd wordt. Hoe weet hij, nimmer verlegen, van alles wat te maken! De zomer verdwijnt, de bladeren vallen, de wateren stollen, alles sterft en ontvalt bom; maar hij neemt sneeuw en ijs in zijn dienst, en zoo gij hem foppen wilt, moet gij eerder opstaan, moeder Natuur! Sikko en Atse hebben voor eeuwen een paar paarden- of koeribben op het ijs geworpen, gezien hoe ze gleden en straks zich een paar onder de voeten gebonden, en zie! hoe snel zij over den ijsspiegel gleden, wanneer zij, zoo geschoeid, met twee puntige stokken zich voortstuwden en als vogels, met vaste en geregelde slagen, de lucht kliefden. Toen zijn hunne neven en naneven gekomen en hebben de ribben verbeterd en zich ijzeren ribben gemaakt, die, scherp geslepen en weerstand biedend aan de gladde oppervlakte, de prikstokken overbodig maakten. Zoo is de schaats geboren. Voort, vlugge ijzeren ribben, voort! Draagt onze logge schippers en plompe boeren in vliegenden vaart over de ijsvlakte, laat hen zeilen en zwaaien en voortsnellen met de kracht van paarden, met de gratie van zwevende vogels. Voort, vlugge ijzeren ribben, voort! Draagt onze mannen, op één dag, langs de steden van Holland of die van Friesland. Hier, Sikko, kniel neder bij Tjetskes stoel en bind haar de schaatsen aan en grijp haar hand en neem haar op sleeptouw mee over de baan, vroolijk en vlug alsof gij niets hadt te trekken. — Maak voort, Atse, Ieke wacht! Rep u, vooruit met haar, wijl zij, beschut tegen den wind en vlugge schaats, die zij is, u vóór zich uit stuwt, vooruit, vooruit! — Zoo, nog weer eens op de baan, oude Freerk, wel, ’t hoeveelste jaar mag ’t wel zijn dat je de schaatsen onderbindt ? Dat moet in de krant, vader! Je zijt immers al een-en-tachtig, niet waar? Kijk, daar gaat hij. Zie hem eens uithalen met zijn oude beenen of hij een jonkmaatje was! ’t Moet in de krant, hoor. — Ei zoo, ben jij daar ook, Pietje? Nu, bloos maar niet, wij gunnen het je wel! En het jonge weeuwtje heeft een kansje van daag op een vrijer, even goed als de meiskes. Zie maar eens aan hoe netjes en propertjes ze door de drukte heenzweeft. Zoo! zoo! Sytse kijkt even om! Ai! daar krijgt hij, tot loon, den langen Pier vlak voor den boeg. Maar zij omhelzen elkaar en blijven samen voortglijden, totdat zij ieder het evenwicht weêr hebben. Dat is politiek! Ja, het ijs is rijk aan leering, als je ’t maar wilt opmerken. — Hiete melk! hiete melk! Zij dampt tusschen de opgestelde matten in de hoede van de vaderlandsche driekleur. Hiete melk, hiete melk! — Hei! daar is het heerschap ook, in vol costuum, met korte broek en linten. Een centje voor den baanveger, als je blieft, heerschap! Het heerschap groet en verbroedert zich. Vrijheid, gelijkheid en broederschap! zegt het ijs. — Kom aan, Wim, ook al op de schaatsen? Toe maar! Dat gaat er al aardig op los. En Wim, in zijn eer getast, zet zijn knieën krom, doet al zijn best voor een paar ferme slagen en stuift al met den eersten slag ons voorbij. — Voort, voort, ijzeren ribben, krast en glijdt over het gladde ijs! Ha! dat gaat er door, vijf aan een rist, of ze trekvogels waren… op zij! En nu ze achterna! Past op de scheuren, dwars er over, jongens, vooruit! vooruit! Maar de trekvogels vliegen, en wij geven het op en zien ze na; hoera, broeders! Ja, we zijn allen broeders op de schaatsen en allen even ijdel. Ginds op een smal slootje scharrelt Mina voort met de schaatsen naast de voeten; verder oefent zich in stilte haar broertje op het zeilen, en hier zwaait Evert zwierig, voor en achter de rijders om, van loef naar lij en omgekeerd, en doet of hij niets ziet van de bewondering, die hij wekt en, zoo hij ze ziet, of ze hem zoo koel laat, als het ijs zelf. En van den armen scharrelaar, die zoo ver voorovergebogen, als hij kan, en roeiend met de armen, wat hij mag, zich voortwerkt door al de bezwaren van het wisselend evenwicht, den wind en de spleten; van Dirk, die met gezwollen voeten en koude handen niet achter blijven wil en klauwt en zweet, tot den rustigen blokzeiler, die met de armen over elkaar daarheen zweeft, —allen, die op schaatsen loopen, meenen dat zij een goed figuur maken, als men hen in hunne gelukkige oogenblikken maar zien wil, wat de menschen, helaas! maar al te dikwijls niet willen. Op het ijs zijn wij broeders. Ja; maar wie is op het ijs eenvoudig? Doch ’t zou misschien vervelend zijn als wij het waren. A Vooruit dan maar! worstelend, werkend, kampend; en laat al onze helden zonder gebroken armen of bloedende koppen weer thuis komen, ijzeren ribben, vol gratie en bekoring! Mij halen ondertusschen ons hart op of wij Schelfhout zelf waren.

Maar de grimmige Noord-Ooster, in zijn winterpaleis, ziende hoe zijne gevangenen spelen en dartelen, hoe zij spotten met zijn toorn en smaak vinden in zijn dwingelandij, verheft zich. Quos ego!! Op een goeden morgen begint hij te blazen en te snuiven. Hij ijlt zijn gebied door met woede, hij blaast ons de verkoudheid in de longen, hij vliegt ons aan om den hoek, hij slaat ons om de ooren dat zij tintelen, hij knijpt ons in de handen, hij doet ons ongeduldig stampvoeten en steunen op den stoep. Hij geesselt al de zwierbollen van de baan; een paar die volhouden jaagt en drijft hij vóór zich uit dat zij geen stuur meer houden; anderen worstelen tegen hem op, maar bezwijken en binden af. Baanveger, die hij is, veegt hij met scherpe bezemstriemen de banen schoon van rijders, tenten, beweging en vroolijkheid, totdat hij den aftocht blaast en doodelijke stilte achterlaat. De thermometer rijst. Het ijs, straks nog zoo heerlijk, is geen ijs meer, maar is een vuile, bultige korst, met plassen en onreinheid overdekt. Het slinkt — zinkende grootheid — in verachtelijke ontbinding weg. Het lekt en het druipt langs de ramen, langs de gevels, van de daken, van de goten. Alles is ontbinding en wij waden weder door de plassen, en baden in den regen en baggeren door de modder… als van ouds. De schoone winter is als een droom verdwenen!

 

IJSVERMAAK IK FRIESLAND

DOOR

WALING DYKSTRA.

 

De Friezen zijn nog altijd hartstochtelijke liefhebbers van het ijsvermaak, en dit zal niet veranderen voor ze zullen opgehouden hebben Friezen te zijn. Wanneer jaren achtereen verloopen zonder dat de winter bruikbaar ijs geeft van eenig belang, laat het zich denken dat er gedurende het geheele saisoen gemord wordt over ’t leelijke winterweer, vooral onder de jongelui ten platten lande, die dan tehuis moeten zitten, waardoor de natte, triestige winterdagen hen zoo deerlijk vervelen, ’t Vindt dan al heel weinig ingang indien iemand, hetzij boertenderwijs, hetzij met een verstandig gezicht, beredeneert dat er thans zoo geen behoefte meer bestaat aan ijs, nu de provincie doorvlochten is met een net van kunstwegen en bovendien gezegend met een spoorweg. Nu toch kan men gedurende den geheelen winter reizen zooveel men verkiest, hetzij te voet of per as. Vroeger was dit anders. De landlieden der lage streken in de nabijheid van meren en groote waterpoelen, konden in den tijd van hoog water niet dan met vaartuigen hun erf verlaten. Bij natte, mistige en dikwijls ook stormachtige winterdagen was dat zwalken met kleine scheepjes over het water zeker geen spelevaren, al waren die menschen, vrouwen zoowel als mannen, van kindsbeen af met dat werk vertrouwd. Men deed het niet meer dan noodig was; en in opene winters met lange donkere avonden was ’t het lot dier waterlanders, thuis te zitten op hunne eenzame „pôlle”, zooals men een plekje gronds noemt, dat geheel door water is ingesloten. In de hoogere kleistreken waren de rijwegen zoo doorweekt, dat er aan geen vervoer per as te denken viel, en te voet kon men slechts met moeite van de eene plaats naar de andere komen. Handel en verkeer stonden stil, de landbouwprodukten moesten blijven waar ze waren, tot zoolang de wegen weer bruikbaar werden, of het ijs kwam. Wien zal het, verwonderen dat die menschen dan als uit een winterslaap ontwaakten ? De waterlanders vooral hebben van ouds den naam gehad, dat ze zich over ’t ijs wagen zoodra ’t een schierroek (bontekraai) kan houden. Dit ligt ook in de rede. Bij mistig weder, wanneer men zoo min over als door het ijs kan (namelijk met schepen), zijn ze ook nu nog op hunne pollen van alle gemeenschap afgesloten. Duurt dit soms dagen achtereen, dan krijgen ze wel eens gebrek aan de eerste behoeften voor de huishouding. In vele dier streken, waar voorheen geen eigenlijk gebaande wegen waren, heeft men thans een grintweg. De bewoners waardeeren deze verbetering zeer wel, maar hun trek naar ijs in den winter is toch nog even sterk als die was bij hunne ouders en voorouders.

De eerste tocht die door waaghalzen wordt ondernomen, is gewoonlijk naar een niet al te ver afgelegen herberg aan het water, om daar aan den balk te kunnen schrijven: „den… Januari… hier het eerst op schaatsen geweest NN. en NN. van N… ” Zulke eerstelingen worden door den kastelein kosteloos op een borrel onthaald, en het krijtschrift blijft gedurende den geheelen winter aan den balk pronken. Kan zulk een tocht geschieden over ondergeloopen land, dan is er gewoonlijk niet veel gevaar bij. Op die vlakten toch staat weinig water, het ijs is daar veel spoediger sterk dan op de diepe waters, en zij zijn het dan ook die het eerste, en in zeer vele winters zelfs het eenige ijsvermaak aanbieden. Wanneer in de vaarwaters nog weinig of geen ijs is, kan het jonge volk zich op de vlakten reeds vermaken met baantje rijden en krijgertje spelen. Deze beide liefhebberijen, vooral het laatste, zijn bijzonder geschikt om zich te oefenen in vlugheid en behendigheid op de schaatsen, en die vlakten mogen daarom beschouwd worden als de leerscholen voor toekomstige hardrijders. Daar krioelt en scharrelt de jeugd rusteloos door elkander, onder luid gejubel en gejoel; ieder wil de vlugste zijn en een ander de loef afsteken. Die niet knap is in het werk, heeft kans door anderen omver gereder, te worden. Het baantjerijden is iets, waaraan ook de meisjes kunnen deelnemen. In vliegende vaart rijdt men onophoudelijk een baan van willekeurige lengte op en neer, sommigen alleen, anderen met een meisje achter zich; ook ziet men er bonte regels bij van vier, zes of meer personen achter elkander; ieder doet zijn best om vooruit te komen en ’t eerst aan ’t eind der baan te zijn, en daar gekomen snelt men, na slechts korte rust, weêr naar ’t andere einde. Het laat zich denken, dat zulk baantjerijden voor twee, die een goed oog op elkander hebben, eene bijzonder gunstige gelegenheid aanbiedt voor nadere kennismaking. Op zulke vlakten, wanneer ze in de nabijheid van een dorp zijn, houdt men ook wel hardrijderijen.

Maar het rechte genot komt niet voor men overal kan rijden, waar men wezen wil. Het is te betreuren, dat men zich altijd te vroeg op de groote vaarwaters waagt, waardoor er in iederen winter, zoodra er maar een weinig ijs komt, ernstige ongelukken plaats hebben en menschenlevens, meestal jeugdige, worden opgeofferd. In ’t begin van den vorigen winter was dit zoo erg, dat de „Leeuwarder Courant” er eene afzonderlijke rubriek voor had, onder ’t opschrift: „IJsongelukken.”

Het jonge volkje moge zich op de vlakten uitstekend kunnen vermaken, en onschuldig ook, —men heeft daarbij toch zoo niets dan op zijn best een tentje met heete melk koek en snoeperij en brandewijn of zoo iets, en dit bevredigt op den duur niet. Men wil baantjerijden bij groote herbergen, waar ’s avonds de viool gaat. Als dat aan den gang komt begint het eigenlijk eerst naar een ouderwetschen winter te gelijken. Kom dan maar eens op de Dille, tusschen Leeuwarden en Sneek, op ’t Abbegaster ketting, tusschen Sneek en Bolsward, bij Steenhuizen te Birdaard, aan de Dokkumer Ee, of op vijftig, ja, op honderden andere plaatsen aan de vaarwaters. Vindt ge het hier misschien te vol, rijd den afsland van een halfuur gaans verder, daar is weêr gelegenheid. Maar gij zult het overal vol vinden, zoo vol, dat ge nauwelijks de gelagkamer kunt binnendringen. Roep dan om een kop koffie of wat ge anders moogt verkiezen, gij zult een half uur moeten wachten voor ge iets hebt. Die bezige mannen, die in de hemdsmouwen zich door het volk werken, om de menschen te bedienen, hooren u niet, of wanneer ze u wel hooren, laten ze u toch waçhten omdat gij nog niet aan de beurt zijt. De kastelein en zijne vrouw staan achter de toonbank bij de tapkast, onvermoeid tappende, koffie schenkende en geld ontvangende. Dan is men toch voor zijn pleizier uit. Maar wie nabij de deur staat is er veel beter aan toe, dan wie in een achterhoek der kamer zit ingemetseld. Heeft de herberg eene bovenzaal, dan klotst het jongvolk met de schaatsen onder de voeten de trap op. Des avonds, als het licht opkomt, wordt daar gedanst dat de deuren in de hengsels rammelen en de hanglampen aan den zolder onophoudelijk in trillende beweging zijn. De brooddronkenste knapen dansen zelfs op schaatsen. Twee violisten zitten daar aan ’t einde der zaal op een tafeltje, dat maar even plaats heeft voor twee stoelen, niet voor de voeten der muzikanten; zij moeten die maar weten te bergen zoo goed ze kunnen; men moet zuinig op de ruimte zijn.

Dit nu kan men zien, hetzij des zondags-avonds, wanneer het meeste volkje enkel voor pleizier uit baantjerijden gaat, of op andere dagen, wanneer velen, die een toertje over ’t ijs hebben gemaakt, zich tegen den avond verzamelen in eene herberg niet ver van hunne woonplaats. Maar wanneer er eene groote hardrijderij is aangekondigd, begint de drukte reeds voor den middag. En wanneer ’t ijs overal vertrouwd is, worden er alle dagen groote hardrijderijen gehouden in een der steden of aanzienlijke plaatsen, behalve nog op vele kleine dorpen van minderen rang. Na den zeer langen winter van 1844 op 1845, toen men den 23sten Maart paascheijeren op het ijs at, is men begonnen ijsclubs op te richten. Vroeger moest men, wanneer ’t begon te vriezen, plannen beramen om geld te krijgen voor een prijs, eer men eene hardrijderij kon uitschrijven. Thans, nu de leden der ijsclub jaarlijks contributie betalen, is men altijd gereed zoodra er ijs is. Het aantal ijsclubs in Friesland zal thans wel niet veel geringer zijn dan het aantal steden en dorpen. Zij bestaan zelfs op plaatsjes van 300 of nog minder inwoners, en sommige groote plaatsen hebben er wel twee. Verloopen er eenige winters zonder dat er hardrijderijen kunnen gehouden worden, dan krijgen de clubs zooveel geld in kas, dat men, als de gelegenheid komt, veel kan doen waaraan vroeger niet viel te denken.

Mogen sommige steden en groote plaatsen voor Leeuwarden niet veel onderdoen, zoo in het aanbieden van goede prijzen als in het feestelijk opluisteren der zaak, — de hoofdstad trekt met hare hardrijderijen toch altijd het meeste volk. Velen uit afgelegen streken der provincie, ook uit naburige provinciën, die de stad nooit of slechts zelden hebben gezien, brengen dan een bezoek aan Leeuwarden. Op den dag eener voorname hardrijderij, stroomt het volk gedurende wel drie, vier uren in den voormiddag langs alle hoofd- en zijkanalen bij duizendtallen stadwaarts.

Hardrijderij van mannen en vrouwen bij paren, te Leeuwarden.

Naar een schets van den 1sten Luitenant VAN DER LAAN op hout geteekend door G. H. BREITNER.

De eerste hardrijderij te Leeuwarden, die gehouden wordt zoodra het ijs dit toelaat, dat echter daarvoor altijd eene bepaalde dikte moet hebben, is eene door mannen alleen; later volgt er eene door mannen en vrouwen bij paren, en blijft het ijs bruikbaar, dan volgt nog eene derde, waarop 25 à 30 van de beste bekende rijders in de provincie worden uitgenoodigd. Harddraverijen met paard en bellesleê volgen eerst, als er, door aanhoudend sterk vriezen, stevige balken onder het ijs liggen, zoo men zegt. Hardrijderijen door enkel vrouwen worden ook nu en dan gehouden, doch vinden minder algemeenen bijval dan de andere. Het kieschheidsgevoel der Friezen komt hier tegen op. Op de beide eerstgenoemde worden allen toegelaten die zich aangeven, maar van ieder deelnemer wordt een gulden inleggeld gevorderd, niet om de kas der club te bevoordeelen, maar om zich te vrijwaren voor onnoodige moeite en tijdverlies. Vroeger lieten vele wel flinke, maar toch geen eigenlijke hardrijders zich op de rijderij te Leeuwarden inschrijven, hoewel ze vooraf wisten dat ze spoedig zouden afgereden worden. Maar zij hadden dan het recht om op de bijbanen te rijden, waarvoor van anderen gewoonlijk een gulden entree wordt gevraagd. Met het afrijden van zulke liefhebbers, wier getal met elke rijderij grooter werd, ging veel tijd verloren, terwijl het belangwekkende der zaak er volstrekt niet door werd verhoogd. Daarom worden rijders van die klasse nu geweerd door het vorderen van een gulden inleggeld. Ieder toch die dadelijk wordt afgereden heeft zijn gulden verbeurd, terwijl iemand die aanvankelijk een ander afrijdt daarvoor twee gulden ontvangt, dus zijn eigen terug en dien van zijn tegenpartij er bij.

De hardrijdersbaan te Leeuwarden is aan de noordzijde der stad op de buitengracht. De breedte der gracht is bij zulk een gelegenheid verdeeld in vier banen. De twee middelste daarvan, ter lengte van 160 meter, zijn bestemd voor de hardrijders en met touwen afgesloten voor het publiek. Op de buiten- of bijbanen worden belangstellenden toegelaten tegen betaling van ƒ 1.— entrée. Hiervan wordt veel gebruik gemaakt, vooral door buitenlieden, die zich warm hebben gereden en voor wie dus het stilstaan of rondloopen op de kanten der gracht, bij de winterkoude, niet verkieslijk is. De opbrengst der bijbanen bedraagt wel eens vrij wat meer dan duizend gulden, maar het aantal toeschouwers die zich de weelde van op de baan te rijden niet veroorloven, is toch verreweg het grootste.

Bij helder winterweder levert de fraai gedecoreerde baan met de vroolijk versierde tenten voor directie en muziek, met een dicht opeengedrongen massa nieuwsgierigen aan weerskanten en eene groote menigte rondrijdenden op de bijbanen, een indrukwekkend gezicht op. Aan weerszijden en op de einden der dubbele middenbaan zijn ruim veertig hooge staken in het ijs geplant, aan wier spitsen vlaggen wapperen, en aan ieder waarvan een wapenschild is opgehangen. Dit zijn de wapens van de elf steden en dertig landgemeenten, vroeger grietenijen. Men kan dus zeggen dat de hardrijdersbaan te Leeuwarden gedecoreerd is „op zijn elfendertigst”, een oud gezegde, in vroegeren tijd toegepast op de provinciale staatsvergadering in Friesland, die voorheen voor ieder stad en grietenij een vertegenwoordiger had. Onder de verschillende vlaggen merkt men er eene op met het tegenwoordige wapen van Friesland en een andere met het wapen van Oud-Friesland, voorstellende zeven pompbladen op drie zilveren banen. Dit zinspeelt op de zeven friesche Zeelanden, die oudtijds hebben bestaan, zich uitstrekkende van de Schelde tot de Lider.

Dit alles, opgeluisterd door muziek, is reeds voldoende om ieder vroolijk te stemmen, maar opgewondenheid maakt zich van de menigte meester, wanneer een paar reeds gunstig bekende hardrijders langs de baan komen snellen om elkander de zege te betwisten. Gedrukte lijsten worden den geheelen dag door rondventers verkocht. Daarop komen de namen der mededingers voor naar volgorde van de nummers, die zij bij de loting voor den aanvang van den wedstrijd getrokken hebben, met vermelding van hun ouderdom en woonplaats. Telkens wanneer een paar kampers zullen uitrijden, worden hunne lotingnummers aan het einde der baan opgehangen, in cijfers zoo groot dat zij op het andere einde leesbaar zijn. Dit is ten behoeve der keurmeesters niet alleen, maar ook tot gerief van ieder die den strijd van het begin tot het einde aandachtig volgt en er aanteekening van houdt op zijne lijst. De orde en regels waarnaar eene hardrijderij wordt bestuurd, zijn ongeveer dezelfde als die bij eene harddraverij met paarden worden gevolgd.

Onder de landlieden die naar Leeuwarden zijn gekomen, omdat er eene hardrijderij zoude plaats hebben, zijn ook zeer velen die niet uitsluitend hunne aandacht aan den strijd wijden, maar liever de stad eens door wandelen om de fraaie huizen en winkels te begluren, de openbare gebouwen te bewonderen, en ten slotte een kijkje te nemen in een der herbergen. Deze vindt men, op welk gedeelte der stad men moge komen, allen opgevuld met bezoekers althans in de pauze der rijderij, des middags van twaalf tot twee uur. Maar den afloop van den wedstrijd bij te wonen, en ten slotte nog een of meer paren der beroemdste hardrijders te zien kampen, daarin stelt ieder belang. Is eindelijk het pleit beslecht en laat de muziek het „Wilhelmus” of „Wien Neêrlandsch bloed” hooren, dan ontstaat er een algemeene drukte en veel gepraat; de namen der winners van den prijs en de premie gaan van mond tot mond, terwijl ieder zich in beweging zet om het terrein te verlaten. De buitenlieden begeven zich weêr op reis en ijlen de stad uit met even veel haast als zij des morgens zijn gekomen. Een betrekkelijk gering getal toeschouwers volgt den stoet, bestaande uit de directie, de prijs- en premie-winners en de muzikanten, naar de concertzaal. Maar dit getal is toch groot genoeg om de groote zaal met de ruime bijzalen eivol te maken. Hier worden nu, nadat ieder zoowat te stoel en te bank is, de prijs en de premie aan de winners uitgereikt met „gepaste toespraken van een der leden der directie. ’t Gebeurt ook wel, dat de rijder, die als derde persoon het laatst meê gekampt heeft, eene gratificatie ontvangt, maar dit hangt van de goedheid der heeren af. Vervolgens wordt de avond in feestvreugde doorgebracht, terwijl de directie ieder wie ’t verlangt in de gelegenheid stelt om het woord te vragen en een toespraak te houden op zijn manier. Loopt dit wat druk, dan bemerkt men nu en dan, evenals bij alle feestelijke gelegenheden, dat de kunst om met veel omslag van woorden ongeveer niets te zeggen, nog al beoefenaars heeft.

Hartstochtelijke liefhebbers van schaatsenrijden vinden alle dagen, nabij en ver, overvloedig gelegenheid om ergens heen te reizen waar „iets te doen is”, zoo men zegt; en er zijn velen die dit werkelijk doen. De „Leeuwarder Courant” kondigt op alle werkdagen, de geheele provincie door, onderscheidene groote en kleinere hardrijderijen aan. Wanneer men de prijzen en premies samentelt, die gedurende ééne week in Friesland worden uitgeloofd, dan beloopt dit de som van eenige duizenden guldens.

Hardrijders van den tweeden of derden rang, die niet in staat zijn groote prijzen van ƒ 100.— en ƒ 150.— te bemachtigen, vinden dan ook overvloedig gelegenheid om kleine van ƒ 30.— ƒ 40.— of ƒ 50.— op te halen en zoo eene goede wintertering te bekomen.

Het is algemeen bekend dat men in Friesland een anderen trant van schaatsenrijden heeft dan in Holland. Legt de Hollander zich bijzonder toe op bevalligheid en zwier, het hoofddoel van den Fries is, zoo snel mogelijk vooruit te komen. De echte Mesche schaatsen, die hoofdzakelijk vervaardigd worden te IJlst, Warga, Grouw en op enkele andere plaatsen, zijn daarop dan ook bijzonder ingericht. Wanneer een flinke friesche schaatsenrijder in de amerikaansche Skatingrink „roltsjeredens” onder de voeten bindt, ligt hij bij de eerste proefneming meestal dadelijk met de beenen in de lucht en ziet spoedig in, dat daar eene geheel andere oefening vereischt wordt dan ’s winters op het ijs.

Beroemde hardrijders heeft Friesland te allen tijde gehad, wier namen steeds voortleven in den mond des volks. Eenige voor de vergetelheid bewaard gebleven anekdoten van sommigen hunner, heb ik medegedeeld in het boekje „Friesland en de Friezen”, uitgegeven in 1877, bij Hugo Suringar, te Leeuwarden. Laat er mij hier nog een paar aan toevoegen.

Kornelis Ynses, een boer van Kubaard, die in ’t begin dezer eeuw als hardrijder beroemd werd, had de gewoonte bij een wedstrijd op schaatsen enkel groote stappen te maken, van wel 11 rijnlandsche voeten lang. Berekend naaide snelheid, waarmede hij te Leeuwarden de baan van 200 schreden aflegde, zoude hij op die manier voor een uur gaans minder dan 5 minuten noodig hebben. Hij had de gewoonte. zijne partij altijd slechts een weinig vóór te blijven, om niemand beschaamd te maken, zoo ’t heette. Maar ’t was juist een middel om iemand langs de geheele baan tot de uiterste krachtsinspanning aan te vuren en zoo noodeloos te vermoeien. Bij ’t einde der baan stapte of sprong Kornelis altijd vlug over den streek, en dan zei hij gewoonlijk, daar hij nooit een rit verloor, heel lakoniek: „Just woan” (juist gewonnen).

In den winter van 1808 reden eens drie uitmuntende schaatsrijders van Bolsward naar Leeuwarden. Bij een sterken oostenwind was dit een tocht die volhardende inspanning bij veel lichaamskracht vorderde. Zij reden dan ook achter elkander aan een stok, om steun aan elkander te hebben. Onderweg kwam Kornelis Ynses langs de opvaart zijner woonplaats die drie mannen achterin rijden en bleef hen bij. Zij meenden hem best te kunnen ontrijden, maar ’t gelukte niet, hoezeer zij zich ook inspanden, en dit maakte hen verdrietig. Toen Kornelis eindelijk vroeg, of hij niet achter hen aan den stok mocht meêrijden, kreeg hij barsch ten antwoord, dat elk zichzelven maar moest redden. „Nou, as ’t sa moat,” zei Kornelis, „den scil ik to Ljouwerd wol sizze dat jimme komme.” Hij legde de handen op den rug en snelde hen vooruit met zooveel vaart, dat zij hem spoedig uit het gezicht verloren. Toen zij te Leeuwarden bij de eerste herberg aankwamen, stond de boer daar bedaard zijn pijpje te rooken en riep hun toe: „Binne jimme dêr? Wolkom! kom yn! ik ha de boerekofje al for jimme bisteld.” Of de drie mannen aan deze uitnoodiging gehoor gaven wordt niet vermeld, wel dat ze eindelijk begrepen met een echten hardrijder te doen te hebben.

Boerenkoffie was vroeger, toen Friesland vele bierbrouwerijen had, een geliefkoosde winterdrank der landlieden en „over ijs” in alle herbergen verkrijgbaar. Zij werd beleid uit bier, brandewijn en eieren, gekruid met kaneel, en heet gedronken. Thans is dit in onbruik; de nieuwerwetsche bieren zullen er minder geschikt voor zijn dan de echte friesche van vroeger. Toch ben ik, nadat ik in geen jaren iets van boerenkoffie had vernomen, er in den verloopen winter nog op getrakteerd en heb daarbij de ervaring opgedaan, dat iemand er hoofdpijn van kan krijgen.

Als proeven van onvermoeidheid op de schaatsen mogen de volgende staaltjes dienen.

De burgemeester Koopmans, van Bolsward, die ook als vermaard hardrijder wordt genoemd, reed in den winter van 1763/64 op één dag van ’s Gravenhage naar Leeuwarden, om een brief over te brengen van den stadhouder Willem IV aan hoogstdeszelfs moeder Maria Louisa (bij de Friezen Marijkemoei genoemd). Dit was een afstand van 39 à 40 uren gaans; de tocht ging over de Zuiderzee, die toen van Enkhuizen naar Stavoren berijdbaar was; toch reed de burgemeester des avonds om half 5 ure te Leeuwarden op de baan en kraste met de schaats de voorletters van zijn naam heel fraai in het ijs.

In Februari 1805 werd te Leeuwarden de eerste hardrijderij gehouden enkel door vrouwen. Hieraan namen 130 vrouwen en meisjes deel. Deze rijderij kon in één dag niet afloopen; de voortzetting werd bepaald op den volgenden dag ten 12 ure, onder voorwaarde, dat wie dan niet aanwezig was, van de verdere mededinging uitgesloten zoude zijn. De meeste rijderessen begaven zich des avonds naar hunne woonplaatsen terug, om des anderen daags op nieuw te Leeuwarden te zijn. Onder deze was Trijntje Uiltjes, eene een-en-vijftigjarige turfschippersvrouw. Zij was des morgens op schaatsen gekomen van het Ureterpster Verlaat, zeven uren gaans van Leeuwarden, reed des avonds daarheen terug en was den volgenden dag weêr op den bepaalden tijd te Leeuwarden aanwezig, om op nieuw mede naar den prijs te dingen.

Op een flinken frieschen hardrijder, die op één dag de elf steden van Friesland had bezocht, maakte zeker dichter in de vorige eeuw dit vers:

                      „De knaap was lang berucht

Voor ’t baasje, dat, gelijk een vogel door de lucht,

Kon vliegen over ’t ijs. ’t Is Pier, die de ellef steden

Van Friesland, op één dag, heeft in het rond gereden,

En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek,

Te Bolsward in den stal, bij Vetlap van der Hoek.”

Treurig is bij dit alles de opmerking, dat, vooral sedert de rijderijen zoo druk worden gehouden, de beste hardrijders hunnen roem slechts kort kunnen staande houden, omdat door de sterke en te dikwijls herhaalde inspanning hunne beste krachten spoedig zijn geweken, en helaas! ook niet zelden hunne gezondheid wordt ondermijnd. Bij de hardrijderij door mannen en vrouwen, te Leeuwarden gehouden den 29sten Januari 1879, hebben de beide laatste paren vijf malen achtereen tegen elkander moeten rijden (dus viermaal kamp) eer het pleit beslecht was. Ieder begrijpt, dat iemand wel buitengewoon sterk moet zijn om van zoo iets geen naweeën te ondervinden.

In vorige winters hadden de hardrijders hierop iets uitgevonden. Drie of vier hunner spraken af, wie prijswinner zoude zijn en verdeelden den prijs onder elkander. Zoo konden ze zonder te veel inspanning alle groote prijzen inpakken. Als gezondheidsmaatregel voor de rijders was dit zeer aan te bevelen, maar in de oogen van heeren keurmeesters en echte liefhebbers van hard rijden was ’t een gruwel. Immers als men een paar honderd guldens uitlooft, wil men ook het non plus ultra der kunst zien. In den laatstverloopen winter heb ik dan ook van dit hardrijdersmonopolie niet gehoord.

Mannen als Kornelis Ynses en zijn tijdgenoot Atse van Tersool bleven tot op gevorderden leeftijd beste hardrijders. Zulke voorbeelden heeft men in den laatsten tijd niet kunnen aanwijzen; wèl van flinke jonge mannen, die zich met hardrijden eene lichaamskwaal op den hals haalden en daardoor hunnen dood vervroegden.

Dit een en ander hoort men opperen bij alle gesprekken over hardrijden, en deze zijn gedurende den wintertijd overal in Friesland schering en inslag. Toch schijnt niemand daarin aanleiding te vinden om het uitschrijven van hardrijderijen, met een groote som gelds tot prijs, af te keuren als iets dat niet verdedigd kan worden voor de rechtbank der menschelijkheid. Als er sterk ijs is moeten er hardrijderijen zijn: dit behoort tot de dingen die van zelf spreken. Wie zou willen beweren dat dit volksvermaak even weinig of nog minder de goedkeuring van weldenkenden verdient dan de stierengevechten in Spanje of de hanenvechterijen in Engeland, zou een kniesoor genoemd worden.

Onder de rijders en rijderessen, die in den laatsten tijd hebben uitgemunt, moeten in de eerste plaats genoemd worden de broeders Okke en Thijs van den Berg en hunne zusters Trijntje en Antje, allen van Rijperkerk. De naam van Okke, wiens beeltenis wij hierbij onzen lezers aanbieden, kwam tijdens de jongste wedstrijden herhaaldelijk in alle couranten voor, waarin telkens nieuwe overwinningen, door hem behaald, vermeld werden, ’t zij hij alleen alle mededingers het hoofd geboden had of, met zijn zuster Trijntje, in den sierlijken paren-rit iedereen voorbij vloog op de vlugge schaatsen. De jongere broeder Sjoerd begon ook al meê te doen. Eveneens liet Jouke Schaap van Langezwaag nog al van zich hooren, behalve meer anderen die misschien later nog eens beroemd zullen worden.

Behalve het gewone eigenlijke hardrijden, werden in den laatsten winter nog meer dan vroeger wel, zoogenaamde spekrijderijen gehouden, meestal op min of meer volkrijke dorpen. Deze hebben het tweeledige doel om aan arbeiders in den winter eene versnapering uit te reiken en aan de toeschouwers een pretje te bezorgen. Men laat dan de behoeftige werklieden van het dorp hardrijden om spek, erwten, brood of zoo iets, en wel zóó, dat alle rijders iets krijgen, hoewel de winner iets meer dan de anderen. Maar onder de deelnemers aan zulk een wedstrijd zijn gewoonlijk meer brekebeenen dan meesters in de kunst, want zelfs tamelijk hoogbejaarden doen mee. Het weinig vorderend scharrelen van gebrekkige rijders strekt dan den toeschouwers tot vermaak. Tegen deze liefhebberij zijn reeds afkeurende stemmen opgegaan. Meer algemeen bijval vindt het, wanneer, gelijk gewoonlijk geschiedt, van de opbrengst der bijbanen bij eene groote hardrijderij, een goede som ten behoeve der algemeene armen wordt afgestaan.

De hardrijder OKKE VAN DEN BERG, van Rijperkerk.

Welke opofferingen hartstochtelijke liefhebbers zich getroosten om het ijsvermaak zooveel mogelijk te genieten, verneemt men zoodra dit maar een week of drie duurt. Toen het in ’t begin van Februari des vorigen jaars begon te dooien, had een herbergier tusschen Dokkum en Leeuwarden meer dan tachtig zilveren tabaksdoozen en andere voorwerpen van waarde, waaronder zelfs gouden horloges, in bewaring voor schulden gedurende het ijsvermaak bij hem gemaakt.1 Verschillende andere kasteleins hadden, naar verteld werd, 10, 20 en 30 stuks van die voorwerpen in bewaring, en het laat zich denken dat alle kasteleins in „ijsherbergen”, de geheele provincie door, van zoo iets zouden kunnen meepraten, — maar! — dit doen ze niet. Die goederen komen meest van jongelui uit den boerenstand en ongetwijfeld het allermeest van boerendienstboden. Deze hebben in de laatste jaren in Friesland geld genoeg verdiend om gouden en zilveren sieraden te kunnen koopen, maar velen hunner zijn ook spoedig gereed die voorwerpen te verpanden, zoodra ze geldgebrek hebben. Trouwens dit is nog iets, wat in een echten ouderwetschen frieschen winter te huis behoort. Dat evenwel de ledige geldbuidels worden opgehangen aan de groote bruggen, gelijk men dikwijls hoort vertellen, is niets meer dan een grappige voorstelling van de zaak.

 

Een schrale broodwinning.

(Bij de plaat.)

 

Men behoeft geen uitgedroogd economist of sociologist te wezen, om het beroep — als ’t een beroep mag heeten — van den gezonden, stevigen jongen man op de bijgaande plaat een diefstal aan de maatschappij te noemen. Muziek behoort wel tot de goede gaven des levens, maar alle deskundigen zijn ’t eens, dat deze reiziger in muziek den naam van kunstenaar niet verdient. Integendeel. De smaak wordt bedorven door zijn valsche trompet en zijn gebarsten trommel. Ook zou de hond, die er Schander genoeg uitziet, om den compagnon van den reizenden kermisgast te heeten, u kunnen vertellen, dat ze samen tot de „kunstemakers” belmoren. Als de een op zijn achterpooten ronddanst, dan accompagneert de ander. Het publiek op het marktplein van de dorpen en kleine steden die zij met een bezoek vereeren, is dan ook waarlijk geen publiek voor Caecilia of de Maatschappij van Toonkunst.

Toch gevoelen wij medelijden met de firma, die daar door de sneeuw voortstapt, terwijl de oostenwind haar scherp in het aangezicht waait, ’t Is een schrale broodwinning. Zou de man ’t slechter hebben, als hij in een timmermanswerkplaats stond te hameren en te zagen, of in een fabriek zijn handen gebruikte naar het voorschrift van den meesterknecht? Zeer stellig niet. En even stellig zou de hond zijn levenstaak als wachthond nuttiger en aangenamer kunnen vervullen.

Intusschen is het onderwerp eenen anderen, ditmaal werkelijken kunstenaar waardig geweest. De heer Dekker heeft het talent gehad, zijn figuren te doen samenwerken om ons den indruk te geven van iets heel erg kouds en guurs. ’t Was niet zijn taak de moraal er bij te leveren.

De reizende muzikant. Naar zijne schilderij op hout geteekend door H. A. C. DEKKER.

Waarschijnlijk hebben onze lezers en lezeressen bij het ontvangen van dit nummer nog de gelegenheid om kunst en natuur te vergelijken.

 

DRIE WINTERS.

DOOR

Dr. H. C. ROGGE.

 

Drie eeuwen ruim geleden zag het er bang uit in de Nederlandsche gewesten, in Holland bovenal. De inneming van Den Briel had het sein gegeven tot een algemeenen opstand tegen den Spanjaard, maar Alba’s geduchte legerbenden waren opgetrokken, om den geest van verzet in bloed te smoren. Haarlem, zoo moedig verdedigd tot het uiterste, was gevallen, doch Alkmaar had stand gehouden. Sedert de overwinning op de Zuiderzee waren de Geuzen meester op het water, hoewel de vijand nog genesteld was in het hart van Noord-Holland. Te Assendelft had hij zijn hoofdkwartier. Er was op den winter gerekend, maar 1573 verliep en 1574 begon, zonder dat er ijs in het water kwam. Daar begon het half Februari hard te vriezen. Al de binnenwateren werden in weinige dagen met eene stevige ijskorst bevloerd. De baron De Chevreaux, de zoogenaamde gouverneur van Waterland, zond den 19den vijfhonderd man uit Assendelft naar den Krommeniedijk. De schans bezwijkt. Weldra staat de kerk van Krommenie in brand. Moordend en plunderend vervolgt de vijand zijn weg. Wormer, Jisp, West- en Oostzaan, allen ondergaan hetzelfde lot. De huisluiden mogen zich dapper verdedigen, tegen zulk eene goed gewapende overmacht zijn zij niet bestand. Wat vluchten kan neemt de wijk, in der haast het kostbaarste medevoerende. Een jonkman sleept zelfs eene zware slede achter zich voort over het ijs. Maar de roofgierige krijgsknechten achterhalen hem. Vruchteloos tracht hij zijn kostbaren last in het riet te verbergen. Doch de ruwe soldaten laten hem ongedeerd, nu zij weten welk een schat hij in veiligheid brengt. Lambert Melisz redt zijne moeder! Weldra wordt de Westerpoort te Hoorn voor hem ontsloten, waarboven de regeering later deze daad van kinderliefde liet afbeelden. En zoo vaak de winter wederkeert en de herinnering herleeft aan die sombere dagen van verbittering en strijd, treedt, te midden van zooveel tooneelen van onmenschelijkheid, het lieflijk beeld van dien trouwen zoon ons altijd weder voor den geest.

Bijna vijftig jaren zijn voorbijgegaan. De zeven gewesten hebben zich vrijgevochten. Bij de sluiting van het Twaalfjarig bestand heeft de spaansche monarch van zijne aanspraken afstand gedaan. De kleine republiek begint, dank zij de dapperheid en het krijgsbeleid van Willem en Maurits van Oranje, en het staatsbestuur van Oldenbarnevelt, een staat van beteekenis te worden. Welvaart en bloei nemen met verbazende snelheid toe. Helaas, een andere strijd is binnen de grenzen uitgebroken, die langer zal duren dan de worsteling tegen Spanje. Staatkundige en godsdienstige partijschappen verdeelen staatslieden en burgers. Het hoofd van ’s lands advocaat is als offer gevallen. De Groot en Hoogerbeets zitten op Loevestein. De synode van Dordrecht heeft gesproken en een groot aantal predikanten doen afzetten en verbannen. Maar velen gaan de belangen hunner verstrooide en vervolgde geestverwanten in het vaderland meer ter harte, dan hunne veiligheid en hun leven. Het was weder winter. De vorst van 1620 viel reeds voor kerstmis in, en met zulk een kracht, dat de gebannen predikant Paschier de Fijne, die zich heimelijk te Gouda ophield, het waagde op de Gouwe, vlak bij de stad, eene godsdienstoefening te houden. „Ik deed eene predikatie,” dus verhaalt hijzelf, „op klaren dag, staande op eene slede met een paard er voor. Er waren vele toehoorders, waaronder zelfs eenige soldaten. Toen ik geëindigd had, liet ik een psalm zingen. Onderwijl reed de voerman met mij weg. Velen volgden mij op schaatsen tot Waddingsveen, de overigen bleven staan en zongen den psalm ten einde.” Zulke godsdienstoefeningen onder den blooten hemel, zelfs in den winter op het ijs, waren niet zeldzaam in die dagen van kerkelijke heerschzuckt.

Maar treuriger winter staat in ’s lands historieboeken wel niet opgeteekend dan die van 1794 op 1795. De vorst begon reeds in December, en nam voortdurend in felheid toe. En wat hare verschijning toen meer dan ooit bedenkelijk maakte, was de nadering der Franschen onder Pichegru, terwijl de partij der patriotten gereed stond hen als het paard van Troje in te halen. Limburg en Brabant waren reeds gedeeltelijk in hun macht, en de rivieren alleen hielden hunne nadering tegen. Doch de strenge winter baande hun den weg. Weldra was Bommel in hun macht. Zelfs de Waal vóor deze stad werd in een slagveld herschapen. Soldaten en kavalerie, geschut en legerbagage, alles trok over de harde ijskorst der breede stroomen naar het hart van Holland. Ieder weet wat verder volgde. Maar onze vaderen hebben dien „franschen winter”, die zulk een zee van jammeren na zich sleepte, nooit vergeten, ’t Zou kunnen gebeuren, dat andermaal een vijandelijk leger — het moge heeten zoo het wil — in den strengen winter een bondgenoot vond, om onze onafhankelijkheid te belagen, en al onze verdedigingsplannen en inundatie-stelsels verijdelde. Doch het zal achter onze beschermende stroomen geen vrienden, maar kloeke strijders vinden voor vrijheid en onafhankelijkheid, die, al moeten zij een wijl voor de overmacht bukken, gelijk de fiere stroom voor den geweldigen wintervorst, toch evenals deze de ketenen weêr zullen afschudden, om onverwonnen het hoofd te verheffen.

 

DEN HEERE DE VEER

te AMSTERDAM.         

In antwoord op zijn vereerende uitnoodiging tot medewerking aan het voorgenomen „IJsnommer”.

 

’k Had gaarne tot dit werk het mijne toegebracht;

Maar ’t was vergeefs getracht

En moeite en tijd verloren:

De Zangberg was te glad, de Hengstebron bevroren!

Hoe treurig ook, ik dacht:

Ziedaar ten minste stof voor dichterlijke klacht, —

Nu is de dooi gekomen,

En heeft me ook die benomen.

Utrecht, 30 Dec. 1879. NICOLAAS BEETS.

 

IETS OVEE HET IJS

DOOR

Dr. A. VAN HENNEKELER.

 

Een der meest bekende natuurverschijnselen is de vastwording van water, wanneer dit, tot eene temperatuur van 0° C. afgekoeld, nog aan verdere afkoeling blootgesteld is. Het water van 0° verandert dan, als men de vastwording niet belet door de vrije beweging der waterdeeltjes te belemmeren, in ijs van 0°; is al het water ijs geworden, en blijft de afkoeling aanhouden, dan kan de temperatuur van het ijs dalen tot die der omgeving. Deze ijsvorming is in zeer vele opzichten hoogst merkwaardig. Beschouwen we met een vergrootglas het vast geworden water in de gedaante van een sneeuwvlok, dan geraken we in verrukking over de prachtige kristalvormen, waaronder deze zich vertoont. De hagel, op een heeten zomerdag, van donder en bliksem vergezeld door een eigenaardig geluid zich aankondigende, beangstigt en verbaast ons; het verwondert ons niet als we vernemen, dat de natuurkundigen dit samengesteld verschijnsel nog niet verklaren kunnen. Ontzagwekkend zijn de ijsvormen, zoo als we die beschreven, zelfs afgebeeld vinden door de koene Noordpoolvaarders van onzen tijd, die gewapend met kennis en goede werktuigen, ons een getrouw beeld leverden van ijsvelden en ijsbergen, van welke we ons in onze gematigde luchstreken slechts een flauw, of geen denkbeeld konden vormen. Met levensgevaar maakten die mannen eene studie van het ontstaan en de vervorming van de ijsvelden en ijsbergen, welke zoo grooten invloed oefenen op de temperatuursverhoudingen van onzen dampkring. Niet minder belangrijk blijkt ons de vastwording van het water of zijn damp in den vorm van het gletscher-ijs, vooral als we daarbij worden voorgelicht door een man als Tyndall. Aan zijne onderzoekingen, en aan die zijner voorgangers Agassiz en Forbes, hebben we de oplossing te danken van een tal van vraagstukken omtrent de geheimzinnige beweging van de ontzettend groote sneeuw- en ijsmassa’s, die in hooge bergstreken de valleien vullen en als gletschers algemeen bekend zijn. De ijsbergen der Poolzeeën, de schrik der zeevaarders, zijn aan deze gletschers van het vaste land hun aanzijn verschuldigd; een reden te meer om aan deze de voorkeur te geven bij eene nadere korte beschouwing van het ijs.

Omtrent den oorsprong der gletschers heeft bij geen der onderzoekers eenige twijfel bestaan. Boven de sneeuwgrens, waar de hoeveelheid sneeuw, jaarlijks vallende, juist gelijk is aan die welke smelt, vindt men eene met ijs en sneeuw steeds bezette streek, in het fransch névé geheeten. Daar moet de jaarlijks vallende hoeveelheid sneeuw die, welke gesmolten wordt, overtreffen. Beneden de sneeuwgrens vindt men ijsvelden, die in de Alpen den naam van glacier dragen. Boven die grens moest dus de hoogte der sneeuwmassa steeds toenemen, beneden die grens moest de gletscher steeds lager worden. De sneeuw boven de sneeuwgrens hoopt zich evenwel niet op, daar anders na een tal van jaren hare hoogte die der hoogste bergen zou moeten overtreffen. Dit leidt terstond tot de vraag: waar blijft de sneeuw ? En het antwoord is: de geheele gletscher, die verbazende ijs- en sneeuwmassa beweegt zich langzaam maar zeker in hare bedding tusschen de bergen voort. — Als een treffend bewijs van deze voortbeweging kan het volgende feit dienen. In het jaar 1820 werden 3 gidsen in eene groote kloof aan den top van den Grand Plateau, aan den voet van de laagste helling van den Mont-Blanc, door een sneeuwval bedolven. Meer dan 40 jaren later werden hunne overblijfselen vele mijlen lager aan de oppervlakte op het ijs teruggevonden. Die geheimzinnige voortbeweging der gletschers was reeds lang bekend, maar mannen van sterken lichaamsbouw, met doodsverachting ter wille van de wetenschap bezield, ondersteund door moedige gidsen, waren noodig, om onze kennis omtrent die beweging zoo uit te breiden, dat thans bijna geen vraagstuk haar betreffende is overgebleven.

Zoo kennen we nu zelfs de snelheid, waarmede vele dier gletschers zich voortbewegen; we weten, dat het midden van een gletscher, even als het midden eener rivier, een snellere beweging heeft dan de kanten; dat, evenals bij rivieren op sommige plaatsen, waar het dal zich kromt, de eene kant van den gletscher zich sneller beweegt dan de andere en dat het punt der snelste beweging steeds aan de bolle zijde ligt van de lijn, die het midden houdt tusschen de beide oevers. Ter plaatse van vernauwingen vond men door nauwkeurige metingen de snelheid grooter, en zelfs gelukte het Tyndall aan te toonen, dat de bedding de snelheid van den gletscher vermindert en de bovenste lagen zich sneller bewegen dan de onderste.

De zijden der gletschers zijn bezet met steendijken, moraines genoemd. Het ontstaan dezer randmoraines moet worden toegeschreven aan het gruis en de rotsblokken, die gedurig van de berghellingen naar beneden storten en door het ijs worden tegengehouden en gedragen.

Ook op het midden van sommige gletschers komen op ijsruggen steenhoopen in rijen voor, op sommige plaatsen van 6—10 M. hoogte boven het vlak van den gletscher; deze noemt men midden-moraines. Het is gebleken, dat zij ontstaan bij de vereeniging van twee zijgletschers tot een hoofdgletscher en dus gevormd worden door de vereeniging van twee randmoraines. Rand- zoowel als middenmoraines deelen in de beweging van den gletscher en zoo vindt men rotsblokken van geheel andere samenstelling dan die der rotsen op den linker- of rechteroever van den gletscher zelven. Ze worden door vorst gespleten en verweeren allengs; niettemin vond Tyndall eens zulk een blok, dat een inhoud had van 6800 M3. De ligging van dergelijke zwerfblokken stelt nu den deskundige in staat de plaats en de uitgestrektheid van vroegere gletschers te bepalen. Zoo vond Hooker dat de beroemde ceders van den Libanon groeien op moraines uit vroegeren tijd, den zoogenaamden ijstijd.

De grootte der snelheid van voortbeweging werd door Tyndall voor de Mér de Glace, bij eene breedte van ongeveer 800 M. voor verschillende punten bepaald en van 50—90 cM. per dag bevonden. Bij den grootsten Alpengletscher, den Aletsch-gletscher, een ijsstroom van 32 kilometer lengte en in ’t midden van den stroom ter breedte van 2 kilometer, was de snelste beweging 48 cM. per dag. Hugi bouwde in 1827 een hut op eene middenmoraine van den Unteraar-gletscher; in 1841 vond Agassiz deze hut 1436 M. naar beneden verplaatst.

De bepalingen der snelheid van beweging der gletschers werden natuurlijk des zomers genomen; des winters waren ze ongenaakbaar. Toch was het noodig hunne beweging ook des winters te kennen. Om de kwestie te beslissen, kwam Tyndall in den barren winter van 1859, in den kerstnacht, uit Londen te Chamouni aan. Na een sneeuwstorm op 26 December, trok hij op 27 December met 4 gidsen en een drager naar de Mer de Glace. Ons bestek gedoogt niet hier de beschrijving van dien gevaarlijken tocht, waarbij hij tot bijna aan den hals door de sneeuw moest waden, te geven. Den 28sten December was het werk verricht, en bleek uit de gedane metingen, dat de Mer de Glace zich ’s winters ook voortbeweegt, doch ongeveer 2 maal minder snel dan ’s zomers; evenals ’s zomers bewoog zich de eene kant sneller dan de andere.

Een aantal theorieën heeft men opgeworpen om de beweging der gletschers te verklaren. Nu men weet, dat zij ongeveer volgens dezelfde wetten als de rivieren naar beneden komen, moet men in weerwil van de hardheid en broosheid, die we dagelijks aan het ijs opmerken, aannemen, dat het gletscher-ijs in eene soort van taai-vloeibaren toestand verkeert, waarin het buig- en kneedbaar is.

Reeds in 1773 werd door Bordier de grondslag van deze theorie gelegd en in onzen tijd werd zij door Forbes en Tyndall bevestigd. Bovendien werden twee verschijnselen ontdekt, die de mogelijkheid van zulk een toestand bij het ijs verklaarden. Het eerste verschijnsel is de zoogenaamde regelatie of hervriezing, in 1850 door Faraday opgemerkt. Ze bestaat hierin, dat, als twee stukken smeltend ijs naast elkaar geplaatst worden, ze terstond in de aanrakingspunten aan elkander vastvriezen. Zelfs in warm water kan men de proef daarvan nemen. In de Poolzeeën worden op deze wijze ketens van ijsbergen gevormd. Het tweede verschijnsel volgt uit de wet, dat bij het aanbrengen van drukking het vriespunt van water wordt verlaagd.

Door de proef van Bottomley, met welker vermelding wij onze korte beschouwing moeten eindigen, te herhalen, kan men zich op eene verrassende wijze van beide verschijnselen overtuigen. Men plaatse eene ijsplaat van ongeveer 2 dM. lengte, 1 breedte en 0.8 dikte, met hare einden op houten blokken, legge daarover heen een koperdraad van een paar millimeters dikte. Men vereenige de einden van dien draad en hange er 6 à 7 Kg. aan. Na een half uur is de draad door het ijs gedrongen, zonder de stukken van elkaar gescheiden te hebben. Het ijs onder den draad smelt telkens ten gevolge van de drukking, het gevormde water loopt om den draad heen, maar bevriest onmiddellijk weer, zoodra het van de drukking bevrijd is.

 

De winter in de Heraldiek.

DOOR

A. A. VORSTERMAN VAN OIJEN.

 

Uit de nieuwsbladen vernam ik, dat de uitgever van het tijdschrift „Eigen Haard” het plan had opgevat een IJsnummer te doen verschijnen. Dit deed bij mij de vraag rijzen, of er genoeg familiewapens waren, met heraldieke meubelen aan den winter ontleend. Een achttal waren mij bekend. Mijn vriend J. B. Rietstap alhier, gaf mij nog een drietal op, zoodat eene teekening kon worden samengesteld.

Wellicht zijn er lezers, die in de vooronderstelling verkeeren, dat het samenstellen van zoo iets niet moeielijk is. Hierin vergist men zich echter, daar men wel wapenboeken heeft op den familienaam, maarniet op de heraldieke figuren, die in de wapens voorkomen. Mocht eenmaal de kundige Rietstap besluiten, zijn Armorial General aldus omgewerkt, uit te geven, al was het om te beginnen slechts voor Nederland en België, dan zou hij de maatschappij nog meer aan zich verplichten dan hij reeds deed. Niet iedereen bezit heraldieke kennis, en daarom laat ik hier de beschrijving der op de plaat voorkomende wapens volgen. Het spijt mij, dat ik over niet meer plaatsruimte kan beschikken, dewijl ik anders gaarne deze familiën genealogisch had willen toelichten.

Raet (De). Deze adellijke familie voert: In rood drie rechtopstaande gouden schaatsen, halfaanziende helm met goud-roode wrong. Helmteeken: een schaats van het schild, tusschen een vlucht van goud en rood. Dekkleeden: rood en goud. Schildhouders: twee omziende gouden griffioenen met den staart tusschen de achterpooten.

Raet (de). Een andere tak van dit geslacht voert: In rood drie recht opstaande gouden schaatsen en een blauw hartschild, waarin een gouden leeuw, alsmede een zilveren schildhoek, waarin een roode linkerhand (het teeken der Britsche baronets).

Familiewapens met heraldieke figuren aan den winter ontleend. Gerangschikt door den heer A. A. VORSTERMAN VAN OIJEN, directeur van het Genealogisch Archief te ’s Gravenhage.

Raet (Van Cats de). Nog een andere tak van dit geslacht voert: Gedeeld: 1 het voorgaande wapen; 2 het wapen van Cats, te weten in zwart twee golvende zilveren dwarsbalken, vergezeld van drie gouden ruiten, twee boven en een onder de balken.

Winter (de). Gevierendeeld: 1 en 4 in zilver, een bladerlooze zwarte boom, op wiens top een zwarte vogel zit; 2 en 3 in zwart, twee horizontaal geplaatste zilveren schaatsen boven elkander.

Bidloo. Gedeeld: 1 in groen drie zilveren leeuwen, 2 en 1; 2 in rood drie gouden schaatsen, 2 en 1, rechtop staande.

Patijn. Gevierendeeld: 1 en 4 in zilver drie molenijzers van zwart, 2 en 1; 2 en 3 in blauw drie gouden schaatsen, boven elkander horizontaal geplaatst.

Patijn. Rotterdamsche tak van dit geslacht, thans uitgestorven. Gevierendeeld: 1 en 4 in zilver een roode roos, wapen der familie Persoons; 2 en 3 in zilver drie horizontaal geplaatste schaatsen van rood boven elkander.

Clotterbooke Patijn. Andere tak dezer familie. Gevierendeeld: 1 in zilver, drie zwarte molenijzers 2 en 1; 2 in blauw, drie gouden schaatsen, horizontaal; 3 in blauw een zilveren leeuw, waarboven drie zilveren schelpen (Clotterbooke); 4 in rood een gouden rechter schuinbalk, waarop drie zwarte koeken en de balk vergezeld van zes gouden merletten.

Massillon (Ile de Prance). In blauw een gouden ijsvogel in een natuurlijk nest, dobberende op een zilveren zee.

IJbergen. In blauw een zilveren ijsberg, opkomende uit een natuurlijke zee.

Schlittstedt (Saksen). In zilver een zwarte slede.

Om zoo min mogelijk plaatsruimte in beslag te nemen, zijn de helmteekenen, dekkleeden, enz. bij de beschrijving der wapens weggelaten.

 

 

1 Altijd volgens een bericht in de Leeuwarder Courant, dat later is tegengesproken.